Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3291

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3291, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.258.976_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

- , hierna te noemen: de vader.
- regio Zuidoost-Nederland,
Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 5 september 2019 Zaaknummer : 200.258.976/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/346732 / JE RK 18-1167
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. S. van de Voorde,
tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Als informant wordt aangemerkt:

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

vestiging: [vestiging] ,hierna te noemen: de raad.
-

mevrouw [belanghebbende 1]

de heer en mevrouw [belanghebbende 2]

de heer en mevrouw [belanghebbende 3]

ECLI:NL:GHSHE:2019:3291:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

- , hierna te noemen: de vader.
- regio Zuidoost-Nederland,
Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 5 september 2019 Zaaknummer : 200.258.976/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/346732 / JE RK 18-1167
in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder]

wonende te [woonplaats] ,appellante,hierna te noemen: de moeder,advocaat: mr. S. van de Voorde,
tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering

gevestigd te [vestigingsplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de GI (gecertificeerde instelling).
Als belanghebbenden worden aangemerkt:

Als informant wordt aangemerkt:

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

vestiging: [vestiging] ,hierna te noemen: de raad.
-

mevrouw [belanghebbende 1]

de heer en mevrouw [belanghebbende 2]

de heer en mevrouw [belanghebbende 3]

1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 29 maart 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 mei 2019, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI alsnog af te wijzen, dan wel toe te wijzen voor een kortere termijn. Kosten rechtens.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 juni 2019, heeft de GI verzocht het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: De vader, de verscheidene pleegouders en de raad zijn niet verschenen.
-

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.4.
Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en zij heeft een dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden een gesprek gevoerd met het hof. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
2.5.1.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 26 maart 2019, overgelegd door de advocaat van de moeder bij V-formulier van 2 juli 2019;

de brief van de advocaat van de moeder van 2 mei 2019;

de pleitaantekeningen van de advocaat van de moeder in eerste aanleg, ingekomen ter griffie van het hof op 15 mei 2019;

enkele verslagen van begeleide bezoeken uit de periode januari/februari/maart 2019, opgesteld door [naam] , ingekomen ter griffie van het hof op 15 mei 2019;

de persoonlijke brief van de moeder, ingekomen ter griffie van het hof op 24 mei 2019;

het V-formulier van 3 juli 2019 van de advocaat van de moeder met als bijlage een persoonlijke brief van de moeder;

de brief van de raad van 3 juli 2019, ingekomen op 5 juli 2019, houdende mededeling dat de raad niet ter zitting zal verschijnen;

de brief van de raad van 4 juli 2019, ingekomen op 5 juli 2019, houdende mededeling van de afdoening van een (interne) afdoening van een klacht die de moeder aan het adres van de raad had gericht;

de brief van de pleegouders van [minderjarige 2] van 17 juli 2019;

het V-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder van 18 juli 2019;

de brief van de pleegouders van [minderjarige 3] met één bijlage, ingekomen ter griffie op 19 juli 2019;

het faxbericht met bijlagen van de GI van 19 juli 2019.

2.5.2.
Het hof heeft de brief van de raad van 25 juli 2019 (ingekomen ter griffie op 26 juli 2019) buiten beschouwing gelaten, nu deze brief is ingekomen na afloop van de mondelinge behandeling en de moeder hierop niet meer heeft kunnen reageren.
overwegingen

3

3.1.
Uit de moeder is geboren:- (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .Vervolgens is uit de affectieve relatie die de moeder met de vader ( [de vader] ) heeft, geboren:
-

[minderjarige 2]

[minderjarige 3]

De vader heeft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] erkend. De moeder draagt alleen het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Voor de volledigheid merkt het hof op dat de ouders op [geboortedatum] 2018 nog een kind hebben gekregen, genaamd . [minderjarige 4] woont thuis bij haar ouders.
3.2.1.
Sinds 4 juli 2017 staan [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (aanvankelijk: voorlopig) onder toezicht en zijn zij uithuisgeplaatst. De kinderen verblijven in drie verschillende pleeggezinnen. Stichting Intervence was tot 3 oktober 2018 belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling; met ingang van 3 oktober 2018 is dit de huidige GI.
3.2.2.
De moeder heeft op dit moment een bezoekregeling van eenmaal per zes weken met [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Met [minderjarige 1] heeft de moeder geen vaste regeling, omdat [minderjarige 1] haar moeder regelmatig bezoekt: dit gaat in onderling overleg met de oma/pleegmoeder van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] heeft hierover zelf aangegeven dat zij twee keer een ‘thuis’ heeft: bij mama en bij oma.
Inleidend verzoek

3.3.1.
De GI heeft op 5 juli 2018 de rechtbank verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] .
3.3.2.
Bij beschikking van 20 september 2018 heeft de rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van een met ingang van 3 oktober 2018 tot 3 april 2019. De rechtbank heeft de behandeling van het resterende deel van het verzoek aangehouden.
3.3.3.
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank het resterende deel van het verzoek toegewezen en de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verlengd met ingang van 3 april 2019 tot 3 oktober 2019.
3.4.
De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert ze, kort samengevat, het volgende aan. Het door SDW op 22 februari 2019 uitgebrachte advies tot een kortdurende gezinsopname is door de GI en de rechtbank niet opgevolgd. De moeder begrijpt niet waarom de GI een onderzoek laat verrichten door SDW als het daaruit voortvloeiende belangrijkste advies vervolgens niet wordt opgevolgd. SDW heeft onvoldoende zicht kunnen verkrijgen op de opvoedvaardigheden van de ouders, omdat er sprake is van spanningen als gevolg van de uithuisplaatsing. Een gezinsopname zou ervoor kunnen zorgen dat er wel een goed beeld gevormd kan worden, nu de moeder gedurende deze opname veel minder spanning zal ervaren. SDW is van mening dat de kinderen een gezinsopname aankunnen, nu zij uitgebreid psychologisch zijn onderzocht en deze resultaten meegenomen zijn bij het opstellen van het uiteindelijke advies.De moeder is het niet met de overweging eens dat er geen perspectief bestaat op terugplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de ouders. Dit perspectief kan nog niet worden bepaald, omdat er nog geen beeld is verkregen over de opvoedvaardigheden van de ouders. Dit zou uit de gezinsopname kunnen blijken. Nu het perspectief van de kinderen als grond voor de verlenging van de uithuisplaatsing wordt aangevoerd en dit perspectief niet grondig is onderzocht, is niet voldaan aan de wettelijke vereisten om de machtiging tot uithuisplaatsing verder te verlengen. Het is van belang dat onderzocht wordt of de kinderen mogelijk weer terug naar huis kunnen komen: dit is immers het uitgangspunt van de uithuisplaatsing.
3.5.
De GI voert in het verweerschrift, kort samengevat, het volgende aan. Het risico op mislukken van de gezinsopname is zeer groot. Het lukt de moeder niet haar strijd met de hulpverlening opzij te zetten in het belang van de kinderen. De moeder is manisch in het vastbijten in haar strijd, het non-stop blijven praten, het blijven sturen van mails, verweerschriften en in het zoeken van contact met gemeente, wethouder, leidinggevenden en klachtencommissies. Er is geen innerlijke rem van de moeder op haar gedrag en haar ongeremdheid neemt toe. De ouders hebben tot op heden geen daadwerkelijke stappen gezet met betrekking tot de adviezen vanuit het onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden, waaronder behandeling van impulsiviteit van de moeder en hulp bij haar emotieregulatie en traumaverwerking. SDW, [naam] en de GI verwijzen de moeder nadrukkelijk naar de GGZ voor behandeling.Op dit moment reageren [minderjarige 2] en [minderjarige 3] heftig op bezoeken (druk en ongeremd gedrag, broekplassen, ruzie, niet luisteren, niet kunnen slapen). Het lukt de moeder niet om de bezoeken van anderhalf uur ontspannen te laten verlopen voor de kinderen en aan te sluiten bij wat de kinderen willen, ondanks dat hier meerdere vormen van begeleiding zijn uitgeprobeerd. Het is niet reëel te verwachten dat het de moeder lukt om binnen een gezinsopname wel aan te sluiten bij wat de kinderen nodig hebben, naast het feit dat de moeder op dat moment vier kinderen heeft om voor te zorgen en haar aandacht over te verdelen.De moeder is van goede wil en in eerste instantie verloopt de samenwerking redelijk. Op het moment dat de hulpverlening meer eisen gaat stellen en/of dingen zegt/schrijft waar de moeder het niet mee eens is, wordt de samenwerking opgezegd. De GI heeft forse zorgen over het blijvend toenemen van de psychische nood bij de moeder.
Het hof overweegt het volgende.

3.6.1.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
3.6.2.
De rechtbank heeft bij beschikking 20 september 2018 het volgende overwogen:“De kinderrechter is van oordeel dat de WSSJJ, die de GI met ingang van 3 oktober 2018 zal vervangen, de gelegenheid moet krijgen om de mogelijkheden van de moeder te beoordelen om zelfstandig een besluit over het perspectief van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] , en [minderjarige 1] te kunnen nemen. Om de opvoedomgeving van de ouders te kunnen beoordelen, is het noodzakelijk dat de WSSJJ zicht krijgt op hun opvoedvaardigheden. (…..) De kinderrechter zal de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing echter beperken tot zes maanden, zodat de WSSJJ in de gelegenheid wordt gesteld de situatie van [minderjarige 3] , [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zelfstandig te beoordelen en een besluit te nemen over hun perspectief.”In navolging van deze beschikking heeft de GI zich gewend tot SDW met een vraagstelling die is gericht op het verduidelijken van het perspectief van de kinderen. SDW heeft onderzoek gedaan waaronder vier bezoeken bij de moeder thuis waarbij SDW totaal ongeveer twaalf uur aanwezig is geweest in het gezin. Vervolgens heeft de SDW haar “eindevaluatie kortdurende intensief trainingstraject” uitgebracht op 22 februari 2019. Enkele bevindingen van de SDW waren, kort gezegd:
-

dat de ouders hun huis op orde hebben en dat zij (en ook [minderjarige 1] en [minderjarige 4] ) er verzorgd uitzien;

dat de moeder tijdens de observaties door de SDW veel stress heeft vanwege de uithuisplaatsing van de kinderen: er is sprake van continue stress, waarbij de stress het ene moment hoger is dan het andere moment;

dat de vader een warme en liefdevolle bejegening naar de kinderen liet zien;

dat er een wisselend beeld is ontstaan wat betreft de opvoedingsvaardigheden vanwege de stress van de moeder en de gedeeltelijke afwezigheid van de vader;

dat de moeder, als zij hoog in haar spanning zat, een warme en liefdevolle bejegening had naar [minderjarige 4] , zij gericht aandacht kon geven aan [minderjarige 4] en dat zij open stond voor feedback en adviezen in de praktijk bracht;

dat de ouders voldoende opvoedingsverantwoordelijkheid kunnen nemen wanneer er stressfactoren (zoals omgevingsfactoren en aanwezigheid van pleegouders) worden weggenomen tijdens het begeleid contactmoment;

dat de zorgen omtrent de opvoedingsvoorwaarden zijn gericht op financiën, het onvoldoende prioriteit stellen in de aanschaf van noodzakelijke producten voor de verzorging van [minderjarige 4] , de problematiek van de vader en het ontbreken van een steunend netwerk.

3.6.3.
Op basis van deze bevindingen, heeft SDW vervolgens geadviseerd dat er een kortdurende gezinsopname van enkele weken dient plaats te vinden om de onderzoeksbevindingen en observatiebevindingen uit de afgelopen periode te kunnen toetsen, zodat er een duidelijk advies kan worden gegeven met betrekking tot het perspectief van de kinderen. De GI en de rechtbank hebben dit advies echter niet opgevolgd. De GI vindt de gezinsopname te ingrijpend en belastend voor de kinderen en stelt zich op het standpunt dat een gezinsopname niet van toegevoegde waarde is, omdat het een herhaling van zetten is. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat er geen perspectief bestaat op terugplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de ouders en dat de door SDW geadviseerde gezinsopname niet in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] is.
3.6.4.
Het gehele dossier overziend, is het hof echter van oordeel de door de SDW geadviseerde gezinsopname er wel dient te komen. Het is opmerkelijk dat de GI advies inwint bij SDW en vervolgens dit advies niet opvolgt, zonder dat daar op dat moment argumenten voor zijn, die niet al eerder bekend waren. Dit geldt temeer nu de rechtbank in een eerder stadium bij beschikking van 20 september 2018 had overwogen dat er nog onvoldoende zicht bestaat op de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Door alsnog over te gaan tot een gezinsopname zou het traject kunnen worden afgerond dat door de rechtbank is ingezet bij laatst genoemde beschikking. Het oordeel van de rechtbank, zoals blijkt uit de bestreden beschikking, dat er geen aanknopingspunten zijn waaruit kan worden afgeleid dat uit de voorgestelde gezinsopname een (heel) ander beeld naar voren zal komen van de interactie tussen de ouders en de kinderen en hun mogelijkheden om aan te sluiten bij (de problematiek van) beide jongens dan tot nu toe uit alle observaties en contacten is verkregen, acht het hof prematuur. Het advies van SDW is gebaseerd op alle waarnemingen van SDW, waarbij een strijdbare moeder wordt gezien die vecht voor de terugkomst van haar kinderen. Daardoor kan zij onder de stressvolle omstandigheden over de onzekerheid van wat er volgt onvoldoende openstaan voor begeleiding bij de aandachtspunten op ‘goed genoeg ouderschap’. Het hof acht het aannemelijk dat de strijd die de uithuisplaatsing met zich brengt, de moeder dermate raakt dat het haar functioneren als ouder zwaar onder druk zet. De GI heeft ter zitting van het hof verklaard dat de moeder haar kinderen ruim voldoende liefde en aandacht geeft, maar dat het grootste probleem is dat de moeder geen rust heeft. Het hof overweegt dat de gezinsopname waarin gedurende enkele weken een normale gezinssituatie wordt nagebootst, de moeder waarschijnlijk wel deze rust geeft, zodat de hulpverlening een goed beeld kan krijgen over haar mogelijkheden als opvoeder.
3.6.5.
Het hof neemt bij dit oordeel tevens in aanmerking dat de uithuisplaatsing in juli 2017 is ontstaan vanuit een crisissituatie waarin de moeder zelf om hulp heeft gevraagd en zij instructies en adviezen van de hulpverlening heeft opgevolgd. Zij heeft het advies van de raad om op dat moment in een Blijf van mijn Lijf huis te worden opgenomen, opgevolgd. In de evaluatie van de SDW van 22 februari 2019 worden als zorgen genoemd: de financiën, dat de ouders onvoldoende prioriteiten stellen in de aanschaf van noodzakelijke producten voor de verzorging van [minderjarige 4] , dat de vader kampt met persoonlijke problematiek (gokken, blowen, financiën) en het ontbreken van een steunend netwerk. Ter zitting is gebleken dat de moeder ervoor heeft gezorgd dat een deel van het salaris van de vader meteen naar haar wordt overgemaakt zodat de vaste lasten kunnen worden betaald. De moeder heeft in ieder geval voor dit onderdeel op verantwoorde wijze de regie genomen.
3.6.6.
Het hof is tot slot van oordeel dat de gezinsopname, wat de bevindingen ook zullen zijn, zowel voor de moeder en de kinderen definitieve duidelijkheid met zich zal brengen over het perspectief van de kinderen. Deze uiteindelijke duidelijkheid acht het hof in het belang van de kinderen, en daaraan is ondergeschikt dat hun perspectief door de gezinsopname nog enkele maanden langer onduidelijk zal blijven, ook daarbij betrekkende dat met name [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kwetsbare kinderen zijn met de nodige problematiek. De kinderen zijn bovendien uitgebreid psychologisch onderzocht en deze resultaten zijn meegenomen bij het opstellen van het uiteindelijke advies van SDW. Het hof drukt de moeder op het hart om haar kinderen niet te belasten met de emoties die de gezinsopname met zich brengt: aan de kinderen dient de gezinsopname te worden uitgelegd als met hun ouders. Na deze ‘vakantie’ zullen de kinderen terugkeren naar de pleeggezinnen. Het is aan de moeder (en aan de vader) om te laten zien dat zij binnen de voorgestelde gezinsopname over voldoende opvoedingsvaardigheden beschikken om zelf voor de kinderen te zorgen. Na deze gezinsopname kan duidelijkheid worden gegeven over de (on)mogelijkheden van de ouders en het opgroeiperspectief van de kinderen. Dit perspectief staat wat het hof betreft nog niet vast. Indien na de gezinsopname zou blijken dat het perspectief van de kinderen toch niet bij de moeder (en de vader) ligt, verwacht het hof dat de moeder die uitslag zal accepteren en haar strijd zal staken.
3.6.7.
Het hof verwacht dat de gezinsopname spoedig, zo mogelijk dit jaar nog zal plaatsvinden en dat ook de onderzoeksresultaten nog dit jaar bekend zullen zijn. Op zal de mondelinge behandeling worden voortgezet, waarbij het hof erop rekent dat de opvoedingsvaardigheden van de moeder (en de vader) volledig in kaart zijn gebracht en het perspectief van de kinderen duidelijk is geworden. Het hof verzoekt de GI de resultaten van de gezinsopname uiterlijk in de week voorafgaand aan de zitting over te leggen aan de ouders en het hof.
beslissing

4

Het hof:

houdt, onder verwijzing naar hetgeen wordt overwogen onder 3.6.1. tot en met 3.6.7. iedere verdere beslissing aan in afwachting van nadere berichtgeving van de GI over het verloop van de gezinsopname;

bepaalt dat de mondelinge behandeling wordt voorgezet op dinsdag 21 januari 2020 om 09.00 uur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.P.A. Wensink-Vergunst, C.A.R.M. van Leuven en E.L. Schaafsma-Beversluis en is op 5 september 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.