Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3034

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 15-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3034, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.234.677_01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHSHE:2019:3034:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 15 augustus 2019Zaaknummer: 200.234.677/01Zaaknummer eerste aanleg: C/03/237157 / FA RK 17-2395
in de zaak in hoger beroep van:

[appellant]

wonende te [woonplaats] , Duitsland,appellant,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. N.M. de Houwer-van Wijk,
tegen

[verweerster]

wonende te [woonplaats] ,verweerster,hierna te noemen: de moederadvocaat: mr. F. Bouyaghjdane.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.
Deze zaak betreft de minderjarige:- [minderjarige] (hierna ook wel te noemen: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Duitsland).
5

Bij die beschikking heeft het hof de raad, voor zover in deze zaak van belang, verzocht om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en te adviseren omtrent – kort gezegd – het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden tot 14 februari 2019 pro forma.

6

6.1.
De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord: - de vader, bijgestaan door mr. De Houwer-van Wijk. De vader is voorts bijgestaan door een tolk in de Duitse taal, de heer R.B. Schmitt met tolknummer 916;
-

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .
6.2.
Tijdens de voortgezette mondeling behandeling in hoger beroep is tevens de andere bij dit hof lopende zaak tussen partijen behandeld omtrent – kort gezegd – de vaststelling van een omgangsregeling, bij het hof bekend onder zaaknummer 200.227.385/01.
6.3.
Het hof heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening in beide zaken kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en zij is op 8 juli 2019 buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de raadsheer die het kindgesprek met [minderjarige] heeft gevoerd de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.
6.4.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 8 maart 2019;- het rapport van de raad d.d. 1 april 2019;- het V8-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 29 april 2019.
overwegingen

7

7.1.
De raad heeft in voornoemd rapport d.d. 1 april 2019 omtrent het ouderlijk gezag – samengevat – het hof geadviseerd het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen. De raad heeft vastgesteld dat dezelfde zorgen, welke tot het eenhoofdig gezag van de moeder hebben geleid, nog steeds aanwezig zijn. De rechtbank achtte de situatie van [minderjarige] zeer zorgelijk, zeker gelet op de problematiek van en de zorgen over het gedrag van [minderjarige] . [minderjarige] is een getraumatiseerd meisje dat niet kan afsluiten. [minderjarige] wordt momenteel belast met “het getouwtrek” om haar heen. Het door de wet beoogde uitgangspunt, namelijk dat het gezamenlijk gezag na scheiding voortduurt, is hier niet mogelijk. De raad heeft er onvoldoende vertrouwen in dat de ouders in staat zijn om samen beslissingen in het belang van [minderjarige] te nemen. De relatie tussen de ouders is dusdanig verstoord dat zij niet meer in staat zijn tot enige vorm van overleg. De raad ziet geen enkele constructieve verandering, eerder nog een verharding van de standpunten; er zijn hierin geen veranderingsmogelijk-heden. Hierdoor bestaat het risico dat in geval van gezamenlijk gezag niet of niet tijdig beslissingen over [minderjarige] kunnen worden genomen. [minderjarige] zit ernstig klem tussen haar ouders. Een gezamenlijke gezagsuitoefening door de ouders zou haar klempositie nog verder verergeren.
7.2.
Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld om zowel schriftelijk als op de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep op voornoemd rapport van de raad te reageren.
7.3.
De vader heeft bij voornoemd V8-formulier met bijlage d.d. 29 april 2019, zoals aangevuld op de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd.De vader kan zich niet met de inhoud van het rapport van de raad verenigen en hij handhaaft zijn verzoek in hoger beroep. De vader heeft de beslissingen over [minderjarige] nooit in de weg gestaan. Indien gezamenlijk gezag niet mogelijk is dan verzoekt de vader het hof om een informatieregeling vast te stellen, waarbij hij vier keer per jaar informatie over [minderjarige] ontvangt, zodat hij toch betrokken blijft bij (de ontwikkeling van) [minderjarige] .
7.4.
De moeder heeft op de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aangevoerd.Partijen kunnen al sinds 2014 geen gezamenlijke beslissingen meer over [minderjarige] nemen. De van de vader benodigde toestemming wordt via de advocaten geregeld. De moeder kan op deze manier geen gezag over [minderjarige] uitoefenen. De moeder verzoekt het hof om de beslissing van de rechtbank te bekrachtigen.De moeder heeft ter zitting ingestemd met de door de vader verzochte informatieregeling.
7.5.
De raad heeft zich op de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep, voor wat betref het gezag over [minderjarige] , niet aanvullend op het raadsrapport van 1 april 2019 uitgelaten.
Gezag

7.6.
Het hof overweegt het volgende.
7.6.1.
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, ofb. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
7.6.2.
Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.
7.6.3.
Het hof stelt voorop dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden.Uit de bestreden beschikking volgt dat de moeder op dit moment eenzijdig de beslissingen over [minderjarige] neemt en dat zij hierin wordt gesteund door de school, gemeente en hulpverlenende instanties, die rekening houden met de ernstig verstoorde verstandhouding tussen de ouders en genoegen nemen met enkel de handtekening van de moeder. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat te verwachten is dat de moeder niet steeds op deze wijze beslissingen over [minderjarige] kan blijven nemen en dat zij uiteindelijk ook de toestemming van de vader nodig zal hebben. Nu gebleken is dat de ouders op geen enkele wijze in staat zijn om met elkaar te communiceren en de vader sedert het uiteen gaan van partijen geen rol meer speelt in het leven van [minderjarige] , acht het hof de ouders niet in staat om op verantwoorde wijze in onderling overleg beslissingen van enig belang over [minderjarige] te nemen. Voorts is het hof gebleken dat de ouders nog niet in staat zijn om elkaar los te laten en zij de strijd met elkaar blijven aangaan. Dit volgt onder meer uit het feit dat de echtscheiding tussen de ouders reeds op 14 april 2015 is uitgesproken en er over de nevenvoorzieningen kennelijk zowel in Nederland als in Duitsland nog steeds procedures tussen de ouders worden gevoerd. Verder neemt het hof in aanmerking dat uit voornoemd rapport van de raad volgt dat [minderjarige] momenteel wordt belast met “het getouwtrek” om haar heen en dat [minderjarige] klem zit tussen de ouders. Het hof concludeert derhalve dat de ouders niet in staat zijn om hun strijd met elkaar binnen afzienbare tijd te staken dan wel in ieder geval [minderjarige] buiten deze strijd te houden.
7.6.4.
Het hof is, gelet op het vorenstaande van oordeel, dat het gezamenlijk gezag van de ouders dient te worden beëindigden en dat het gezag alleen aan de moeder dient toe te komen omdat bij de handhaving van het gezamenlijk gezag het risico bestaat dat [minderjarige] (nog verder) klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Voorts is de wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk, nu te verwachten valt dat de ouders ook over kwesties die zij gezamenlijk zouden hebben te beslissen strijd zullen voeren, zoals zij dat op alle andere onderwerpen die verbonden zijn met hun scheiding ook laten zien.
7.6.5.
Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.
Informatieregeling

7.7.
De moeder heeft zich – naar aanleiding van het verzoek van de vader tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep – bereid verklaard om, via mevrouw [gebiedscoach] (gebiedscoach) of enig ander persoon, de vader viermaal per jaar te informeren over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] . De advocaten van partijen hebben ter zitting verklaard dat zij deze regeling – in samenspraak met partijen – nog nader zullen invullen.
beslissing

8

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 30 november 2017;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het Centraal Gezagsregister;

bepaalt dat de moeder, via mevrouw [gebiedscoach] (gebiedscoach) of enig ander persoon, de vader viermaal per jaar informeert over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (Duitsland), waarbij de nadere invulling van deze regeling wordt toevertrouwd aan de advocaten van partijen;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en M.L.F.J. Schyns en is in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2019 in tegenwoordigheid van mr. E. Hulzink-Mimpen, griffier.