Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3310

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3310, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 20-003190-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:3310:DOC
nl

Parketnummer : 20-003190-17 Uitspraak : 9 september 2019TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 11 oktober 2017 in de strafzaak met parketnummer02-821085-16 tegen:

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,wonende te [adres] ,thans verblijvende in [adres] .
Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen onder aanvulling van het bewijs.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit nu verdachte geen opzet op de dood van zijn vrouw heeft gehad, daar hij ten tijde van het ten laste gelegde door een dissociatieve stoornis geen cognitieve controle had. Subsidiair heeft de verdediging ontslag van alle rechtsvervolging bepleit op grond van psychische overmacht, dan wel ontoerekeningsvatbaarheid. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, onder aanvulling van de bewijsoverwegingen en met uitzondering van de strafoverwegingen en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij.

Aanvullende bewijsoverwegingen

Vast staat dat [slachtoffer] door verwurging om het leven is gekomen. Gelet op hetgeen de rechtbank met juistheid heeft overwogen, kan de conclusie geen andere zijn dan dat verdachte degene is die [slachtoffer] om het leven heeft gebracht. Naar het oordeel van het hof laat de wijze waarop verdachte [slachtoffer] om het leven heeft gebracht, gelet op de uiterlijke verschijningsvormen van deze gedragingen, in beginsel geen andere conclusie toe dan dat er sprake is geweest van het willens en wetens om het leven brengen van [slachtoffer] .

De verdediging heeft evenwel bepleit dat verdachte geen opzet had op de dood van zijn vrouw, daar hij ten tijde van het ten laste gelegde door een dissociatieve stoornis geen cognitieve controle had. Verdachte kon derhalve niet willens en wetens handelen, aldus de verdediging.

Het hof stelt voorop dat in een geval waarin met een beroep op een ernstige geestelijke stoornis bij de verdachte het opzet wordt bestreden, deze stoornis slechts dan aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat indien bij de verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn (Hoge Raad 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2775). Voorts betekent het achteraf ontbreken van een herinnering aan het ten laste gelegde in beginsel niet dat het de verdachte op het moment van het plegen van het ten laste gelegde aan ieder inzicht in de draagwijdte van die gedragingen en de gevolgen daarvan heeft ontbroken (zie Hof ’s-Hertogenbosch 23 mei 2014, ECLI:NL:GSHE:2014:1461).

Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het opzet en voegt daaraan het navolgende toe.

Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 augustus 2019 zijn zowel dhr. Ameling als dr. Van Oorsouw als deskundigen gehoord. Daar waar het specifiek gaat over verklaringen over geheugenverlies, hecht het hof de meeste waarde aan de verklaringen van Van Oorsouw, daar zij bij uitstek specialist is op dit gebied. Van Oorsouw heeft ter terechtzitting verklaard dat zowel door haar als door de deskundigen Van Casteren en Ameling tests zijn afgenomen in verband met de beoordeling van het door verdachte naar voren gebrachte geheugenverlies ten tijde van het overlijden van het slachtoffer. Zij heeft ter terechtzitting naar voren gebracht dat de eerste, door haar (en Van Casteren) uitgevoerde, tests het meest betrouwbare beeld vormen en dat herhaling van dezelfde test zoveel mogelijk voorkomen moet worden, omdat herhaling de betrouwbaarheid van die test niet ten goede komt. Drs. Van Casteren en dr. Van Oorsouw hebben hun onderzoeken korte tijd na het ten laste gelegde verricht, in tegenstelling tot dhr. Ameling, die zijn onderzoek pas anderhalf jaar daarna deed. Dhr. Ameling heeft tijdens zijn onderzoek een test afgenomen die de verdachte al meerdere keren eerder heeft gedaan. Om die redenen hecht het hof meer waarde aan de rapporten van Van Casteren en Van Oorsouw dan aan die van dhr. Ameling. Dat dhr. Ameling de vragen van voornoemde test in een andere volgorde heeft gezet, maakt dat niet anders.

Uit de onderzoeken van Van Casteren en Van Oorsouw komt naar voren dat een een uiterst zeldzaam fenomeen is, met bepaalde symptomen. Op basis van de zich in het dossier bevindende rapporten en in het bijzonder gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, op welke terechtzitting twee deskundigen hieromtrent zijn gehoord, is het hof niet aannemelijk geworden dat er bij verdachte sprake is geweest van een , nu bij verdachte de voor een red out kenmerkende symptomen, zoals herinneringseilandjes, een krimpingspatroon en bronverwarringsfouten, niet zijn geconstateerd. Daarnaast is de periode van het door verdachte gestelde geheugenverlies (enkele uren) veel langer dan passend is bij een (namelijk enkele seconden tot enkele minuten). Van een stoornis bij de verdachte ten tijde van zijn handelen, waardoor ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken, is het hof niet gebleken, zodat dit niet aan de bewezenverklaring van het opzet in de weg staat.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen.

Strafbaarheid van de verdachte

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er bij verdachte sprake wasvan een drang die zo sterk was, dat zijn wilsvrijheid daardoor was aangetast. Van hem konredelijkerwijs niet worden gevergd dat hij daaraan weerstand bood. Gelet daarop heeft deraadsman een beroep gedaan op psychische overmacht en verzocht de verdachte om die reden te ontslaan van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zicht op het standpunt gesteld dat er bij verdachte geen sprake is geweest van psychische overmacht, nu nergens uit blijkt dat hij gedreven werd door een van buitenaf komende kracht waaraan hij geen weerstand kon of redelijkerwijs moest bieden.
Het oordeel van het hof

Het hof stelt in dit verband voorop dat indien een beroep op psychische overmacht wordt gedaan, de rechter op grond van dat verweer zal moeten onderzoeken of de voorwaarden voor aanvaarding van psychische overmacht zijn vervuld. Die houden in dat sprake moet zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Deze drang moet acuut zijn en voor de dader dusdanig onweerstaanbaar, dat hij geen enkele keuzevrijheid had op het moment dat hij tot het bewezenverklaarde is overgegaan. Zijn onweerstaanbaarheid moet worden afgeleid uit een combinatie van objectieve, situatieve factoren en meer subjectieve, individuele factoren. In deze afweging kan de persoonlijkheid van de verdachte worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of die verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden aan de ter verweer aangevoerde drang. Daarnaast kan onder omstandigheden het feit dat de verdachte zich heeft gebracht in de situatie waarin die drang op hem is uitgeoefend in de weg staan aan het slagen van het beroep op psychische overmacht.
Het hof acht op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting aannemelijk geworden dat verdachte op de bewuste avond van het ten laste gelegde, de WhatsApp-conversatie heeft gelezen op de telefoon van [slachtoffer] , waarin [slachtoffer] onder meer spreekt over het vergiftigen van verdachte, dat ze hoopt dat verdachte een hartstilstand krijgt, over ‘the golden hour’: het tijdstip met de meeste kans op overlijden, dat ze een nieuwe papa voor [naam] heeft gevonden en dat ze [verdachte] in de kliko wilde gooien. Hoewel het hof begrijpt dat deze berichten hebben geleid tot heftige emoties, oordeelt het hof, in weerwil van het standpunt van de verdediging, dat deze gedragingen van [slachtoffer] niet kunnen worden bezien als druk van buitenaf, zoals bedoeld bij psychische overmacht.

Onder handelen onder die van buiten komende druk wordt immers verstaan dat de verdachte iets doet wat hij zonder deze druk of dwang uit eigen beweging niet zou hebben gedaan. Het initiatief tot het plegen van de doodslag is in casu echter geheel van de zijde van verdachte gekomen.

Het gaat bij de strafuitsluitingsgrond psychische overmacht bijvoorbeeld om een persoon die onder dreiging met geweld een hennepplantage in zijn woning heeft, een taxichauffeur die met een pistool op zijn hoofd verkeersovertredingen begaat, een persoon die een ander dwingt een moord te plegen onder de dreiging dat die persoon anders zelf het leven zal verliezen etc. Het gaat om van buiten komende druk die een persoon ertoe aanzet een bepaald delict te begaan.

In casu is er geen van buiten komende oorzaak die de verdachte ertoe heeft aangezet om het strafbare feit, het doden van [slachtoffer] , te plegen. Het gedrag van [slachtoffer] en de inhoud van de berichten kunnen, gezien de inhoud van het procesdossier, het motief, dan wel de aanleiding zijn geweest om het strafbare feit te plegen. Verdachte heeft zich daar zelf niet over uitgelaten, daar hij zich beroepen heeft op geheugenverlies. Het is vervolgens de verdachte zelf geweest die tot het plegen van het strafbare feit heeft besloten en is overgegaan tot het doden van [slachtoffer] , zonder daartoe door een van buitenkomende oorzaak te zijn gedrongen.

Zoals hierboven uiteengezet kan naar het oordeel van het hof het gedrag van [slachtoffer] niet als een van buiten komende oorzaak worden aangemerkt die psychische overmacht kan opleveren. Gezien de inhoud van het procesdossier neemt het hof aan dat er bij de verdachte sprake is geweest van psychische druk. Van verdachte kon echter redelijkerwijs worden verwacht dat hij deze psychische druk kon weerstaan door andere – niet misdadige – oplossingen te overwegen en daarvoor te kiezen. Zo heeft de verdachte verklaard dat hij al een tijdje merkte dat het niet zo lekker ging in de relatie en had hij met haar kunnen praten, de relatie kunnen beëindigen, of had hij (tijdelijk) een ander onderkomen kunnen zoeken, waardoor verdere confrontatie met [slachtoffer] te vermijden was geweest.

Nu omtrent de persoonlijkheid van verdachte geen op gedragskundig onderzoek gebaseerde feiten zijn gesteld of gebleken die tot een ander inzicht zouden moeten leiden, verwerpt het hof het beroep op psychische overmacht.

Voorts heeft de verdediging – naar het hof begrijpt – bepleit dat verdachtes dissociatieve toestand ten tijde van het ten laste gelegde tot een ontslag van rechtsvervolging zou moeten leiden wegens ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof volgt deze redenering niet. Zoals reeds hierboven is overwogen met betrekking tot het opzet, volgt het hof de deskundigenrapporten van Van Oorsouw en Van Casteren. Op basis van deze rapporten komt het hof tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van een zogenoemde en daarmee eventueel samenhangende dissociatieve symptomen. Daarbij merkt het hof nog op dat geen van de deskundigen tot een (volledige) ontoerekeningsvatbaarheid concludeert op grond waarvan een ontslag van rechtsvervolging zou dienen te volgen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige feiten die ons Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft zijn vrouw [slachtoffer] in hun woning om het leven gebracht door verwurging. Dit terwijl op dat moment vier kinderen in de woning aanwezig waren, waarvan drie minderjarig.

Het hof rekent dit verdachte zwaar aan. Het is voorstelbaar dat verdachte zich gekrenkt heeft gevoeld door de nieuwe relatie die [slachtoffer] was aangegaan tijdens hun huwelijk en de al dan niet reële plannen die zij kennelijk met haar nieuwe vriend had besproken, maar dat rechtvaardigt geenszins de daden van verdachte. Het door verdachte gepleegde strafbare feit heeft met name onder de dierbaren van [slachtoffer] grote beroering en een intens groot en onherstelbaar verdriet veroorzaakt. Door het handelen van verdachte heeft hij [slachtoffer] , een vrouw die middenin het leven stond, het belangrijkste dat zij had, te weten haar leven, ontnomen. Voorts heeft hij haar daardoor de mogelijkheid ontnomen haar kinderen (verder) te zien opgroeien en hen bij hun volwassenwording tot hulp en steun te zijn. Ook heeft hij haar kinderen de zorg en liefde van hun moeder ontnomen.

Psycholoog drs. Van Casteren heeft in haar rapport van 8 december 2016 gerapporteerd dat bij verdachte geen sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte is te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar. Uit het persoonlijkheids-onderzoek komt naar voren dat verdachte weinig zicht heeft op zijn eigen innerlijke dynamiek. Er bestaat een gebrek aan introspectief vermogen en loochening van onlustgevoelens. Eigen agressieve gevoelens en tekorten worden niet herkend en beleefd. Verdachte ervaart zichzelf juist als begaan met anderen en vertoont vaak zelfs wat opofferend gedrag. Dingen lijken hem niet te raken, maar dat is slechts een façade. Betrokkene kan lange tijd goed functioneren, maar bij oplopende stress kan hij plotseling de controle over gedrag en gevoelens verliezen en deviant gedrag gaan vertonen. Opgekropte woede en frustraties kunnen een weg zoeken naar buiten. Door de psycholoog is met betrekking tot recidiverisico opgemerkt dat de kans dat verdachte opnieuw een echtgenote of levenspartner doodt, statistisch gezien niet zo groot is. Echter, zo stelt de psycholoog, als verdachte in de toekomst opnieuw een intieme relatie aangaat en opnieuw geconfronteerd wordt met ontrouw van zijn partner of op een andere manier zeer gekrenkt zou raken, dan kunnen de verdrongen onlustgevoelens hem opnieuw overspoelen waarbij hij de controle over zijn gevoelens en handelen kwijt raakt en hij opnieuw zou kunnen komen tot een agressieve impulsdoorbraak.

In zijn rapport van 19 december 2018 heeft dhr. Ameling geadviseerd verdachte te beschouwen als sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Volgens de heer Ameling is verdachte niet lijdende aan een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling, maar is het waarschijnlijk dat verdachte ten tijde van het ten laste gelegde in een acute dissociatieve toestand verkeerde die zijn gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde in aanzienlijke mate zal hebben beïnvloed.

In haar rapport van 15 mei 2017 heeft dr. Van Oorsouw geconcludeerd dat er aanwijzingen zijn dat verdachte klachten aandikt/voorwendt en dat dit ook geldt voor zijn geheugenverlies. Aangezien verdachte klachten voorwendt op verschillende simulatietaken is het niet mogelijk om de resultaten van de dissociatietests betrouwbaar te interpreteren. In haar aanvullende rapport d.d. 25 juli 2017 heeft zij deze conclusie aan de hand van vragen van de verdediging en het openbaar ministerie nog verder toegelicht.

Zoals hiervoor reeds overwogen, zijn ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 augustus 2019 zowel dhr. Ameling als dr. Van Oorsouw als deskundigen gehoord. Daar waar het specifiek gaat over verklaringen over geheugenverlies, hecht het hof de meeste waarde aan de verklaringen van Van Oorsouw, daar zij bij uitstek specialist is op dit gebied. Van Oorsouw heeft ter terechtzitting verklaard dat de eerste tests het meest betrouwbare beeld vormen en dat herhaling van dezelfde test zoveel mogelijk voorkomen moet worden, omdat herhaling de betrouwbaarheid van die test niet ten goede komt. Drs. Van Casteren en dr. Van Oorsouw hebben hun onderzoeken korte tijd na het ten laste gelegde verricht, in tegenstelling tot dhr. Ameling, die zijn onderzoek pas anderhalf jaar daarna deed. Dhr. Ameling heeft tijdens zijn onderzoek voorts een test afgenomen die de verdachte al meerdere keren eerder heeft gedaan. Om die redenen hecht het hof meer waarde aan de rapporten van Van Casteren en Van Oorsouw dan aan die van dhr. Ameling. Dat dhr. Ameling de vragen van voornoemde test in een andere volgorde heeft gezet, maakt dat niet anders.

Het hof neemt de conclusies van drs. Van Casteren en dr. Van Oorsouw over en houdt bij de strafoplegging rekening met het feit dat verdachte is te beschouwen als volledig toerekeningsvatbaar.

Ook houdt het hof rekening met het feit dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daad. Met zijn reactie op de ter terechtzitting in hoger beroep voorgelezen slachtofferverklaring namens de moeder en zoon van [slachtoffer] , probeerde hij zichzelf in een slachtofferpositie te manoeuvreren door te verklaren hoe zwaar de nasleep van het ten laste gelegde voor hem is, zonder de nabestaanden van [slachtoffer] ook maar op enigerlei wijze te erkennen in de grote impact die het verlies van [slachtoffer] op hen heeft. Ook in zijn laatste woord gaf hij geen blijk van enig inzicht in de ernstige en onherstelbare gevolgen van zijn handelen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof, in verband met een juiste normhandhaving, niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest, zoals ook door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is geëist.

Vordering van de [benadeelde partij]

De [benadeelde partij] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 13.212,25 ter zake van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen en is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake tevens de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Met betrekking tot de gevorderde kosten van rechtsbijstand ziet het hof, evenals de rechtbank, geen ruimte om het primair gevorderde bedrag van € 2.117,50 toe te wijzen. Het gaat om een relatief eenvoudige vordering met posten die weinig onderzoek behoeven. Het hof zal derhalve aansluiting zoeken bij het in Nederlandse civiele procedures voor kosten van rechtsbijstand gebruikelijke liquidatietarief voor kantonzaken geldend vanaf 1 januari 2019. Daarbij wordt de hoogte van het te vergoeden bedrag gebaseerd op het (totale) bedrag dat ter zake van materiële en immateriële schade wordt gevorderd, ongeacht of dat bedrag voor toewijzing vatbaar is. Het salaris wordt berekend aan de hand van een puntenstelsel, waarbij voor het opstellen en indienen van een voegingsformulier én voor het bijwonen van de zitting samen twee punten wordt gehanteerd.

De benadeelde partij vordert schadevergoeding van in totaal € 13.212,25. Voor bedragen tussen € 10.000,- en € 20.000,- wordt per punt een salaris toegekend van € 360,- volgens het liquidatietarief geldend vanaf 2019. Daarbij gaat het hof uit van twee punten in eerste aanleg en twee punten in hoger beroep.

Het hof zal daarom een totaalbedrag van € 1.440,- toekennen ter zake van kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep, en zal het meer gevorderde afwijzen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.





beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ter zake van de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op .

Wijst het meer gevorderde af.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam] , ter zake van het primair bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 22 september 2016.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door:mr. B. Stapert, voorzitter,mr. A.M.G. Smit en mr. J.T.F.M. van Krieken, raadsheren,in tegenwoordigheid van mr. S.C.M. van Keulen, griffier,en op 9 september 2019 ter openbare terechtzitting uitgesproken.