Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3322

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3322, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.218.867_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.218.867/01

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHSHE:2019:3322:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.218.867/01

arrest van 10 september 2019

in de zaak van

1

2. wonende te [woonplaats] ,appellanten, hierna te noemen: [appellanten c.s.] , advocaat: mr. A.C. Teeuw te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee,
tegen

1

2. wonende te [woonplaats] , geïntimeerden, hierna te noemen: [geintimeerden c.s.] ,advocaat: mr. E.H.M. Harbers te Arnhem,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 16 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/291188 / HA ZA 15-202 gewezen vonnis van 8 maart 2017.

5

- het tussenarrest van 16 oktober 2018 waarbij aan partijen de gelegenheid is geboden voor pleidooi;
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

-

het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

de bij brief van 18 maart 2019 door de advocaat van [geintimeerden c.s.] toegezonden producties, die deze bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
Appellante sub 2 en geïntimeerde sub 1 zijn zussen van elkaar; appellant sub 1 en geïntimeerde sub 2 zijn broers.
6.1.2.
[geintimeerden c.s.] en [appellanten c.s.] zijn eigenaars van naast elkaar liggende percelen, respectievelijk kadastraal bekend gemeente Erp, sectie [sectieletter] nummers [sectienummer 1] en [sectienummer 2] . Een kadastrale kaart waarop beide percelen zijn aangegeven is als productie 3 bij de inleidende dagvaarding gevoegd, waarbij perceel [sectieletter + sectienummer 1] (eigendom van [geintimeerden c.s.] ) geel is aangegeven en perceel [sectieletter + sectienummer 2] (eigendom van [appellanten c.s.] ) blauw.
6.1.3.
Op perceel [sectieletter + sectienummer 1] is het kalverbedrijf van [geintimeerden c.s.] gevestigd. Begin jaren tachtig hebben zij een nieuwe woning op het perceel gebouwd ( [adres 1] [woonplaats] ); de kalverstallen op het perceel zijn toen tijdelijk bij [appellanten c.s.] in gebruik geweest. In oktober 1986 hebben [geintimeerden c.s.] het kalverbedrijf op perceel [sectieletter + sectienummer 1] weer zelf in gebruik genomen.
6.1.4.
[appellanten c.s.] exploiteren eveneens een kalverbedrijf, op het adres [adres 2] [vestigingsplaats] . Het perceel [sectieletter + sectienummer 2] is door hen verkregen in 1983, door ruilverkaveling, en wordt door hen gebruikt voor de teelt van mais.
6.1.5.
[geintimeerden c.s.] hebben ten behoeve van hun kalverbedrijf vanaf 1986 op het perceel [sectieletter + sectienummer 1] vier stallen gebouwd. Die stallen zijn deels tegen en deels over de grens tussen de percelen [sectieletter + sectienummer 1] en [sectieletter + sectienummer 2] gebouwd. De grensoverschrijding blijkt uit de kadastrale meting die op 2 mei 2011 heeft plaatsgevonden op aanvraag van [appellanten c.s.] Het resultaat van de meting is overgelegd als productie 4 bij de inleidende dagvaarding. Op die kadastrale kaart is de kadastrale grens in geel aangegeven en de feitelijke grens blauw. In het relaas van bevindingen naar aanleiding van de kadastrale meting is vermeld dat (gemeten op de zuid-west hoek van de stallen) bij stal A sprake is van een grensoverschrijding van 5 cm, bij stal B van 24 cm, bij stal C van 45 cm en bij stal D van 64 cm.
6.1.6.
Bij brief van 14 juni 2011 hebben [appellanten c.s.] bezwaar gemaakt tegen de grensoverschrijdende bouw en [geintimeerden c.s.] gesommeerd de onbebouwde grond tussen en naast de stallen te ontruimen.
6.2.
Omdat in der minne geen oplossing mogelijk was hebben [geintimeerden c.s.] [appellanten c.s.] in rechte betrokken. Zij vorderden in eerste aanleg:
primair

- te verklaren voor recht dat [geintimeerden c.s.] door verjaring eigenaar zijn geworden van een gedeelte van het perceel van [appellanten c.s.] , kadastraal bekend gemeente Erp, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] , één en ander zoals weergegeven tussen de gele lijn (huidige kadastrale grens) en de blauwe lijn (feitelijke perceelgrens) op de tekening die is overgelegd als productie 4 bij de dagvaarding;- [appellanten c.s.] te veroordelen tot het meewerken aan de inschrijving van het in deze te wijzen vonnis en de daarin op te nemen wijziging van de eigendomstoestand bij het Kadaster, onder bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van [appellanten c.s.] indien en voor zover zij weigeren hun medewerking te verlenen;
subsidiair

- te verklaren voor recht dat [geintimeerden c.s.] een erfdienstbaarheid tot het dulden van de bestaande toestand ex artikel 5:54 lid 1 BW hebben verkregen op het perceel kadastraal bekend gemeente Erp, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] , één en ander zoals weergegeven tussen de gele lijn (huidige kadastrale grens) en de blauwe lijn (feitelijke perceelgrens) op de tekening die is overgelegd als productie 4 bij de dagvaarding tegen vergoeding van een nader door de rechtbank aan te wijzen deskundige bepaalde schadeloosstelling;- [appellanten c.s.] te veroordelen tot het meewerken aan de inschrijving van het in deze te wijzen vonnis en de daarin op te nemen erfdienstbaarheid tot het dulden van de bestaande toestand ex artikel 5:54 lid 1 BW bij het Kadaster op het perceel kadastraal bekend gemeente Erp, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] , één en ander zoals weergegeven tussen de gele lijn (huidige kadastrale grens) en de blauwe lijn (feitelijke perceelgrens) op de tekening die is overgelegd als productie 4 bij de dagvaarding, één en ander onder bepaling dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de medewerking van [appellanten c.s.] indien en voor zover zij weigeren hun medewerking te verlenen;
meer subsidiair

- te verklaren voor recht dat [appellanten c.s.] misbruik maken van hun bevoegdheid door van [geintimeerden c.s.] te vorderen dat zij een gedeelte van het perceel van Van Bergh c.s., kadastraal bekend gemeente Erp, sectie [sectieletter] , nummer [sectienummer 2] , één en ander zoals weergegeven tussen de gele lijn (huidige kadastrale grens) en de blauwe lijn (feitelijke perceelgrens) op de tekening die is overgelegd als productie 4 bij de dagvaarding, dienen te ontruimen en te verlaten;- met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van deze procedure.
6.3.
[appellanten c.s.] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [geintimeerden c.s.] . Zij vorderden in eerste aanleg in reconventie:
Primair:

Subsidiair:

[geintimeerden c.s.] te veroordelen om aan [appellanten c.s.] te betalen alle schade die [appellanten c.s.] hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het onrechtmatig handelen, althans vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;
Primair en subsidiair:

- [geintimeerden c.s.] te veroordelen om binnen twee maanden na het in deze te wijzen vonnis de overbouw van stal A, B, C, en D zoals weergegeven op productie 4 van de inleidende dagvaarding weg te nemen en verwijderd te houden, alsmede de tussenliggende stroken grond van [appellanten c.s.] te ontruimen en niet meer te betreden, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00;- [geintimeerden c.s.] te veroordelen om aan [appellanten c.s.] te vergoeden alle schade die [appellanten c.s.] hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het onrechtmatig handelen, althans vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;- [geintimeerden c.s.] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis en - voor het geval voldoening niet binnen 14 dagen na dagtekening vonnis plaatsvindt- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, berekend vanaf 14 dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;- [geintimeerden c.s.] te veroordelen in de nakosten van de procedure ad € 131,00 dan wel, indien betekening van het vonnis plaatsvindt, ad € 199,00 en de eventuele verdere executiekosten.
6.4.
[geintimeerden c.s.] hebben verweer gevoerd tegen de reconventionele vorderingen van [appellanten c.s.]
6.5.
De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de primaire vorderingen van [geintimeerden c.s.] in conventie toegewezen, de reconventionele vorderingen van [appellanten c.s.] afgewezen en [appellanten c.s.] in de proceskosten veroordeeld. De rechtbank overwoog daartoe, kort samengevat:- voor de stallen B en C geldt dat zij op het moment dat [appellanten c.s.] bezwaar maakten tegen de grensoverschrijdende bebouwing, reeds meer dan 20 jaar over de kadastrale grens waren gebouwd, zodat de termijn van de bevrijdende verjaring waarop [geintimeerden c.s.] zich hebben beroepen, op dat moment reeds was voltooid;- voor de stallen A en D geldt dat sprake is van verkrijgende verjaring van de strook grond tussen de blauwe en de gele grens zoals weergegeven op de voormelde kadastrale kaart van 2 mei 2011, omdat sprake is geweest van bezit door [geintimeerden c.s.] gedurende een periode van 10 jaar sinds de bouw van de stallen, voordat de verjaring is “gestuit”. Het verweer van [appellanten c.s.] dat aan de zijde van [geintimeerden c.s.] sprake is van het ontbreken van goede trouw bij de inbezitneming van de strook grond is door de rechtbank verworpen.
6.6.
[appellanten c.s.] kunnen zich niet verenigen met het vonnis van de rechtbank en zijn in hoger beroep gekomen. Zij hebben 14 grieven tegen het vonnis aangevoerd en zij hebben geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geintimeerden c.s.] en tot het alsnog toewijzen van hun vorderingen zoals geformuleerd in eerste aanleg in reconventie, met veroordeling van [geintimeerden c.s.] in de proceskosten.
6.7.
[geintimeerden c.s.] hebben de grieven van [appellanten c.s.] bestreden en zij hebben geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen van [appellanten c.s.] dan wel tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep.
6.8.
De eerste 3 grieven van [appellanten c.s.] hebben betrekking op de feitenvaststelling door de rechtbank. Bij deze grieven hebben [appellanten c.s.] geen belang. Het hof heeft immers hiervoor de feiten zoals deze thans tussen partijen vaststaan opnieuw geformuleerd. Voor zover feiten naar voren zijn gebracht die in geschil zijn en die van belang zijn voor de beoordeling van het hoger beroep, zal het hof die feiten in het navolgende bespreken.
6.9.1.
Twee grieven van [appellanten c.s.] zijn aangeduid met grief IV. Beide grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de stallen B en C geldt dat deze stallen, op het moment dat [appellanten c.s.] bezwaar maakten tegen de grensoverschrijdende bebouwing, reeds meer dan 20 jaar over de kadastrale grens waren gebouwd, hetgeen betekent dat de termijn van de bevrijdende verjaring waarop [geintimeerden c.s.] zich hebben beroepen, op dat moment reeds was voltooid. [appellanten c.s.] betwisten dat ten aanzien van de stallen B en C op 27 mei 2015 (de datum waarop de verjaringstermijn is gestuit door hun vordering in reconventie) de termijn van 20 jaar voor bevrijdende verjaring was voltooid. Zij wijzen erop dat op verzoek van [geintimeerden c.s.] op 14 oktober 1997 ter plaatse een kadastrale meting heeft plaatsgevonden. Op de kaart die naar aanleiding van die kadastrale meting is gemaakt (door hen overgelegd als productie 4 bij CvA/CvE) is stal C nog niet aangegeven, zodat aangenomen moet worden dat deze toen nog niet was gebouwd.
6.9.2.
Volgens [geintimeerden c.s.] is stal C in gedeelten gebouwd: het eerste deel (geheel op perceel [sectieletter + sectienummer 1] ) is gebouwd in 1987; in 1991 is de stal uitgebreid met een mestkelder, waarbij de grensoverschrijding zoals aangegeven op de kadastrale kaart van 2 mei 2011, heeft plaatsgevonden. In 1999 ten slotte is de bovenbouw van stal C uitgebreid met het gedeelte op de toen reeds bestaande mestkelder. [geintimeerden c.s.] hebben er op gewezen dat de mestkelder vanaf 1991 zichtbaar was in het veld.
6.9.3.
Het hof stelt bij de beoordeling van dit geschilpunt het volgende voorop.Artikel 3:306 BW bepaalt:
Indien de wet niet anders bepaalt, verjaart een rechtsvordering door verloop van twintig jaren.

Het eerste lid van artikel 3:105 BW bepaalt:
Hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, verkrijgt dat goed, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.

De vraag of sprake is van “bezit” als bedoeld in artikel 3:105 BW moet worden beantwoord naar verkeersopvatting, met inachtneming van de regels die in de artikelen 3:107 en verder BW worden gegeven en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat bij de aan de orde zijnde vraag de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moet worden genomen.Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat als vereisten voor het bezit geldt dat het “niet dubbelzinnig” en “openbaar” is. “Niet-dubbelzinnig bezit” is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn, hetgeen naar objectieve maatstaven beoordeeld moet worden (HR 24 februari, 2017 ECLI:NL:HR:2017:309).
6.9.4.
[geintimeerden c.s.] stellen zich op het standpunt dat zij bij de situering van de stallen B en C er – net als [appellanten c.s.] - van uit zijn gegaan dat de feitelijke grens tussen de percelen [sectieletter + sectienummer 1] en [sectieletter + sectienummer 2] overeen kwam met de eigendomsgrens, hetgeen betekent dat zij in de veronderstelling verkeerden dat de stallen op hun eigendom werden gebouwd.Naar het oordeel van het hof kan de stelling van [appellanten c.s.] dat [geintimeerden c.s.] slechts als houders van de strook grond kunnen worden aangemerkt en niet als bezitters, niet worden aanvaard. Door de bouw van de stallen hebben [geintimeerden c.s.] zich – ook jegens [appellanten c.s.] - gedragen als eigenaren van de desbetreffende strook grond. Van belang in dit verband is dat [appellanten c.s.] in de procedure hebben gesteld dat zij pas in 2006 kennis hebben genomen van het feit dat niet [geintimeerden c.s.] maar zij eigenaren van de strook grond waren.
6.9.5.
Dat stal B in 1986 is gebouwd, is door [appellanten c.s.] niet weersproken.Wat betreft stal C hebben [geintimeerden c.s.] naar het oordeel van het hof, met de overlegging van hun producties 16 en 17 bij CvR in reconventie en productie F bij MvA toereikend aangetoond dat in 1991 een uitbreiding van de stal heeft plaatsgevonden door de bouw van de mestkelder, die (mede) is gesitueerd in de strook grond die tussen partijen in geschil is. De betwisting door [appellanten c.s.] van deze bouw acht het hof, mede in het licht van de voormelde producties, onvoldoende gemotiveerd. Zij hebben die stelling slechts gebaseerd op het argument dat op de kadastrale tekening die op 14 oktober 1997 is gemaakt, stal C niet voorkomt. Dat argument is echter onjuist: stal C is, wat betreft de oorspronkelijke bovenbouw, op de tekening gesitueerd; de mestkelder, waarvan aangenomen moet worden dat deze in 1991 is aangelegd, is niet op de kadastrale tekening van 14 oktober 1997 ingetekend, maar naar het oordeel van het hof kan daaraan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, temeer nu de stelling van [geintimeerden c.s.] dat de situering van de mestkelder zichtbaar was in het veld, niet door [appellanten c.s.] is weersproken. Gelet op het feit dat de verhoudingen tussen partijen toen nog goed waren en sprake was van nauwe samenwerking, moet de situering van de mestkelder in 1991 aan [appellanten c.s.] bekend zijn geweest.
6.9.6.
Nu [geintimeerden c.s.] , zowel bij de bouw van stal B in 1986 als bij de uitbreiding van stal C in 1991 zich - ook jegens [appellanten c.s.] - ondubbelzinnig als eigenaren van de desbetreffende strook grond hebben gedragen en – zoals vermeld – pas op 27 mei 2015 sprake is geweest van stuiting van de verjaring, moet de conclusie zijn dat [geintimeerden c.s.] zich wat betreft de (ondergrond van) de stallen B en C terecht hebben beroepen op de artikel 3:306 en 3:105 BW. Of [geintimeerden c.s.] bij de bezitsverkrijging al dan niet te goeder trouw waren is in dit verband niet relevant. Om die reden moet de stelling van [appellanten c.s.] dat het beroep van [geintimeerden c.s.] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, worden verworpen. [appellanten c.s.] hebben aan die stelling immers slechts ten grondslag gelegd dat [geintimeerden c.s.] bij de bezitsverkrijging niet te goeder trouw waren.
6.9.7.
De conclusie is dat beide grieven IV falen.
6.10.1.
De grieven V tot en met XII hebben betrekking op het oordeel van de rechtbank dat met betrekking tot de stallen A en D en de stroken grond tussen en naast de stallen sprake is van verkrijgende verjaring omdat sprake is geweest van bezit door [geintimeerden c.s.] gedurende een periode van 10 jaar sinds de bouw van de stallen, voordat de verjaring is “gestuit” en omdat het verweer van [appellanten c.s.] dat aan de zijde van [geintimeerden c.s.] sprake is van het ontbreken van goede trouw bij de inbezitneming van de strook grond, niet opgaat.
6.10.2.
De rechtbank heeft de voormelde beslissing gebaseerd op het eerste lid van artikel 3:99 BW dat luidt:
Rechten op roerende zaken die niet-registergoederen zijn, en rechten aan toonder of order worden door een bezitter te goeder trouw verkregen door een onafgebroken bezit van drie jaren, andere goederen door een onafgebroken bezit van tien jaren.

Wat betreft het begrip “goede trouw” is in artikel 3:118 BW bepaald:
1. Een bezitter is te goeder trouw, wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook

redelijkerwijs als zodanig mocht beschouwen.

2. Is een bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven.

3. Goede trouw wordt vermoed aanwezig te zijn; het ontbreken van goede trouw moet

worden bewezen.

6.10.3.
De rechtbank heeft zowel het verweer van [appellanten c.s.] dat [geintimeerden c.s.] niet als bezitter van de desbetreffende strook grond kunnen worden aangemerkt, als het verweer dat -voor zover wél sprake zou zijn van bezit - [geintimeerden c.s.] bij de bezitsverkrijging niet te goeder trouw waren, verworpen.
6.10.4.
Naar het oordeel van het hof zijn de grieven van [appellanten c.s.] in zoverre gegrond dat - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - [geintimeerden c.s.] na de ontvangst van de kadastrale kaart d.d. 14 oktober 1997, redelijkerwijs moeten hebben begrepen dat ten aanzien van stal B en ten aanzien van de mestkelder van stal C sprake was van grensoverschrijding en dat zulks ook het geval was met de nadien gebouwde stallen, die immers aan de achterzijde in één lijn zijn gebouwd met de eerder gebouwde stallen.De stelling van [geintimeerden c.s.] - indien al juist – dat het bij de kadastrale meting in 1997 ging om de grens tussen de percelen S209 en [sectieletter + sectienummer 1] en dat de grens tussen de percelen [sectieletter + sectienummer 1] en [sectieletter + sectienummer 2] bij die gelegenheid niet kadastraal is uitgemeten, maakt voormeld oordeel niet anders. Na kennisname van de hier bedoelde kadastrale tekening mochten [geintimeerden c.s.] zich redelijkerwijs niet meer zonder meer beschouwen als eigenaar van de desbetreffende strook grond.
6.10.5.
Het voorgaande betekent echter nog niet zonder meer dat de beslissing van de rechtbank, zoals vermeld in het dictum van het vonnis waarvan beroep, onjuist is, dit gelet op het volgende.De rechtbank is bij de beoordeling van de vraag of al dan niet sprake is van verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW ten aanzien van de desbetreffende strook grond, wat betreft het begin van de verjaringstermijn uitgegaan van de data waarop de stallen zijn gebouwd. Het hof leidt dit af uit hetgeen in het vonnis waarvan beroep op pagina 9 is vermeld onder de kop “verkrijgende verjaring”. [geintimeerden c.s.] hebben echter (onder meer) in hun inleidende dagvaarding (onder randnummers 12 tot en met 22 en randnummer 43) gesteld dat zij de desbetreffende strook grond reeds bezitten vanaf 1986, dit is het jaar dat zij hun kalverbedrijf op het perceel [sectieletter + sectienummer 1] zijn gaan exploiteren en ten behoeve van dat bedrijf stallen zijn gaan bouwen. Indien deze stelling juist is (en het bezit van [geintimeerden c.s.] te goeder trouw was) zou dit betekenen dat [geintimeerden c.s.] in het jaar 1997 reeds door verkrijgende verjaring eigenaar van de strook grond waren geworden. Het hof zal, in het kader van de devolutieve werking van het hoger beroep, deze stelling van [geintimeerden c.s.] beoordelen.
6.10.6.
De vraag of al dan niet sprake is geweest van bezit aan de zijde van [geintimeerden c.s.] van de desbetreffende strook grond sinds 1986, dient beoordeeld te worden aan de hand van de uitgangspunten die hiervoor onder 6.9.3 zijn vermeld.Vooralsnog is het hof van oordeel dat toereikend bewijs aanwezig is voor de stelling van [geintimeerden c.s.] dat zij vanaf 1986 bezitters zijn geweest van de desbetreffende strook grond. In dit verband is van belang dat [geintimeerden c.s.] vanaf 1986 – met medeweten van [appellanten c.s.] - de desbetreffende strook grond zijn gaan bebouwen, in eerste instantie met een overbouw van stal B in 1986 en vervolgens met de overbouw van de mestkelder van stal C in 1991. Van belang is verder dat in de brief van de advocaat van [appellanten c.s.] d.d. 14 juni 2011 (productie 5 bij inleidende dagvaarding) melding wordt gemaakt van het feit dat ook de onbebouwde gedeelten van de strook grond tussen en naast de stallen bij [geintimeerden c.s.] in gebruik zijn.Het hof zal [appellanten c.s.] - overeenkomstig hun aanbod – in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen de (vooralsnog bewezen geachte) stelling van [geintimeerden c.s.] dat zij vanaf 1986 gedurende een onafgebroken periode van tien jaren bezitter zijn geweest van de desbetreffende strook grond.
6.10.7.
Ter beantwoording staat verder de vraag of het bezit van [geintimeerden c.s.] van de desbetreffende strook grond sinds 1986 (indien dat bezit komt vast te staan) te goeder trouw was.Zoals vermeld wordt, ingevolge het bepaalde in artikel 3:118 lid 3 BW goede trouw vermoed aanwezig te zijn en moet het ontbreken van goede trouw worden bewezen. De bewijslast ter zake ligt bij [appellanten c.s.]
6.10.8.
[appellanten c.s.] hebben een beroep gedaan op het bepaald in artikel 3:23 BW, luidende:
Het beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw wordt niet aanvaard, wanneer dit beroep insluit een beroep op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de registers zouden zijn gekend.

Naar het oordeel van het hof gaat het beroep op artikel 3:23 BW in dit geval niet op. Van belang in dit verband is dat het in deze zaak gaat om een (geringe) overschrijding van de kadastrale grens tussen twee percelen, welke overschrijding niet zonder meer valt te constateren bij raadpleging van de openbare registers; voor een dergelijke constatering is een kadastrale meting nodig. Dat bij de bouw van stal B in 1986 is afgezien van een dergelijke kadastrale meting en dat partijen zijn uitgegaan van de feitelijke perceelgrens zoals die toen kennelijk bestond, is naar het oordeel van het hof begrijpelijk, gelet op de goede verstandhouding die toen nog tussen partijen bestond.
6.10.9.
[appellanten c.s.] hebben zich, ten bewijze van hun stelling dat de goede trouw bij [geintimeerden c.s.] heeft ontbroken, ook beroepen op de vergunningaanvragen van [geintimeerden c.s.] bij de gemeente (overgelegd bij hun CvA/CvE) waarin is vermeld dat [geintimeerden c.s.] eigenaar zouden zijn van zowel perceel [sectieletter + sectienummer 1] als van perceel [sectieletter + sectienummer 2] .Het hof stelt vast dat de eerste vergunningaanvraag van [geintimeerden c.s.] waarin sprake is van (ook) de eigendom van perceel [sectieletter + sectienummer 2] , de aanvraag van 23 september 1997 is (productie 5 bij CvA/CvE), maar in die aanvraag is perceel [sectieletter + sectienummer 2] doorgestreept. De vergunningaanvragen die nadien zijn gedaan zijn voor de beoordeling van de goede trouw van [geintimeerden c.s.] in de tien jaren na 1986, niet, of in ieder geval niet voldoende van belang om daaruit het ontbreken van goede trouw in de desbetreffende periode te kunnen afleiden.
6.10.10.
De stelling van [appellanten c.s.] dat de goede trouw aan de zijde van [geintimeerden c.s.] heeft ontbroken omdat [geintimeerden c.s.] , in strijd met de planvoorschriften, niet een afstand van 5 meter van de perceelgrens in acht hebben genomen en daarmee het risico hebben genomen van grensoverschrijding kan evenmin worden aanvaard. De door [appellanten c.s.] genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof ontoereikend om te kunnen concluderen dat [geintimeerden c.s.] niet te goeder trouw waren ten aanzien van het bezit van de strook grond.
6.10.11.
De conclusie moet zijn dat vooralsnog toereikend bewijs ontbreekt voor de stelling van [appellanten c.s.] dat bij [geintimeerden c.s.] de goede trouw heeft ontbroken ten aanzien van het bezit van de desbetreffende strook grond. Zij hebben echter bewijs van hun stellingen aangeboden en het hof zal hen in de gelegenheid stellen tot bewijslevering van de hier bedoelde stelling.
7

Het hof:

stelt [appellanten c.s.] in de gelegenheid tegenbewijs te leveren tegen de vooralsnog bewezen geachte stelling van [geintimeerden c.s.] dat [geintimeerden c.s.] vanaf 1986 gedurende een onafgebroken periode van tien jaren bezitter zijn geweest van de strook grond zoals aangegeven op de kadastrale kaart d.d. 2 mei 2011 (productie 4 bij de inleidende dagvaarding) tussen de kadastrale grens van de percelen [sectieletter + sectienummer 1] en [sectieletter + sectienummer 2] die in geel is aangegeven en de feitelijke grens van die percelen die in blauw is aangeven;

laat [appellanten c.s.] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat bij het bezit van [geintimeerden c.s.] van de voormelde strook grond sinds 1986 (indien dat bezit komt vast te staan) de goede trouw heeft ontbroken;

bepaalt, voor het geval [appellanten c.s.] bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. E.H. Schulten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 24 september 2019 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellanten c.s.] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, E.H. Schulten en G. Megchelsen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 september 2019.

griffier rolraadsheer