Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3295

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3295, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 000000-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:3295:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling strafrecht




Raadkamerappelnummer: [Raadkamerappelnummer]Parketnummer 1e aanleg: [Arrondissementsparketnummer]
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft gezien de akte van de griffier van de [rechtbank] van [datum] , waarbij door de officier van justitie in de zaak tegen:

[Voornamen en achternaam verdachte]

geboren [Geboortedatum, -plaats & -land]wonende te [Woonplaats]
hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de [rechtbank] van [datum] , bij welke beschikking het verzoek tot schorsing van de aan verdachte opgelegde voorlopige hechtenis werd toegewezen.

Het hof heeft kennis genomen van de akte rechtsmiddel waarbij de officier van justitie tijdig hoger beroep heeft aangetekend tegen de schorsing van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gezien de beschikking waarvan beroep.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.W. Heemskerk.

Het hof heeft kennis genomen van het dossier.

Uit het dossier blijkt dat jegens verdachte ernstige bezwaren bestaan ter zake van mishandeling, meermalen gepleegd, van zijn vriendin en bedreiging, meermalen gepleegd, van diezelfde vriendin.

De rechtbank heeft op [datum] ter zake een bevel gevangenhouding voor de duur van dertig dagen gegeven. Op diezelfde dag heeft de rechtbank het bevel schorsing van de voorlopige hechtenis gegeven en heeft daartoe als volgt overwogen:

‘’’’

De officier van justitie heeft zich in raadkamer verzet tegen schorsing, onder meer aangezien verdachte in een proeftijd liep ter zake van een mishandeling, verdachte de hem verweten mishandelingen ontkent en het NIFP nog zaken aan het uitzoeken is.

De verdachte heeft in raadkamer ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten mishandelingen en voorts te kennen gegeven dat hij het zwaar heeft in de penitentiaire inrichting en hij het contact met zijn vader, die volgens verdachte zwaar alcoholist is, wenst te verbreken en elders, zo nodig begeleid, wil gaan wonen.

In het dossier bevindt zich een rapport van de reclassering waarin onder meer wordt geconcludeerd dat het risico op herhaling en het risico op letselschade worden ingeschat als hoog. Dat geldt volgens de reclassering ook voor het zich onttrekken aan voorwaarden.

De [leeftijd] jarige verdachte is TOP X geprioriteerd binnen het Veiligheidshuis [Regio] waar hij inmiddels al enkele jaren geleden in beeld is gekomen als lid van een overlast gevende (criminele) jeugdgroep. Vanuit het Veiligheidshuis is – naast de strafrechtelijke aanpak – langdurig ingezet op het aanbieden van passende hulpverlening voor (onder andere) verdachte, maar gezien betrokkenes ongemotiveerde en doorlopend afhoudende houding is daar tot nu toe weinig tot niets van terecht gekomen. Het veiligheidshuis ziet afglijdend en zorgmijdend gedrag en adviseert bij nieuwe strafbare feiten (onder andere) het laten uitvoeren van een persoonlijkheidsonderzoek door het NIFP en een toezicht door de reclassering met – indien mogelijk/haalbaar – een (gesloten) plaatsing binnen een vierentwintiguurswoonvoorziening.

De reclassering adviseert negatief over schorsing maar heeft op uitdrukkelijk verzoek van de officier van justitie een aantal voorwaarden genoemd mocht de rechter toch tot schorsing van de voorlopige hechtenis besluiten.

In het dossier bevindt zich voorts een brief van de GZ-psycholoog van het NIFP waarin een Pro-Justitiaonderzoek door een psycholoog wordt geadviseerd teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de vraag of en, zo ja, in welke mate er sprake is van scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling waarbij de mogelijke ADHD en autistische problematiek aanjagers zouden kunnen zijn (geweest).

Het hof heeft voorts kennis genomen van de schriftuur houdende de grieven van de officier van justitie tegen de schorsingsbeslissing van de rechtbank. Daarin schrijft de officier van justitie onder meer

‘’

“Er zijn vele voorwaarden gesteld door de reclassering, onder die voorwaarden kan cliënt geschorst worden. Hij kan ook bij mevrouw [achternaam] verblijven aan de [verblijfplaats] .”

Er is dan ook sprake van een niet onderbouwd verzoek tot schorsing waarbij niets is aangevoerd ten aanzien van de (zwaarwegende) persoonlijke belangen van verdachte. Alleen al hierom had het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen moeten worden.

Bovendien bevond verdachte zich ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd van een hem [in 2017] voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor onder meer mishandeling. Aan deze voorwaardelijke jeugddetentie waren meerdere bijzondere voorwaarden verbonden. Gelet op de onderhavige zaak en de veroordeling van verdachte [in 2018] voor meerdere bedreigingen gepleegd [in 2018] , moet geconcludeerd worden dat voorwaarden verdachte niet lijken te weerhouden van het plegen van strafbare feiten.

Daarnaast is van belang dat uit het reclasseringsadvies van [datum] blijkt dat vanuit het Veiligheidshuis – naast de strafrechtelijke aanpak – langdurig ingezet is op het aanbieden van passende hulpverlening. Daar is echter weinig tot niets van terecht gekomen door verdachtes ongemotiveerde en doorlopend afhoudende houding. Verdachte kwam afspraken veelal niet na en waar hij dat wel deed, was er sprake van een negatieve beïnvloeding van de rest van de groep (kwetsbare) jongeren. Bovendien ziet het Veiligheidshuis afglijdend en zorg-mijdend gedrag.

De risico’s op recidive, letselschade en op het onttrekken aan voorwaarden worden door de reclassering als hoog ingeschat.

Gelet op het vorenstaande is de overweging van de rechtbank dat de doelen die met de voorlopige hechtenis worden nagestreefd door het stellen van voorwaarden aan een schorsing ook kunnen worden bereikt onbegrijpelijk, zeker nu de reclassering in eerder genoemd rapport heeft aangegeven nog geen “compleet en “opgetuigd” plan van aanpak” op te hebben kunnen stellen.

Het gevaar op herhaling kan op dit moment dan ook niet, althans onvoldoende, worden ondervangen door het stellen van voorwaarden. Hierdoor moet het maatschappelijk belang zwaarder wegen dan eventuele persoonlijke belangen van verdachte zodat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis had moeten worden afgewezen.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft in beginsel het recht zijn berechting in vrijheid af te wachten. Dat kan anders zijn wanneer, zoals in de onderhavige zaak, er sprake is van gevaar voor herhaling. Dan zal de rechter, zo nodig ook ambtshalve, dienen na te gaan of niet ook op andere, voor de verdachte minder bezwarende wijze, tegemoet kan worden gekomen aan het belang dat de samenleving heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis. Dat belang van de samenleving is gelegen in het verschoond blijven van een of meer strafbare feiten, gepleegd door verdachte. In zoverre volgt het hof de officier van justitie niet waar zij stelt dat het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis reeds had moeten worden afgewezen omdat het onvoldoende onderbouwd zou zijn, aangezien de rechter op grond van het subsidiariteitsbeginsel, ook gehouden is ambtshalve na te gaan of er sprake is van een alternatief voor opsluiting van de verdachte.

In deze zaak gaat het om de vraag of met het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden aan een schorsing van de voorlopige hechtenis, in voldoende mate tegemoet kan worden gekomen aan het belang van de samenleving. Daarbij gaat het niet om een garantie dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een of meer strafbare feiten, maar om het terugbrengen van het gevaar voor herhaling tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau. Bij de beantwoording van deze vraag kan de aard en de ernst van het strafbaar feit waarvan herhaling wordt gevreesd, een rol spelen. Naarmate dat feit ernstiger is zal er meer worden verwacht van de preventieve werking van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis te stellen voorwaarden. Daarnaast speelt de persoon van de verdachte een rol, waaronder mede begrepen de vraag of er mogelijk sprake is van een criminogene gedragsstoornis. Tot slot kan van belang zijn de vraag of verdachte eerder voor soortgelijke feiten met politie en justitie in aanraking is gekomen en daar ook voor veroordeeld is.

In deze zaak gaat het om eenvoudige mishandeling en bedreiging. Verdachte is eerder voor dergelijke feiten met politie en justitie in aanraking gekomen, en is daar ook voor veroordeeld. Verdachte liep zelfs nog in een proeftijd naar aanleiding van een veroordeling [in 2017] tot een jeugddetentie van twee weken, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, voor onder meer mishandeling. Er is eerder aan verdachte hulp en steun geboden maar door de kennelijk ongeïnteresseerde houding van verdachte heeft dat weinig of niets opgeleverd. Er is bij verdachte mogelijk sprake van een stoornis die relevant zou kunnen zijn voor de feiten die hem thans verweten worden.

Dat alles pleit niet voor schorsing van de voorlopige hechtenis.

Daar staat het volgende tegenover.

Verdachte maakt kennelijk deel uit van een overlastgevende groep. Van deze groep gaat, zoals de officier van justitie in haar appelschriftuur optekent, een negatieve invloed uit op verdachte. Verdachte is blijkens het rapport van de reclassering verstandelijk beperkt. Het hof heeft eerder beslist dat jeugdige personen met een verstandelijke beperking die beïnvloedbaar zijn, zo kort mogelijk in een omgeving moeten verblijven waar sprake is van veel negatieve invloed. De penitentiaire inrichting is naar het oordeel van het hof een dergelijke omgeving. Het is derhalve ook in het belang van de samenleving dat de voorlopige hechtenis van de verdachte wordt geschorst om verdere schade in de toekomst te voorkomen. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de rechtbank heeft kunnen beslissen tot schorsing van de voorlopige hechtenis onder de voorwaarden zoals opgenomen in het bevel schorsing. Daarbij heeft het hof in het bijzonder ook gelet op het feit dat verdachte door middel van de bijzondere voorwaarden onder toezicht is gesteld van de reclassering, en dat verdachte elders dan waar hij woonachtig was en zo nodig in een instelling voor beschermd wonen moet verblijven. Naar het oordeel van het hof zijn de aan verdachte opgelegde algemene en bijzondere voorwaarden toereikend om de kans op herhaling in dit geval terug te brengen tot op een voor de samenleving aanvaardbaar niveau.

Het hof wijst af het beroep en bevestigt de beschikking waarvan beroep.
BESCHIKKENDE IN HOGER BEROEP:

Wijst af het hoger beroep.

Bevestigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gedaan op 5 september 2019door mr. J.T.F.M. van Krieken, voorzitter, mr. M.A.M. Wagemakers en mr. G.P.M.F. Mols, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. R. van Maaren, griffier.
De advocaat-generaal bij dit Gerechtshof brengt vorenstaande beschikking ter kennis van verdachte.

's-Hertogenbosch, 5 september 2019