Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3343

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 12-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3343, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-000678-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:3343:DOC
nl

Parketnummer : 20-000678-17 Uitspraak : 12 september 2019TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 15 februari 2017 in de strafzaak met parketnummer 01-993295-16 tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats] .
Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte ter zake het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd van een geldbedrag van € 3.615,-

De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de bewezenverklaring en de strafbaarheid van de feiten.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 25 juni 2012 te Eindhoven, althans in Nederland, van een of meer voorwerp(en), te weten een horloge, merk Rolex, en/of een of meer geldbedragen (totaal ongeveer 74.757,96 euro) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en), te weten voornoemd horloge en/of voornoemd(e) geldbedrag(en), was of wie bovenomschreven voorwerp(en), voorhanden had, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
althans, subsidiair,

hij op of omstreeks 25 juni 2012 te Eindhoven, althans in Nederland, een of meer voorwerp(en), te weten een horloge, merk Rolex, en/of een of meer geldbedragen (totaal ongeveer 74.757,96 euro) heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) en/of geldbedragen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

2.hij op of omstreeks 3 oktober 2014 te Vlaardingen, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een geldbedrag (van ongeveer 16.615 euro), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geldbedrag was en/of een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag (van ongeveer 16.615 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.hij op 25 juni 2012 te Eindhoven een horloge, merk Rolex, en een geldbedrag (totaal ongeveer 74.757,96 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair

Afkomstig uit enig misdrijf

Primair heeft de verdediging het in eerste aanleg gevoerde verweer herhaald dat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat het horloge, merk Rolex, en het geldbedrag (totaal ongeveer 74.757,96 euro) niet uit enig misdrijf afkomstig zijn. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte over het horloge verklaard dat hij dit voor iemand uit Amsterdam in consignatie had maar hier verder geen mededelingen over wilde doen. Het geldbedrag zou verdachte bij elkaar hebben gespaard van inkomsten uit zijn handel in onder meer antiek en auto’s. Verdachte zou dit geld al in 2002 hebben gespaard.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat of een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen kan worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het openbaar ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.

Indien de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
In het licht van deze vooropstelling, stelt het hof het navolgende vast.

Uit observatie bleek dat zowel verdachte als zijn partner, de medeverdachte [medeverdachte] , regelmatig worden gezien wanneer zij het adres [adres] te Eindhoven betreden en verlaten.

Uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat [medeverdachte] , eigenaar is van een eenmanszaak genaamd [bedrijfsnaam] , gevestigd op voornoemd adres.

Op 25 juni 2012 heeft een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden in de woning/winkel [adres] te Eindhoven. Daarbij is een grote hoeveelheid contant geld (totaalbedrag 74.757,96 euro) in diverse valuta’s (Euro’s, Deense Kronen, HongKong Dollars, Argentijnse Pesos, Thaise Bath en Litas) aangetroffen. Verder werd een Rolex-horloge inbeslaggenomen waarvan – na onderzoek – werd vastgesteld dat dit in Zwitserland contant was aangekocht en een geschatte waarde had van € 5.000,-.

Bij de politie heeft verdachte omtrent het horloge verklaard dat hij dit in commissie had en dat het aangetroffen geld, deels van hem was en deels van derden maar dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verdachte met betrekking tot het horloge hetzelfde verklaard als bij de politie en heeft hij wederom niet de naam willen noemen van de persoon voor wie hij het horloge in consignatie had maar dat het een persoon uit Amsterdam was. Ter zake het aangetroffen geld heeft verdachte verklaard dat dit van hem was en dat dit afkomstig was uit de auto- en antiekhandel.

Omtrent de legale inkomsten en het vermogen van verdachte [verdachte] blijkt uit het dossier dat hij in verband met zijn aanhouding en detentie vanaf 2002 tot 2009 geen legale inkomsten heeft genoten. Bij de belastingdienst is 2009 en 2010 alleen bekend dat veroordeelde in 2009 een loon heeft ontvangen van € 593,- en in 2010 was dit nihil.

Met betrekking tot het vermogen van veroordeelde zijn over de jaren 2003 tot en met 2006 geen gegevens meer bekend omtrent het voordeel uit sparen en beleggen. Over het jaar 2008 is door veroordeelde geen opgave gedaan. Over de jaren 2007, 2009 en 2010 bedroegen de eindsaldi omtrent voordeel uit sparen en beleggen respectievelijk: € 593,-, € 3.242,- en € 2.619,-.
Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte een groot geldbedrag van € 74.757,96 in diverse valuta voorhanden heeft gehad. Verdachte heeft immers verklaard dat het geldbedrag van hem was en dat hij daarvoor verantwoordelijk was. Ten aanzien van het aangetroffen Rolex-horloge is het hof eveneens van oordeel dat verdachte dit voorhanden heeft gehad. Het hof hecht geen geloof aan de enkele niet nader onderbouwde verklaring van verdachte dat hij dit horloge voor een persoon uit Amsterdam in consignatie had.

Het enerzijds voorhanden hebben van een groot geldbedrag en een duur Rolex-horloge en anderzijds de door het openbaar ministerie aangedragen gegevens van de belastingdienst waaruit – kort gezegd – volgt dat verdachte in de periode van 2002 tot en met 2010 nauwelijks legale inkomsten en vermogen heeft gehad rechtvaardigen naar het oordeel van het hof het vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat die voorwerpen uit enig misdrijf afkomstig zijn. In dat verband mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Verdachte heeft niet meer verklaard dan dat hij inkomsten uit de handel in antiek en auto’s heeft gehad en dat hij van die inkomsten in 2002 had gespaard, zonder enige nadere (financiële) onderbouwing. Het hof is van oordeel dat deze verklaring van verdachte niet is aan te merken als een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring is waaruit zou moeten worden afgeleid dat genoemde voorwerpen niet van enig misdrijf afkomstig zijn.

Gelet hierop verwerpt het hof het verweer van de verdediging dat de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde voorwerpen niet van enig misdrijf afkomstig zijn.

Verbergen/verhullen/voorhanden hebben

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde kan worden bewezen omdat veroordeelde het Rolex-horloge en het geldbedrag van € 74.757,96 heeft verborgen en/of verhuld door deze voorwerpen te plaatsen op de zolder van de woning van zijn partner. De advocaat-generaal heeft daarbij gewezen op een uitspraak van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2019/474). De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte deze voorwerpen voorhanden heeft gehad en dat verdachte om die reden van het onder 1 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat, gelet op de wetsgeschiedenis, 'verbergen' en 'verhullen' als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder a, Sr, betrekking hebben op gedragingen die erop zijn gericht het zicht op de herkomst van voorwerpen te bemoeilijken. Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken.

Hiervoor onder het kopje “afkomstig uit enig misdrijf” heeft het hof vastgesteld dat uit observatie is gebleken dat verdachte en zijn partner verbleven op het adres [adres] te Eindhoven. Krachtens het GBA staat in de woning niemand ingeschreven. Uit het proces-verbaal doorzoeking ter inbeslagneming volgt dat in genoemd pand op diverse plaatsen het ten laste gelegde geldbedrag alsmede het Rolex-horloge werden aangetroffen.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de enkele omstandigheid dat verdachte geld en een Rolex horloge in de woning van zijn partner opbergt, op welk adres volgens het GBA niemand staat ingeschreven, geen gedragingen oplevert die erop gericht zijn het zicht op de herkomst van de voorwerpen te bemoeilijken en daardoor een verbergings- of verhullingshandeling oplevert als bedoeld in artikel 420bis, eerste lid onder a, Sr.

De casus waarover de Hoge Raad had te oordelen in het door de advocaat-generaal aangehaalde arrest was een andere. Daarin was namelijk – kort en zakelijk weergegeven – sprake van geldbedragen die door verdachte en zijn mededaders telkens werden vervoerd en werden bewaard in een kluis in een pand dat door verdachte onderhands werd gehuurd en op welk adres volgens het GBA andere personen waren ingeschreven, ten aanzien van welke gedragingen de Hoge Raad van oordeel was dat deze verbergings- dan wel verhullingshandelingen opleverden.

Gelet hierop zal het hof overeenkomstig het standpunt van de verdediging verdachte van het primair ten laste gelegde vrijspreken en tot een bewezenverklaring komen van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2

Primair heeft de verdediging zich ten aanzien van feit 2 op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat de aanhouding en controle van de auto van verdachte op 3 oktober 2014 onrechtmatig is geweest, dat het resultaat van die aanhouding en controle dientengevolge niet aan het bewijs kan bijdragen en op die grond – bij gebreke van voldoende ander bewijs – vrijspraak dient te volgen. Ter onderbouwing is aangevoerd dat verdachte voorafgaande aan genoemde aanhouding al geruime tijd door de politie werd geobserveerd en ook mocht doorrijden nadat hij eerder door de politie ter zake een controle was staande gehouden. Volgens de verdediging bestond daardoor op het moment van aanhouding geen redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte aan een strafbaar feit.

Voor het geval het hof dit verweer zou verwerpen heeft de verdediging voorwaardelijk verzocht de observanten die de auto van verdachte hebben geobserveerd voorgaande aan diens aanhouding als getuigen te horen . Ter onderbouwing van dit voorwaardelijke getuigenverzoek is aangevoerd dat de verdediging deze getuigen wenst te horen over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het veronderstelde redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.

De vraag die het hof heeft te beantwoorden is of in dit geval de verdachte terecht is aangemerkt als degene tegen wie uit feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeide.

In het licht hiervan blijkt uit het dossier van het navolgende.

Op 25 juni 2014 is een strafrechtelijk onderzoek gestart, genaamd 26 KEYS. Dit is gestart naar aanleiding van een aan het onderzoeksteam verstrekt proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen, waarin letterlijk werd vermeld:

“De man die woont op de [adres] , dumpt het afval van de productie van synthetische drugs uit de drugslabs van [verdachte] (hof: de verdachte).

Uit documentatie bleek dat verdachte eerder met justitie in contact is gekomen in verband met overtreding van de Opiumwet , met name de handel in en vervaardiging van synthetische drugs, de handel in cocaïne en de handel in precursoren.

Gelet op vorenstaande werd op 24 juli 2014 een aanvraag stelselmatige observatie tegen verdachte aangevraagd en verleend teneinde verdachte stelselmatig te volgen met het doel bewijs te vergaren met betrekking tot de locaties van drugslaboratoria waarvan drugsafval afkomstig is en vast te stellen met wie verdachte op dat gebied contact heeft.

Op 3 oktober 2014 is door leden van het observatieteam gezien dat verdachte op [adres] te Eindhoven in een auto stapte en wegreed. Verdachte reed naar Moergestel en arriveerde daar bij het bedrijf [bedrijfsnaam] . Aldaar reed verdachte zijn auto achteruit het gebouw binnen en werd de kofferbak van zijn auto geopend. Hierbij werd door de politie gezien dat verdachte en een onbekend gebleven persoon dozen achter in de auto plaatsten. Hierna werden nog meer dozen in de auto geladen en werd gezien dat verdachte twee doorzichtige plastic zakken met witkleurige inhoud in de kofferbak plaatste. Ook legde verdachte enkele bruine enveloppen in de kofferbak, waarna hij wegreed.

Vervolgens werd door leden van het observatieteam gezien dat verdachte naar Rotterdam reed en op de Schieweg aldaar contact maakte met de bestuurder van een auto. De bestuurder van deze auto stapte uit en nam naast verdachte plaats in diens voertuig. Vervolgens stapte deze persoon weer uit en reed verdachte verder. Verdachte werd daarop op de Borgesiusstraat te Rotterdam door de politie gecontroleerd en mocht verder rijden.

Vervolgens werd verdachte, nadat hij zijn auto op de James Wattstraat te Vlaardingen tegenover het clubgebouw van de motorclub “No Surrender” had geparkeerd, aangehouden.

Bij zijn aanhouding bleek in de door verdachte bestuurde auto op de bijrijdersplaats een schoudertas te liggen met daarin meerdere stapels geld bestaande uit biljetten van € 50,- en € 100,-. Ook in het hoofdvak van de schoudertas werd een enveloppe met daarin een stapel 50 euro biljetten aangetroffen, samengebonden met een elastiek.
In de enveloppe in de tas bevond zich in totaal een contant geldbedrag van € 13.000,- en los in de tas bevond zich een geldbedrag van € 3.615,-.

Naar het oordeel van het hof kon er, gelet op de informatie van het Team Criminele Inlichtingen, de justitiële documentatie van verdachte ter zake overtreding van de Opiumwet en de waarnemingen van het observatieteam, tijdens de aanhouding van verdachte op 3 oktober 2014 een redelijk vermoeden bestaan dat hij zich schuldig maakte aan een strafbaar feit en waren de verbalisanten gerechtigd tot aanhouding over te gaan. Dat verdachte voorafgaande aan de aanhouding nog op de Borgesiusstraat te Rotterdam door de politie werd gecontroleerd en weer verder mocht rijden doet aan dit oordeel niet af.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de aanhouding van verdachte rechtmatig is geweest en dat voor bewijsuitsluiting als door de verdediging bepleit geen plaats is. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Voorwaardelijk getuigenverzoek

Voor het geval het hof mocht oordelen dat er een redelijk vermoeden van schuld kon bestaan, heeft de verdediging als voorwaardelijk getuigenverzoek verzocht de opsporingsambtenaren [getuige 1] , [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] , [getuige 6] , [getuige 7] en [getuige 8] als getuigen te horen. Ter onderbouwing is aangevoerd dat deze opsporingsambtenaren de observaties voorafgaande aan de aanhouding en controle van verdachte op 3 oktober 2014 hebben uitgevoerd en daarom bij uitstek kunnen verklaren over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het veronderstelde redelijk vermoeden van schuld. De verdediging heeft deze getuigen ook reeds verzocht in de appelschriftuur van 14 maart 2017.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het getuigenverzoek aan het criterium van het verdedigingsbelang dient te worden getoetst nu appel door verdachte is ingesteld op 28 februari 2017 en de getuigenverzoeken bij appelschriftuur van 14 maart 2017.

Het hof stelt vast dat de in het getuigenverzoek van de verdediging genoemde observanten hun bevindingen hebben neergelegd in een activiteitenjournaal (hof: zie verwijzing in noot 12).

In het licht van dit journaal en de daarin door de observanten neergelegde bevindingen mag van de verdediging worden verlangd dat naar behoren wordt gemotiveerd waarom en op welke punten de betreffende observanten nader gehoord dienen te worden. De enkele onderbouwing dat zij “bij uitstek kunnen verklaren over de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het veronderstelde redelijk vermoeden van schuld” is daartoe onvoldoende, nog daargelaten of de observanten de geëigende getuigen zijn om daaromtrent te verklaren.

Gelet hierop wordt het (voorwaardelijke) getuigenverzoek van de verdediging afgewezen vanwege het ontbreken van een verdedigingsbelang.

Partiële vrijspraak geldbedrag van € 13.000,-

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep ten aanzien van feit 2 overwogen dat van een gedeelte van het ten laste gelegde bedrag van € 16.615,-, te weten een bedrag van € 13.000,-, niet kan worden uitgesloten dat dit een legale herkomst heeft. De rechtbank heeft de verdachte in zoverre dan ook van het ten laste gelegde partieel vrijgesproken.
In het hoger beroep hebben zowel de verdediging als de advocaat-generaal zich achter deze partiële vrijspraak geschaard. Nu het hof evenmin aanleiding ziet anders dan de rechtbank te oordelen, zal het de verdachte eveneens voor dat bedrag partieel vrijspreken.

Restant geldbedrag van € 3.615,-

Op dezelfde gronden als hiervoor ten aanzien van feit 1 ingenomen heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het (restant-) geldbedrag van € 3.615,- een legale herkomst heeft en afkomstig is uit de inkomsten van - kort gezegd – de handel van verdachte.

Het hof heeft vorenstaand standpunt van de verdediging ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde verworpen en zal dit ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde eveneens op dezelfde gronden verwerpen.

Kort gezegd is het hof van oordeel dat, gelet op de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat verdachte in de periode tussen 2002 en 2010 nauwelijks inkomen en vermogen heeft gehad, mag worden verlangd dat verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het aangetroffen geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.

De enkele niet nader onderbouwde verklaring van verdachte dat dit geld afkomstig is uit – kort gezegd – de handel kan niet als een dergelijke verklaring gelden.

Het hof overweegt daarbij dat uit het dossier noch anderszins is gebleken dat het legale inkomen en vermogen van verdachte in de periode tussen 2010 en 2014 wezenlijk anders zijn geweest dan het openbaar ministerie heeft vastgesteld over de periode van 2002 tot en met 2010.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geldbedrag van € 3.615,- van enig misdrijf afkomstig is. Het hof betrekt bij dit oordeel tevens de hoeveelheid en de kleine coupures waaruit het aangetroffen geldbedrag bestond, hetgeen eveneens een aanwijzing oplevert voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het aangetroffen geldbedrag. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde

De verdediging heeft zich ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het bewezenverklaarde niet als “witwassen” valt te kwalificeren. Ter onderbouwing is aangevoerd dat het Rolex-horloge en het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig waren en het enkele voorhanden hebben ervan – volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad – in dat geval geen strafbaar feit oplevert. Dat deze voorwerpen uit eigen misdrijf afkomstig zouden zijn, volgt – zo begrijpt althans het hof het standpunt van de verdediging – uit de omstandigheid dat de geldbedragen voorwerpen samenhangen met een andere strafzaak tegen verdachte genaamd KTZ30.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt met betrekking tot de vraag over het onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn als factoren vooral van belang zijn of:

(ii) rechtstreeks uit de bewijsvoering voortvloeit dat sprake is van - kort gezegd - het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf, dan wel(iii) de juistheid in het midden is gelaten van hetgeen door of namens de verdachte met voldoende concretisering is aangevoerd met betrekking tot dit verwerven of voorhanden hebben door eigen misdrijf.
In het licht van voorgaande vooropstelling stelt het hof vast dat het hiervoor onder (i) en (ii) geschetste gevallen zich in dit geval niet voordoen.

Blijft over het onder (iii) genoemde geval, ten aanzien waarvan het hof van oordeel is dat de enkele verwijzing door de verdediging naar een andere strafzaak – KTZ30 – tegen verdachte zonder nadere onderbouwing niet de conclusie rechtvaardigt dat het/de aangetroffen horloge en geldbedragen onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig zijn. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Nu ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, is het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde strafbaar.

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:


2.hij op 3 oktober 2014 te Vlaardingen een voorwerp, te weten een geldbedrag van 3.615,- euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;




( i) naast het tenlastegelegde witwassen sprake is van een ten laste van de verdachte uitgesproken bewezenverklaring ter zake van het begaan van een ander misdrijf met betrekking tot hetzelfde voorwerp, door middel van welk misdrijf de verdachte dat voorwerp kennelijk heeft verworven of voorhanden heeft (bijvoorbeeld de buit van een door de verdachte zelf begaan vermogensmisdrijf), dan wel
Witwassen.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde

Op dezelfde gronden als hiervoor ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde aangevoerd heeft de verdediging zich ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zich op het standpunt gesteld dat het geldbedrag van € 3.615,- onmiddellijk van eigen misdrijf afkomstig was. Op grond daarvan heeft de verdediging eveneens bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het bewezenverklaarde niet als “witwassen” valt te kwalificeren.

Het hof verwerpt dit standpunt op dezelfde gronden als waarop het het standpunt van de verdediging ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde heeft verworpen.

Kort gezegd is het hof van oordeel dat hetgeen namens de verdachte is aangevoerd onvoldoende concreet is om de conclusie te rechtvaardigen dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is, op grond waarvan het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Nu ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten, is het onder 2 bewezenverklaarde strafbaar.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Witwassen.


Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De rechtbank heeft verdachte van het onder 1 – na de wijziging tenlastelegging in hoger beroep: feit 1 primair – vrijgesproken en ter zake feit 2 veroordeeld. Aan verdachte is een taakstraf van 120 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest opgelegd. De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte ter zake het onder feit 1 primair en onder 2 bewezenverklaarde te veroordelen tot een gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van voorarrest.

Het hof overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een Rolex-horloge en een geldbedrag van € 74.757,96 op 25 juni 2012 en van een geldbedrag van € 3.615,- op 3 oktober 2014.

Witwassen is een ernstig feit en vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Uit een verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 4 juni 2019 blijkt van meerdere veroordelingen en van een langdurige gevangenisstraf van 11 jaren en 8 maanden die verdachte op 2 februari 2006 opgelegd heeft gekregen door dit hof ter zake Opiumwetdelicten. Deze eerdere veroordelingen waaronder die met een langdurige gevangenisstraf hebben verdachte er niet van weerhouden zich wederom in te laten met criminele activiteiten. Van enig schuldbesef van de zijde van verdachte is het hof bij het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken. Dit in samenhang met de omvang van de witgewassen bedragen maakt dat naar het oordeel van het hof in beginsel niet kan worden volstaan met een andere dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Deze straf is, gezien de ernst van de feiten, hoger dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Het hof stelt echter tevens vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden.

De aanvang van de redelijke termijn wordt door het hof gesteld op 25 juni 2012 zijnde de datum waarop de politie de woning aan de [adres] te Eindhoven is binnengetreden ter inbeslagneming. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 15 februari 2017. Daarmee is de redelijke termijn welke doorgaans voor deze fase op twee jaren wordt gesteld met twee jaren en ongeveer 7 maanden overschreden. Vervolgens is op 27 februari 2017 door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld en doet het hof uitspraak op 12 september 2019. Daarmee is de redelijke termijn voor deze fase welke doorgaans eveneens op twee jaren wordt gesteld met ruim 6 maanden overschreden. Het hof ziet in de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden op te leggen.

Beslag

Verbeurdverklaring

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag, volgens opgave van verdachte aan toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met betrekking tot hetwelk het onder 2 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Teruggave

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 en 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 en 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 3.615,- (IBN Code 91JDL.01.02.002).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:een Iphone 6 (IBN Code 91JDL.01.04.002)een Nokia 105 (IBN Code 91JDL.01.04.001).
Aldus gewezen door:mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,mr. P.T. Gründemann en mr. J. Nederlof, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. J.H.W. Van der Meijs, griffier,en op 12 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
_f8d17485-c54b-4435-bf41-e7832352f8d6
1

De hierna opgenomen bewijsmiddelen zijn afkomstig uit het eindproces-verbaal Vaughan, proces-verbaalnummer 30-407466, opgemaakt en gesloten op 14 maart 2016, bestaande uit een relaasproces-verbaal met doorgenummerde pagina’s 1 t/m 22 en bijlagen met doorgenummerde pagina’s 1 t/m 586.

_5007aea5-a5b8-468a-9452-6adab7a31914
2

Proces-verbaal van bevindingen observatie, pagina’s 149 t/m 153.

_1bc087be-6b53-4718-8caa-fcbb382e4aa2
3

Uittreksel Kamer van Koophandel, pagina 48.

_b95d941e-fb6e-4dac-9946-b39b1082ec08
4

Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, pagina’s 368 t/m 378

_ba6e68a6-4c08-4ff1-8903-1dee8bef7ef6
5

Antwoord rechtshulpverzoek Zwitserland, pagina’s 443 t/m 446

_d038672c-2c4d-4db0-b2b3-eacc6157e14e
6

Relaasproces-verbaal, pagina 9

_92ea2631-b321-4c1f-bdeb-4617ed08ec77
7

Proces-verbaal belastingdienst, pagina’s 584 t/m 586

_62f169d9-e1f1-4565-bdf7-ce7ea5d7821d
8

Proces verbaal aanvraag doorzoeking ter inbeslagneming, pagina’s 364 t/m 367

_91f5f64e-34b8-4cfd-a494-edda868bc410
9

Proces verbaal van doorzoeking en inbeslagneming, pagina’s 368 t/m 369.

_a98f2d6f-ecc2-42f8-a727-ac236b5c95aa
10

De hierna opgenomen bewijsmiddelen zijn afkomstig uit het dossier “26Keys”, onderzoek 26DLR14019, bestaande uit een procesdossier en een beslagdossier.

_13d7a81e-9f75-43dd-9b70-4faf85d6f3b6
11

Aanvraag bevel stelselmatige observatie, BOB-dossier [verdachte] , pagina 2 t/m 4

_9c863391-c0b9-4567-b338-8f01597e9e1a
12

Activiteitenjournaal d.d. 3 oktober 2014, gevoegd bij het proces-verbaal observeren, beslagdossier, pagina’s ZD03-31 t/m 03-36

_46dd9069-eb89-41ab-957d-fe810a56a651
13

Proces-verbaal van bevindingen, beslagdossier, pagina’s ZD03-37 t/m ZD03-38

_6fa99997-3eb6-45ed-b815-c2f19d054bae
14

Beslagdossier, pagina 10