Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3662

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-10-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-10-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3662, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.223.376_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.223.376/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Interpolis,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Interpolis,advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/316856/HA ZA 16-425 gewezen vonnis van 26 april 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3662:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.223.376/01

arrest van 8 oktober 2019

in de zaak van

[de vennootschap 1]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna aan te duiden als [appellante] ,advocaat: mr. E.J. Eijsberg te Rotterdam,
tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V., h.o.d.n. Interpolis,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Interpolis,advocaat: mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 23 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/316856/HA ZA 16-425 gewezen vonnis van 26 april 2017.

5

- het tussenarrest van 23 oktober 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
[appellante] is een onderneming die sport- en recreatievaartuigen bouwt en repareert. Samen met [de vennootschap 2] , [de vennootschap 3] en [Beheer] Beheer B.V. vormt [appellante] , de [de groep] groep.
6.1.2.
Sinds juli 2008 is de [de groep] groep verzekerd bij Interpolis. Rabobank De Langstraat te [vestigingsplaats] (hierna: Rabobank) is de verzekeringsadviseur.

6.1.3.
[appellante] en Interpolis hebben in juli 2008 een bedrijfsschadeverzekering gesloten, de zogenaamde Bedrijven Compact Polis (BCP) afgesloten bij Interpolis.
6.1.4.
Deze BCP met nummer [polisnummer] vermeldt op de versie die op 19 januari 2015 is aangepast, voor zover hier relevant, het volgende:
“bedrijfsmiddelen ONGEWIJZIGD

204 voorraad

Risico-adressen [adres 1] , [postcode] [vestigingsplaats]

[adres 2] , [postcode]

Dekking waterschade en overige gevaren, brand, inbraak, diefstal, vandalisme, storm

Verzekerd bedrag € 970.000,-

Eigen risico (…)

Clausules (…) 12 Omschrijving voorraad

Voorwaarden hoofdstuk 2 paragraaf 1, 2, 3, 4”

en voorts:
“012 Omschrijving voorraad

De verzekerde voorraad betreft 3 boten en 2 motoren(bestemd voor inbouw in boot) met een totale waarde van € 970.000,-. De jetski is tijdelijk opgeslagen op het adres [adres 3] te [vestigingsplaats] . De clausule “Beveiliging” is hierop tevens van toepassing.

(…)

017 Meerdere verzekerden

Binnen de verzekerde activiteiten en dekking worden als verzekerde aangemerkt: [Beheer] Beheer BV [de vennootschap 1] [de vennootschap 3] [bedrijf 1] ”

6.1.5.
Volgens het “Verzekeringsbewijs” zijn op de verzekering van toepassing de “Verzekeringsvoorwaarden MKB, versie 5.4.” De overgelegde voorwaarden 5.3 vermelden (versie januari 2012) in ‘Hoofdstuk 2: Bedrijfsmiddelen, paragraaf 1 Brand’:
Wij verzekeren – afhankelijk van wat op het verzekeringsbewijs is aangegeven – de inventaris en/of voorraad en/of inboedel tegen schade die veroorzaakt is door:

• brand en/of brandblussing;

(…).

Bovendien verzekeren wij deze zaken tegen schade veroorzaakt door de genoemde gevaren

(…)

• tijdelijk, gedurende ten hoogste 3 maanden, vanuit het in het verzekeringsbewijs omschreven gebouw onverschillig waar in Nederland, Duitsland, België of Luxemburg met de bedoeling om in dit gebouw terug te keren, echter met een maximale uitkering van

€ 11.500,- per gebeurtenis;

Voor de dekkingen boven het verzekerd bedrag verwijzen wij u naar §33 van dit hoofdstuk.”

en in de Verzekeringsvoorwaarden MKB, versie 5.4. januari 2014 ‘Hoofdstuk 8: Algemene bepalingen, paragraaf 11 Veranderingen die gemeld moeten worden’(hierna: de verhuisclausule) staat:
“Geldt voor: Hoofdstuk 1 t/m 3

(…) Na het sluiten van de verzekering moet de verzekerde de volgende veranderingen zo spoedig mogelijk, en uiterlijk binnen 60 dagen aan ons melden. Als de verzekerde dit niet tijdig meldt, hoeven wij geen schade te vergoeden.

(…)

Verhuizing

Bij verhuizing van roerende zaken geldt bovendien dat:

-

de verzekerde een verhuizing zo spoedig mogelijk aan ons moet melden;

bij verhuizing naar een ander gebouw in Nederland de dekking van kracht blijft, behalve als wij te kennen hebben gegeven de verzekering niet of niet onder dezelfde voorwaarden te willen voortzetten. In dat geval blijft de dekking nog 2 maanden van kracht, te rekenen vanaf de dag van de verhuizing;

als de verzekerde de verhuizing niet aan ons meldt, vervalt de dekking 2 maanden na de verhuizing.”

6.1.6.
In 2011 heeft [appellante] in opdracht een motorjacht van het type [de trawler] , hierna: de Trawler, in aanbouw genomen.
6.1.7.
Op 13 september 2012 is de Trawler te boek gesteld en geregistreerd in het scheepsregister bij het Kadaster op naam van [de vennootschap 2] (hierna: Quality Yachts).
6.1.8.
Op 27 oktober 2014 zijn door [appellante] met betrekking tot de verkoop van de Trawler twee koopovereenkomsten gesloten, te weten:
De koopovereenkomst van 27 oktober 2014 waarbij de Trawler door Quality Yachts aan [appellante] werd verkocht voor een bedrag van € 608.184,00 exclusief BTW en per die datum in economisch eigendom werd overgedragen aan [appellante] . Artikel 4 van deze koopovereenkomst luidt:
“De feitelijke levering van het motorschip, staande op werf koper, vindt plaats per 27 oktober 2014 en de notariële eigendomsoverdracht zal bij de notaris passeren tezamen met / direct vooraf gaande aan de notariële eigendomsoverdracht van [de vennootschap 1] en [bedrijf 2] Ltd. Het motorschip is per 27 oktober 2014 voor rekening en risico van koper.”

De koopovereenkomst van 27 oktober 2014 waarbij de Trawler door [appellante] aan [bedrijf 2] Ltd. is verkocht, waarbij de bouw, koop en levering van de Trawler werd overeengekomen tegen een prijs van € 2.155.000,00 exclusief BTW en de levering werd voorzien in september 2015.

6.1.9.
Met ingang van 27 januari 2015 heeft [appellante] een hogere bedrijfshal gelegen aan de [adres 4] te [vestigingsplaats] in gebruik genomen en is daarin de Trawler geplaatst.
6.1.10.
Op 6 februari 2015 is de Trawler (staande op het adres [adres 4] te [vestigingsplaats] ) door brand verwoest. De experts van Interpolis en [appellante] hebben na de brand een opstelling gemaakt van de waarde van de aangetroffen voorraad voor en na de brand en hebben een schade begroot van € 905.519,00.
6.1.11.
Het kadastraal bericht object van de dienst voor het kadaster en openbare registers van 13 februari 2015 vermeldt dat de Trawler voor 1/1 in eigendom toebehoort aan Quality Yachts.
6.1.12.
Omdat Interpolis weigerde dekking te verlenen voor de brandschade aan de Trawler heeft [appellante] in kort geding van Interpolis een voorschot op de uitkering van de schadepenningen gevorderd. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 2 juni 2015 zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen.
6.2.1.
[appellante] stelt zich op het standpunt dat Interpolis toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van haar, uit hoofde van de tussen haar en Interpolis gesloten verzekeringsovereenkomst, verplichting over te gaan tot uitkering van schadepenningen. [appellante] vorderde in eerste aanleg dat de rechtbank:1. voor recht verklaart dat de schade aan de Trawler Explorer door brand d.d. 6 februari 2015 een onder de verzekering gedekte schade is;2. Interpolis veroordeelt om binnen 7 dagen na het vonnis opdracht te geven aan haar experts, zodat haar experts samen met de experts van [appellante] de bedrijfsschade door de brand zullen vaststellen, welke vaststelling zal geschieden binnen 2 maanden na het vonnis;3. Interpolis veroordeelt om aan [appellante] de buitengerechtelijke kosten te vergoeden zulks nader op te maken bij staat en te verrekenen volgens de wet;4. Interpolis veroordeelt aan [appellante] te vergoeden € 3.778,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;5. Interpolis veroordeelt in de proceskosten, de nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
6.2.2.
Interpolis heeft in eerste aanleg verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellante] . Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
6.2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat de schade aan de Trawler onder de verzekering niet voor vergoeding in aanmerking komt (i) omdat de Trawler zich ten tijde van de brand niet op een verzekerde locatie heeft bevonden en (ii) omdat de Trawler niet tot de verzekerde handelsvoorraad van [appellante] behoort.
6.3.
[appellante] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.
Komt [appellante] een beroep toe op de verhuisclausule als bedoeld in hoofdstuk 8, paragraaf 11 van de polisvoorwaarden?

6.4.
Met grief 1 bestrijdt [appellante] het oordeel van de rechtbank dat geen sprake zou zijn geweest van een verhuizing in de zin van hoofdstuk 8, paragraaf 11 van de polisvoorwaarden. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [appellante] geen beroep kan doen op de verhuisclausule, op grond waarvan op een nieuw risicoadres gedurende twee maanden dekking bestaat, ongeacht of Interpolis het nieuwe risicoadres wenst te accepteren en ongeacht of Interpolis met het nieuwe risicoadres bekend is. Het was de bedoeling dat de Trawler duurzaam van locatie zou wijzigen, zodat zich niet de situatie voordeed als bedoeld in hoofdstuk 2, paragraaf 1 van de polisvoorwaarden (tijdelijk verblijf elders). Volgens [appellante] voorzien de polisvoorwaarden in de situatie dat een deel van de inventaris of voorraad duurzaam wordt verplaatst naar een andere locatie en is dan sprake van een verhuizing als bedoeld in hoofdstuk 8, paragraaf 11 van de polisvoorwaarden.
6.5.
Volgens Interpolis is evident dat de verhuisbepaling ziet op het duurzaam wijzigen van de locatie van een object dat op de verzekerde locatie aanwezig is. De bepaling impliceert dat het oude risicoadres verdwijnt. Taalkundig betekent verhuizen de verandering van adres, waarbij het oude adres wordt verlaten en het nieuwe wordt betrokken. Het is nimmer de bedoeling van Interpolis geweest de verhuisbepaling voor een geval als het onderhavige toepasselijk te achten. [appellante] heeft bovendien in het verleden nimmer met een beroep op de verhuisbepaling een boot verplaatst.
6.6.
Vast staat dat ten tijde van het schadevoorval het adres waar de Trawler stond ( [adres 4] ) geen blijkens de polis verzekerd risicoadres van [appellante] was. [appellante] doet evenwel een beroep op de verhuisclausule en stelt dat op grond van deze clausule de Trawler niettemin onder de dekking van de verzekering viel. Het hof stelt voorop dat hier gaat om de uitleg van de polisvoorwaarden. Tussen partijen is niet onderhandeld over de voorwaarden, zodat de uitleg van de polisvoorwaarden met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel. Voorts dient tot uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (ECLI:HR:2008:BC2793, Chubb/Dagenstaed). Verder is in dit verband de uitleg contra proferentem als gezichtspunt van belang. Aan [appellante] komt, nu zij geen consument is, weliswaar geen beroep op artikel 6:238 BW toe, maar een onduidelijkheid in de polisvoorwaarden kan wel door de feitenrechter ten nadele van de opsteller van de voorwaarden worden meegewogen (vgl. conclusie AG Hartlief bij ECLI:NL:HR:2017:1055).
6.7.
Op de verzekeringsovereenkomst BCP die [appellante] met Interpolis heeft gesloten zijn van toepassing de polisvoorwaarden ‘MKB versie 5.4’. Door partijen is geen volledige versie van de polisvoorwaarden in het geding gebracht. De relevante bepalingen zijn volgens partijen hoofdstuk 2: Bedrijfsmiddelen, paragraaf 1 Brand (productie 2 bij conclusie van antwoord) en hoofdstuk 8: Algemene bepalingen, paragraaf 11 Veranderingen die gemeld moeten worden (productie 32 bij inleidende dagvaarding) en zijn hiervoor weergegeven onder rov. 6.1.5.
6.8.
Interpolis heeft benadrukt dat verhuizen taalkundig betekent de verandering van adres, waarbij het oude adres wordt verlaten en het nieuwe wordt betrokken. Deze (door Interpolis toegekende) grammaticale betekenis is echter niet zonder meer doorslaggevend. In het algemeen spraakgebruik zal het woord “verhuizing” al snel de associatie oproepen met de verhuizing van een persoon of personen naar een andere woning. Hetgeen in het algemeen spraakgebruik gebruikelijk is, is evenwel niet de (alles)bepalende factor bij de uitleg van de term “verhuizing” in de polisvoorwaarden MKB versie 5.4. De verhuizingsclausule zal moeten worden bezien tegen de achtergrond van de polisvoorwaarden. Daarbij is van belang dat het hier gaat om een verzekering voor ondernemers van het midden- en kleinbedrijf. Gelet op de aanduiding van hoofdstuk 8: paragraaf 11 gaat het om veranderingen (bij de verzekerde) die gemeld moeten worden, wil de ondernemer aanspraak kunnen blijven maken op dekking onder zijn verzekering. In geval van verhuizing van roerende zaken blijft de dekking nog twee maanden van kracht als de gewijzigde omstandigheid niet onder de dekking van de verzekering wordt aanvaard.
6.9.
Door Interpolis is naar voren gebracht dat [appellante] toevoeging van een nieuw risicoadres beoogde en zij leidt hieruit af dat geen sprake was van een verhuizing maar van toevoeging van een nieuw risicoadres op de polis. Dit verdraagt zich niet met een verhuizing en daarom komt [appellante] geen beroep toe op de verhuisclausule. Volgens Interpolis wordt een verandering van risico-adres niet zomaar geaccepteerd en gaat daar een inspectie van de locatie aan vooraf en vervolgens een acceptatie met al dan niet aan de omstandigheden aangepaste omvang of beperking van de dekking.
6.10.
Naar het oordeel van het hof kan uit de polisvoorwaarden niet worden afgeleid dat een beroep op de verhuisclausule alleen en uitsluitend kan worden gedaan, indien het oude risicoadres waarop de roerende zaken zich bevonden, definitief wordt verlaten. Deze voorwaarde is niet terug te vinden in de tekst van de polisvoorwaarden terwijl de term “verhuizing van roerende zaken” in samenhang met de daarbij omschreven voorwaarden ook niet tot die uitleg dwingt. Daarbij merkt het hof op dat de bepaling ziet op ; het gaat hier dus niet om een verhuizing van de (gehele) onderneming. Dat een ondernemer (een deel van) zijn roerende zaken wil overbrengen naar een nieuw adres, zonder dat het oude adres (geheel) wordt verlaten, valt binnen het bereik van de polisvoorwaarde. Een redelijke uitleg van de hier bedoelde polisvoorwaarde brengt met zich dat ook in geval het oude adres wordt behouden, aanspraak kan worden gemaakt op de verhuisclausule bij de verhuizing van roerende zaken naar een ander adres. Dat in de praktijk (zo begrijpt het hof uit de stukken) de melding van een ander adres waar een deel van de roerende zaken naar toe is gebracht tot gevolg heeft dat, na acceptatie van het nieuwe adres, dit adres wordt bijgeschreven op de polis als risicoadres, laat onverlet dat de roerende zaken van de ondernemer vanaf het moment van verhuizing naar de andere locatie onder de afgesloten verzekering in ieder geval nog twee maanden dekking bestaat. Nu het gaat om uitleg aan de hand van objectieve factoren is niet relevant dat Interpolis de bepaling zo niet heeft bedoeld. Evenmin is bij de beoordeling van de uitleg van de polisvoorwaarde relevant dat [appellante] nimmer eerder ten opzichte van Interpolis een beroep op deze verhuisbepaling heeft gedaan.
6.11.
Interpolis heeft nog naar voren gebracht dat de polisvoorwaarden een specifieke regeling kennen voor de situatie die zich hier voordeed en zij heeft daarbij gewezen op hoofdstuk 2 paragraaf 1 waarin is bepaald dat voorraad die tijdelijk, gedurende ten hoogste drie maanden, vanuit het verzekerde gebouw elders verblijft, verzekerd is. De dekking is geografisch en in hoogte, maximaal € 11.500,- per gebeurtenis, beperkt. [appellante] heeft bestreden dat deze regeling van toepassing is op de situatie die zich hier voordeed. [appellante] heeft gemotiveerd gesteld dat de verplaatsing van de Trawler van het adres [adres 2] naar het adres [adres 4] niet tijdelijk was, maar voor de duur van (ten minste) negen maanden in welke periode de Trawler zou worden afgebouwd. Daarna zou de Trawler worden geleverd aan [bedrijf 2] en het adres [adres 4] verlaten. De Trawler zou niet meer terugkeren op het adres [adres 2] . Deze feitelijke stellingen zijn door Interpolis niet bestreden, zodat het hof ervan uitgaat dat de verplaatsing van de Trawler niet tijdelijk voor de duur van maximaal drie maanden was en dekking op grond van deze polisvoorwaarde niet aan de orde is. Interpolis heeft voorts nog gesteld dat als onbeperkte dekking gewenst zou zijn geweest door [appellante] , paragraaf 13 (‘Brand tijdelijk elders’) meeverzekerd had moeten worden op de polis en dat is hier niet gebeurd. Paragraaf 13 is door Interpolis echter niet overgelegd zodat het hof dit niet in zijn oordeel kan betrekken. Overigens sluit de omstandigheid dat voorraad die langdurig elders is gestald op andere wijze bij Interpolis kan worden verzekerd, niet uit dat [appellante] verzekerd is onder een andere rubriek.
6.12.
De slotsom is dat hoewel de Trawler ten tijde van de brand niet op een verzekerde locatie zoals genoemd op de polis stond, [appellante] een beroep toekomt op de verhuisclausule in hoofdstuk 8, paragraaf 11. Vanaf de datum van verhuizing van de Trawler, 27 januari 2015, die op zich niet in geschil is, kon [appellante] dan ook in beginsel nog twee maanden aanspraak maken op dekking. Nu deze dekking ook geldt bij het (in het geheel) niet melden van de verhuizing, laat het hof verder onbesproken of [appellante] de verhuizing (op een juiste wijze) heeft gemeld of niet. Grief 1 slaagt.
Had [appellante] een verzekerbaar belang bij de Trawler en behoorde de Trawler tot de verzekerde voorraad van [appellante] ?

6.13.
De rechtbank heeft geoordeeld dat omdat het verzekerd object, de Trawler, op 13 september 2012 is geregistreerd (en te boek gesteld is) op naam van Quality Yachts, per die datum het verzekerd object en het risico en dus het verzekerbaar belang naar Quality Yachts is verplaatst. Dat [appellante] en Quality Yachts bij de verkoopovereenkomst van 27 oktober 2014 hebben afgesproken dat [appellante] de economische eigendom verkreeg, maakt dat niet anders. Nu Quality Yachts de juridisch eigenaar is van de Trawler stelt Interpolis zich terecht op het standpunt dat zij geen dekking verleent voor de schade aan de Trawler, omdat Quality Yachts niet bij haar is verzekerd, aldus nog steeds de rechtbank.
6.14.
[appellante] meent dat het oordeel van de rechtbank onjuist is. De juridische eigendomssituatie is niet van doorslaggevend belang. Relevant is slechts of de verzekerde een verzekerbaar belang heeft en de zaak ook daadwerkelijk verzekerd heeft. [appellante] had een economisch belang bij de Trawler, ingevolge de koopovereenkomst van 27 oktober 2014. Verder staat vast dat [appellante] een leveringsverplichting had op grond van de overeenkomst met [bedrijf 2] . Bij tenietgaan van de Trawler zou [appellante] een economisch verlies lijden, welk risico zij heeft afgedekt middels de verzekering. Omdat de Trawler deel uitmaakte van de handelsvoorraad ten tijde van de brand, behoorde de Trawler ook tot de verzekerde voorraad van [appellante] en bestaat recht op uitkering.
6.15.
Interpolis bestrijdt dat de Trawler onderdeel van de verzekerde voorraad heeft uitgemaakt. Op het moment dat Quality Yachts eigenaar werd van de Trawler was het geen voorraad meer van Euroboat Builders B.V. (een in 2013 gefailleerde vennootschap van [appellante] ) en evenmin van [appellante] . Het verzekerbare belang is in 2012 op Quality Yachts overgegaan. Het ontstaan van het belang bij [appellante] door het sluiten van de overeenkomst betekent niet dat het belang ook daadwerkelijk verzekerd was. [appellante] heeft zelf pas in juli 2013 een verzekeringsovereenkomst gesloten, waarin is bepaald dat de verzekerde voorraad drie boten met een totale waarde van € 515.000,- behelsde. Uit niets blijkt dat in juli 2013 de Trawler onderdeel van de voorraad van [appellante] zou zijn gaan uitmaken.
6.16.
Naar het oordeel van het hof had [appellante] ten tijde van de brand op 6 februari 2015 een verzekerbaar belang bij de Trawler. Interpolis bestrijdt niet dat ingevolge de tussen [appellante] en Quality Yachts gesloten koopovereenkomst van 27 oktober 2014 per die datum de Trawler voor rekening en risico van [appellante] kwam (6.1.8). Met de koopovereenkomst ontstond aldus voor [appellante] vanaf 27 oktober 2014 de mogelijkheid dat zij vermogensschade zou lijden bij het tenietgaan van of schade aan de Trawler en heeft zij een eigen belang bij de verzekering.
6.17.
Vervolgens is het de vraag of de Trawler op 6 februari 2015 deel uitmaakte van de verzekerde voorraad van [appellante] . Volgens [appellante] is de omschrijving onder clausule 12 behorend bij post 204 () niet bepalend. [appellante] heeft simpelweg “de voorraad” verzekerd. Niet relevant is of de verzekerde voorraad bestond uit drie boten, twee motoren en een jetski of uit een boot, vijf motoren en tien jetski’s. Relevant was slechts of de verzekerde som met de aanwezige voorraad correspondeerde, aldus nog steeds [appellante] .
6.18.
[appellante] kan hierin niet worden gevolgd. Bij de beoordeling of de Trawler deel uitmaakte van de verzekerde voorraad van [appellante] is niet enkel relevant of de verzekerde som met de aanwezige voorraad correspondeerde. Nu sprake is van een omschrijving op de polis, ook al is deze globaal, zal vast moeten komen te staan of de Trawler ten tijde van de brand deel uitmaakte van de verzekerde voorraad zoals vermeld op de polis onder 204.
6.19.
Interpolis heeft naar voren gebracht dat nadat de Trawler op 13 september 2012 is geregistreerd (en te boek gesteld) op naam van Quality Yachts, de Trawler geen voorraad meer was van Euroboat Builders B.V. en evenmin van [appellante] . Op dat moment was er geen verzekerbaar belang meer voor Euroboat Builders B.V. of [appellante] , zodat de verzekeringsovereenkomst op grond hiervan is geëindigd. Krachtens de verzekeringsovereenkomst geldt dat wanneer het verzekerde belang is overgedragen de verzekering in afwijking van artikel 7:948 BW het verzekerde belang niet volgt, maar eindigt.
6.20.
[appellante] heeft bestreden dat de verzekering zou zijn beëindigd toen de Trawler in september 2012 op naam is gezet van Quality Yachts. De Trawler is altijd in aanbouw gebleven bij [appellante] . Mocht het al zo zijn dat de Trawler vanaf september 2012 niet meer tot de verzekerde voorraad behoorde, dan is de Trawler daartoe vanaf 27 oktober 2014 weer gaan behoren. [appellante] verwijst nog naar HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:BZ3670. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Interpolis dekking afwijst.
6.21.
Het hof oordeelt als volgt. Op het polisblad van 19 januari 2015 (6.1.4) is onder clausule 17 vermeld wie als verzekerden worden aangemerkt. Quality Yachts wordt daarin niet genoemd. Vast staat dat Quality Yachts op 13 september 2012 eigenaar is geworden van de Trawler (6.1.7). Dit heeft in beginsel tot gevolg dat vanaf dat moment er geen verzekerbaar belang voor Euroboat Builders B.V. of [appellante] bestond. Immers, de Trawler kwam vanaf dat moment niet meer voor rekening en risico van Euroboat Builders B.V. (of [appellante] ). [appellante] heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd welk (verzekerbaar) belang zij ondanks de overdracht aan Quality Yachts nog had. Ingevolge hoofdstuk 8 paragraaf 2 van de polisvoorwaarden eindigt de verzekering als het verzekerde belang over gaat naar een nieuwe belanghebbende (productie 6 bij conclusie van antwoord). Dat betekent dat de verzekering ten aanzien van de Trawler (in ieder geval) is geëindigd per 4 juli 2013 (de prolongatiedatum). Met Interpolis is het hof van oordeel dat met het ontstaan van het verzekerbaar belang per 27 oktober 2014 voor [appellante] (de economische eigendomsoverdracht van de Trawler), dit niet betekent dat het belang (weer) verzekerd was bij Interpolis. Interpolis heeft onbestreden gesteld dat [appellante] bij Interpolis had moeten melden dat zij de economische eigendom had verkregen waarna Interpolis deze wijziging had moeten accepteren op de polis.
6.22.
Het beroep van [appellante] dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Interpolis geen dekking verleent, faalt. Van een situatie gelijk aan HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:BZ3670 is geen sprake. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank op dit punt en maakt dat tot het zijne. Tijdens het pleidooi is namens [appellante] verklaard dat Quality Yachts twintig jaar geleden is opgericht. Op advies van de Rabobank werd de eigendom van (voorlopig) niet verkochte boten overgedragen aan Quality Yachts. [appellante] heeft zich volgens eigen zeggen niet gerealiseerd dat Quality Yachts geen verzekerde (vennootschap) was onder de polis. Wat hier verder ook van zij, dit zijn omstandigheden die in de verhouding Interpolis- [appellante] voor rekening en risico van [appellante] blijven. Dat Interpolis Quality Yachts zonder meer zou hebben meeverzekerd op de polis en dit verder geen enkele relevante wijziging teweeg zou hebben gebracht, is door [appellante] , in het licht van de betwisting door Interpolis, onvoldoende onderbouwd. In ieder geval brengen de stellingen van [appellante] op dit punt in dit geval nog niet met zich dat Interpolis zich niet meer zou mogen beroepen op het feit dat Quality Yachts geen verzekerde vennootschap onder de polis was en de verzekering ten aanzien van de Trawler na eigendomsoverdracht aan Quality Yachts op grond van de polisvoorwaarden is geëindigd. Uitgangspunt blijft immers dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen.
6.23.
De grieven 1 en 2 slagen deels, maar kunnen niet tot een andere beslissing leiden. Grief 3 faalt omdat [appellante] door de rechtbank terecht in de proceskosten van eerste aanleg is veroordeeld. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen, onder verbetering van gronden. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de proceskosten van het hoger beroep.
7

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 26 april 2017, met verbetering van gronden;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die proceskosten tot op heden begroot op € 716,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, E.H. Schulten en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 oktober 2019.

griffier rolraadsheer