Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3260

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3260, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.262.214/01 - Wr 288-11-2019


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Rolnummer : 200.262.214/01 Wrakingsnr. : Wr 288-11-2019Uitspraak : 9 september 2019
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gegeven op het schriftelijke verzoek van 5 juli 2019, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met klachtnummer K19/200018, aanhangig bij de beklagkamer ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van dit gerechtshof, van:

[verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: ‘verzoeker’,

strekkende tot wraking van mr. P.Th. Gründemann, mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. M.E.F.H. van Erve, respectievelijk voorzitter en leden van de beklagkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna ook gezamenlijk te noemen: ‘de raadsheren’.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3260:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Rolnummer : 200.262.214/01 Wrakingsnr. : Wr 288-11-2019Uitspraak : 9 september 2019
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gegeven op het schriftelijke verzoek van 5 juli 2019, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met klachtnummer K19/200018, aanhangig bij de beklagkamer ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van dit gerechtshof, van:

[verzoeker]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] , wonende te [woonadres] ,
hierna te noemen: ‘verzoeker’,

strekkende tot wraking van mr. P.Th. Gründemann, mr. R.A.Th.M. Dekkers en mr. M.E.F.H. van Erve, respectievelijk voorzitter en leden van de beklagkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, hierna ook gezamenlijk te noemen: ‘de raadsheren’.

procesverloop

1

1.1.
Verzoeker heeft bij klaagschrift ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering het hof verzocht de vervolging te bevelen van diverse politieambtenaren, het Openbaar Ministerie, gemeentelijke en/of andere instanties. Dit klaagschrift is op 10 januari 2019 ter griffie van het hof ingekomen.
1.2.
De advocaat-generaal heeft in zijn schriftelijk verslag van 19 maart 2019, onder toevoeging van het ambtsbericht van de hoofdofficier van justitie van 4 februari 2019, het hof geadviseerd verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het beklag, omdat in het klaagschrift geen feiten aantoonbaar zijn op basis waarvan met vrucht tot strafvervolging kan worden overgegaan.
1.3.
Bij schrijven van 10 juni 2019, ingekomen ter griffie van het hof op 11 juni 2019, heeft verzoeker nadere stukken in de beklagzaak ingediend.
1.4.
De beklagzaak is door het hof op de rol van 18 juni 2019 geplaatst voor afdoening zonder nader onderzoek en zonder oproeping om te worden gehoord. Het hof heeft vervolgens uitspraak bepaald op 16 juli 2019. Verzoeker is daarvan bij brief van de griffier van de beklagkamer van 4 juli 2019 in kennis gesteld.
1.5.
Verzoeker heeft bij verzoekschrift van 5 juli 2019 verzocht tot wraking van de raadsheren. Het wrakingsverzoek is bij brieven van 7 en 8 juli 2019 nader toegelicht.
1.6.
Naar aanleiding van het wrakingsverzoek is de uitspraak in de beklagzaak voor onbepaalde tijd aangehouden.
1.7.
De raadsheren hebben allen verklaard niet in de wraking te berusten. Bij verweerschrift van 14 augustus 2019 heeft mr. Dekkers gereageerd op het wrakingsverzoek. Mr. Gründemann heeft te kennen gegeven zich aan te sluiten bij de in het verweerschrift ingenomen standpunten.
1.8.
Verzoeker heeft bij brief van 17 augustus 2019 gereageerd op het verweerschrift van mr. Dekkers.
1.9.
Het Openbaar Ministerie heeft bericht geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om op het wrakingsverzoek te worden gehoord. Evenmin bestaat behoefte aan een schriftelijke reactie. De advocaat-generaal heeft slechts bij e-mailbericht van 16 augustus 2019 opgemerkt dat het klaagschrift van verzoeker is behandeld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen.
1.10.
De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek ter zitting van 26 augustus 2019 behandeld. Daarbij is verzoeker verschenen.
1.11.
Na sluiting van de behandeling ter zitting heeft de wrakingskamer besloten dat op 9 september 2019 op het wrakingsverzoek zal worden beslist.
2

2.1.
Verzoeker heeft na de ontvangstbevestiging van het klaagschrift pas na 6 maanden iets van het hof vernomen. Zijn brieven aan het hof van 6 februari 2019 en 10 juni 2019 zijn onbeantwoord gebleven, evenals andere stukken waarvan verzoeker stelt dat hij deze bij de centrale balie van het Paleis van Justitie heeft afgegeven. Naar aanleiding van de e-mail van verzoeker van 4 juli 2019 is aan hem door de griffier van de beklagkamer bij brief van 4 juli 2019 bericht dat zijn klacht is behandeld, dat de uitspraak volgt op 16 juli 2019 en dat hij per post een afschrift van de beschikking zal ontvangen.
2.2.
Naar aanleiding van deze gang van zaken heeft verzoeker op 7 juli 2019 een klacht ingediend bij de president van het gerechtshof. Uit de reactie van de president van 18 juli 2019 op de klacht is op te maken dat de brieven van 6 februari 2019 en 10 juni 2019 aan het dossier van de beklagzaak zijn toegevoegd. Andere brieven die aan het hof zouden zijn toegestuurd, dan wel bij de centrale balie van het Paleis van Justitie zouden zijn afgegeven, bevinden zich niet in het dossier van de beklagzaak.
2.3.
Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker naar voren gebracht dat de persoonlijk afgegeven stukken derhalve moeten zijn verdwenen. Deze stukken zouden volgens verzoeker bewijs kunnen leveren van de strafbare feiten, die volgens verzoeker zijn gepleegd door de (rechts)personen die naar zijn mening vervolgd moeten worden.
2.4.
Verzoeker leidt uit de brief van 4 juli 2019 van de griffier af dat zijn verzoek door de beklagkamer zonder nader onderzoek zal worden afgedaan. Uit de beslissing van de beklagkamer om de zaak zonder nader onderzoek af te doen, althans zonder die beslissing te motiveren en zonder dat verzoeker en de advocaat-generaal daarover zijn gehoord, terwijl de raadsheren wisten of hadden moeten weten dat het beklagdossier incompleet is en dat zij dus op basis van onvolledige informatie zouden gaan oordelen, volgt dat de raadsheren vooringenomen zijn, althans dat de schijn daarvan is gewekt.
3

3.1.
Mr. Dekkers heeft in zijn schriftelijke reactie gesteld dat de beklagkamer de bevoegdheid heeft om een beklag af te doen zonder nader onderzoek op grond van de artikelen 12c en 12d van het Wetboek van Strafvordering. De stelling van verzoeker dat de wijze van afdoening door de beklagkamer in strijd is met het beginsel van een recht op een eerlijk proces, is volgens mr. Dekkers dan ook ongegrond. Mr. Gründemann heeft zich daarbij aangesloten.
3.2.
Zowel verzoeker als het Openbaar Ministerie zijn in gelijke mate in de gelegenheid geweest om alle voor de beslissing van het hof benodigde gegevens en/of standpunten naar voren te brengen, nog afgezien van het feit dat de procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering niet valt binnen het bereik van artikel 6 van het EVRM, waarin het beginsel van een recht op een eerlijk proces is neergelegd. In dat kader heeft mr. Dekkers gewezen op de inhoud van het klachtdossier, dat enerzijds het klaagschrift en de daaraan ten grondslag liggende stukken bevat (aangifte, sepotbeslissing en verdere stukken ter onderbouwing) en anderzijds de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal op het klaagschrift.
3.3.
Naar het oordeel van mrs. Dekkers en Gründemann is derhalve geen sprake van feiten of omstandigheden waaruit de (schijn van) onpartijdigheid zou kunnen worden afgeleid. Het klaagschrift van verzoeker is door de beklagkamer behandeld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen, zonder dat daarmee tekort is gedaan aan fundamentele rechtsbeginselen, zoals het recht op een eerlijk proces. De enkele omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met deze procedure, doet daar niet aan af.
overwegingen

4

4.1.
Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een rechter worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de beklagkamer heeft besloten de beklagzaak zonder nader onderzoek, dus zonder klager in raadkamer te horen, af te doen. De beklagkamer heeft vervolgens uitspraak bepaald. Deze beslissing is aan te merken als een rechterlijke tussenbeslissing.
4.4.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt met zich dat een dergelijke rechterlijke tussenbeslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel (zie het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer komt derhalve geen oordeel toe over de inhoudelijke juistheid van de tussenbeslissing om de beklagzaak zonder nader onderzoek af te doen.
4.5.
Voor zover verzoeker heeft willen betogen dat de raadsheren blijk hebben gegeven van vooringenomenheid, althans dat de schijn daarvan is gewekt, door zonder (adequate) motivering te beslissen om de zaak zonder nader onderzoek af te doen, overweegt de wrakingskamer het volgende. Bij de beantwoording van die vraag is uitgangspunt dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich evenzeer ertegen verzet dat een gebrekkige of ontbrekende motivering grond kan vormen voor wraking. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de tussenbeslissing, in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de in de beslissing gebezigde bewoordingen), niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de raadsheren die de tussenbeslissing hebben gegeven.
De wrakingskamer stelt dienaangaande vast dat in de aan verzoeker gerichte brief van de griffier van de beklagkamer van 4 juli 2019 is vermeld:

“Naar aanleiding van uw e-mail van 4 juli 2019 kan ik u mededelen dat uw klacht inmiddels is behandeld, de uitspraak volgt op 16 juli 2019, u ontvangt per post een afschrift van de beschikking.”
Naar het oordeel van de wrakingskamer blijkt uit deze bewoordingen niet dat de raadsheren een vooringenomenheid koesteren jegens verzoeker, noch dat bij hem naar objectieve maatstaven de vrees daarvoor kan ontstaan. Van bijzondere omstandigheden die tot een andersluidend oordeel aanleiding kunnen geven is niet gebleken. Dat dit door verzoeker kennelijk anders is ervaren, doet daar niet aan af.

4.8.
Mitsdien kunnen de aangevoerde gronden niet tot wraking van de raadsheren leiden, om welke reden het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.
4.9.
De wrakingskamer merkt ten overvloede op dat uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat de aanleiding voor het wrakingsverzoek met name is gelegen in de vrees van verzoeker dat de beklagkamer recht zou doen op een incompleet dossier. Verzoeker heeft daarbij aangevoerd dat hij alle stukken die hij van belang vindt voor de beklagzaak, voorafgaand aan de zitting van 26 augustus 2019 aan de wrakingskamer heeft toegezonden. Hoewel de wrakingskamer niet bekend is met de (in)compleetheid van het dossier van de beklagzaak, ziet de wrakingskamer van het hof in het voorgaande aanleiding om deze stukken in handen te stellen van de beklagkamer, opdat deze de mogelijkheid heeft om daarop in het kader van de te nemen eindbeslissing in de beklagzaak desgewenst acht te slaan.
BESLISSING

Het hof:

wijst het verzoek tot wraking van de raadsheren af;

bepaalt dat het proces in de beklagzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

stelt de door verzoeker toegezonden processtukken ten behoeve van de beklagzaak in handen van de beklagkamer;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, het Openbaar Ministerie en de raadsheren wier wraking was verzocht.

Aldus gegeven door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter, mr. J. Platschorre en mr. J.C.E. Ackermans-Wijn, leden, bijgestaan door mr. J.N. van Veen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2019.