Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3290

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 05-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 05-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3290, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.256.058_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 5 september 2019Zaaknummer: 200.256.058/01Zaaknummer eerste aanleg: C/03/259295 / JE RK 19-59
in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en
[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,appellanten,hierna te noemen: de ouders,advocaat: mr. R.A. Wijnands,
tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
Betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1]

[minderjarige 2]

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [pleegmoeder] [pleegvader]
De grootouders moederszijde, hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio: Zuidoost-Nederland, regio [regio] ,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3290:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 5 september 2019Zaaknummer: 200.256.058/01Zaaknummer eerste aanleg: C/03/259295 / JE RK 19-59
in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

en
[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,appellanten,hierna te noemen: de ouders,advocaat: mr. R.A. Wijnands,
tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] en mede kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).
Betreffende de minderjarigen:
[minderjarige 1]

[minderjarige 2]

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [pleegmoeder] [pleegvader]
De grootouders moederszijde, hierna te noemen: de pleegmoeder respectievelijk de pleegvader, tezamen de pleegouders.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio: Zuidoost-Nederland, regio [regio] ,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 februari 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 maart 2019, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en de gewijzigde omgangsregeling terug te draaien tot de omgang zoals die voorafgaand aan de beschikking verliep, namelijk vijf dagen per week omgang tussen de kinderen en de ouders met een overnachting per week.
2.2.
Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 11 april 2019, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de ouders af te wijzen als ongegrond en/of onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen eventueel onder aanvulling en/of verbetering van gronden.
2.3.
De zaak is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van de ouders tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 8 november 2018, voor zover die beschikking de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing voor de duur van een jaar, te weten tot 12 november 2019, betreft. Dit hoger beroep is bij het hof geadministreerd onder zaaknummer 200.253.938/01. Op dit hoger beroep zal bij afzonderlijke beschikking worden beslist.
2.4.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de ouders, bijgestaan door mr. Wijnands; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;- de pleegouders.
2.4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden om de van de zijde van zowel de ouders als de GI aangedragen informanten te horen.
2.4.
De mondelinge behandeling is voortgezet op 11 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de ouders, bijgestaan door mr. Wijnands; - de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;- [informant 1] , van Interventie Thuis, die als informant is gehoord; - [informant 2] , van Anacare, die als informant is gehoord;- [informant 3] , van Xonar Pleegzorg, die als informant is gehoord.Ter zitting heeft de advocaat van de ouders een aantal pagina’s van recente verslagen van Anacare overgelegd.
2.5.
De raad is met bericht van verhindering niet verschenen.
2.6.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 november 2018;- het V-formulier d.d. 5 april 2019 met bijlagen van de advocaat van de ouders;- het V-formulier d.d. 1 juli 2019 met bijlagen van de advocaat van de ouders; - de brief d.d. 2 juli 2019 met bijlagen van de GI.
overwegingen

3

3.1.
De ouders zijn gehuwd met elkaar. Tijdens dit huwelijk zijn, voor zover hier van belang, geboren:- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] ; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .
3.1.1.
De vader is niet de biologische vader van [minderjarige 1] . Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 11 december 2018 is de erkenning van [minderjarige 1] door de vader vernietigd.
3.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 12 augustus 2016 (voorlopig) onder toezicht van de GI. Bij beschikking van 11 november 2016 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, is de ondertoezichtstelling van beide kinderen verlengd en heeft de rechtbank machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin verleend. Beide maatregelen zijn steeds verlengd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven sinds respectievelijk 28 oktober en 3 november 2016 in het pleegezin bij de pleegouders.
3.2.1.
Bij beschikking van 8 november 2018 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 12 november 2018 voor de duur van een jaar, alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 12 november 2018 voor de duur van een jaar uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs. De ouders hebben ook tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld (zie onder 2.3.).
3.3.
In de zomer van 2018 heeft de GI het contact tussen de kinderen en de ouders uitgebreid naar, voor zover hier van belang en kort gezegd, vijf dagen per week met een overnachting. Daarvóór gold een regeling waarbij de kinderen gedurende vier dagen per week bij de ouders verbleven.De GI heeft op 4 december 2018 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de zorg- of omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Voor zover hier van belang en kort weergegeven is in deze schriftelijke aanwijzing opgenomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] vanaf 3 december 2018 wekelijks op zaterdag van 12.00 uur tot 18.00 uur op bezoek gaan bij de ouders, welk bezoek deels wordt begeleid door Anacare. Bij beschikking van 10 januari 2019, op schrift gesteld op 29 januari 2019 is, voor zover hier van belang en kort weergegeven, de schriftelijke aanwijzing van 4 december 2018 vervallen verklaard, aangezien de GI ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de in artikel 1:265f BW gegeven bevoegdheid om een schriftelijke aanwijzing te geven.
3.4.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken respectievelijk de regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang, op verzoek van de GI, gewijzigd en, kort gezegd, bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , op woensdagmiddagmiddag na school, of op een vrije woensdag vanaf 12.00 uur, tot 18.00 uur, en op zaterdag van 10.00 tot 19.00 uur bij de ouders verblijven.
3.5.
De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.
3.6.
De ouders voeren - kort samengevat - het volgende aan. De GI heeft haar verzoek tot wijziging van de contactregeling onvoldoende onderbouwd en de GI heeft bovendien een onvolledig beeld geschetst van de situatie, door na te laten de visie van de heer [informant 1] , die vaak bij de ouders thuiskomt, bij haar onderzoek te betrekken. Vervolgens heeft de rechtbank haar beslissing, ook gelet op de gemotiveerde betwisting van de ouders, onvoldoende gemotiveerd. Het aannemen door de rechtbank van zorgen over het welzijn van de kinderen is onvoldoende om tot wijziging van omgang te kunnen besluiten. Het is aan de GI deze zorgen die door de ouders betwist worden, in voldoende mate aantoonbaar te maken en dat is niet gebeurd. Bovendien stonden de zorgen in het verleden niet in de weg aan een uitbreiding van de contactregeling naar vijf dagen per week met een overnachting. De zorgen zijn niet groter geworden, maar afgenomen. Er is dan ook geen reden voor een wijziging van de contactregeling. Verder heeft de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel betrokken dat de kinderen bij de pleegouders goed worden verzorgd. Eerst zou de vraag of de terugplaatsing bij de ouders mogelijk is moeten worden beantwoord. Zo lang niet vaststaat dat dat niet mogelijk is dienen de ouders in staat te worden gesteld om te laten zien dat zij de kinderen wel een veilige plek kunnen bieden. De situatie bij de pleegouders is van ondergeschikt belang. Door de gewijzigde contactregeling wordt terugplaatsing bij de ouders nu haast onmogelijk, omdat vervreemding tussen de kinderen en de ouders op de loer ligt.Ook heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de kinderen in de gewijzigde omgangsregeling minder tussen de ouders en de pleegouders hoeven te pendelen en dat hierdoor meer rust voor de kinderen ontstaat. De vermoeidheid van de kinderen is al veel besproken. De ouders vermoeden dat vermoeidheid wordt veroorzaakt door het feit dat de kinderen vaak naar de BSO en de opvang moeten omdat de pleegouders werken. Daarnaast is de vermoeidheid van de kinderen, zoals de ouders al eerder hebben aangegeven, naar alle waarschijnlijkheid mede het gevolg van de wijzigingen in de contactregeling veroorzaakt door de GI, nu de GI bij het terugbrengen van de contactregeling aanvankelijk een verkeerde procedure heeft gekozen.
3.7.
De GI voert - kort samengevat - het volgende aan.Er is sprake van een wijziging van omstandigheden die maakt dat de contactregeling moet worden gewijzigd. Die wijziging is gelegen in het feit dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing zijn verlengd, het feit dat het perspectief van de kinderen volgens de GI inmiddels in het pleegezin dient te liggen en in de zorgen over het verloop van de omgang en de leefomstandigheden bij de ouders. Naar aanleiding van de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 24 april 2018 ter zake de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen heeft de GI de omgang uitgebreid naar vijf dagen per week met een overnachting om duidelijkheid te krijgen over de (on)mogelijkheden van de ouders om aan te sluiten bij hetgeen de beide kinderen nodig hebben en of een thuisplaatsing haalbaar zou zijn binnen de aanvaardbare termijn. Die duidelijkheid is er, thuisplaatsing is niet meer aan de orde. De beslissing tot het wijzigen van de omgang is zorgvuldig genomen in een multidisciplinair overleg na het invullen van een CHOP-list. De ouders hebben het maximale van hun kunnen en hun opvoedcapaciteiten bereikt. Het lukt de ouders onvoldoende om zorg te dragen voor de vaste dagstructuur, de fysieke veiligheid van de kinderen, zij komen afspraken niet na, en er blijven zorgen bestaan over de relatie van de ouders en alcoholgebruik. Bovendien geven de ouders de kinderen geen toestemming om in het pleeggezin te verblijven. Zij doen belastende uitspraken richting de kinderen over hun perspectief. De contactregeling is niet meer passend gelet op het gewijzigde doel daarvan, namelijk het behoud van de relatie met de ouders. Bovendien was de uitgebreide contactregeling vermoeiend voor de kinderen en deze riep verwarring op over hun perspectief. De huidige contactregeling zorgt voor de duidelijkheid en rust die de kinderen nodig hebben.
3.8.
Het hof overweegt het volgende.
3.8.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedtaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.
3.8.2.
Het hof is van oordeel dat de wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. de uitoefening van het recht op omgang in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk is. Bij beschikking van dit hof van 5 september 2019 heeft het hof de beslissing van de rechtbank om de machtigingen tot uithuisplaatsing van de kinderen in een pleeggezin met de duur van een jaar, tot 12 november 2019, te verlengen, bekrachtigd. Het hof heeft in die beschikking onder meer overwogen dat beide kinderen spanningen ervaren en gelet op de onduidelijkheid over hun perspectief grote behoefte aan duidelijkheid hebben. Ook is overwogen dat er gedurende de periode dat de kinderen een zeer ruime contact/omgangsregeling met de ouders hadden, 5 dagen per week overdag en een overnachting, door de hulpverlening zorgen ten aanzien van het pedagogisch klimaat voor de kinderen bij de ouders werden geconstateerd. Uit de stukken en de verklaring van Anacare ter zitting heeft het hof geconstateerd dat het terugbrengen van het contact/de omgang naar de woensdagmiddag en de zaterdag rust heeft gebracht bij de kinderen en dat de ouders deze regeling, waarbij zij zich niet gesteld zien voor opvoedingsproblemen/beslissingen ten aanzien van de kinderen, als liefhebbende ouders van de kinderen goed kunnen invullen.
Gelet op het perspectief van de kinderen, hun grote behoefte aan stabiliteit en duidelijkheid, de zorgen die er waren tijdens de uitgebreide contactregeling en de positieve invulling van het huidige contact, acht het hof het in het belang van de kinderen dat de huidige contactregeling wordt gecontinueerd.

3.9.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
beslissing

4

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 februari 2019;
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.J. van Laarhoven en uitgesproken in het openbaar op 5 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.