Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3033

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 15-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3033, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.231.820_01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.231.820/01zaaknummer rechtbank : C/02/332196 FA RK 17-3365
beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2019

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,hierna: de vrouwverzoeksters in hoger beroep,advocaat mr. J.A.M. van Weely te Waalwijk,
en

[jongmeerderjarige]

aanvankelijk wondende te [woonplaats] , vervolgens wonende te [woonplaats] en thans (weer) wonende te [woonplaats] ,in deze procedure aanvankelijk vertegenwoordigd door de vrouw, thans vertegenwoordigd door de hier na te noemen: de man,advocaat aanvankelijk mr J.A.M van Weely, thans mr. R.F.Cohen te Sittard,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,hierna: de man,verweerder in hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. R.F. Cohen te Sittard.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3033:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling familie- en jeugdrecht

zaaknummer : 200.231.820/01zaaknummer rechtbank : C/02/332196 FA RK 17-3365
beschikking van de meervoudige kamer van 15 augustus 2019

inzake

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,hierna: de vrouwverzoeksters in hoger beroep,advocaat mr. J.A.M. van Weely te Waalwijk,
en

[jongmeerderjarige]

aanvankelijk wondende te [woonplaats] , vervolgens wonende te [woonplaats] en thans (weer) wonende te [woonplaats] ,in deze procedure aanvankelijk vertegenwoordigd door de vrouw, thans vertegenwoordigd door de hier na te noemen: de man,advocaat aanvankelijk mr J.A.M van Weely, thans mr. R.F.Cohen te Sittard,
tegen

[de man]

wonende te [woonplaats] ,hierna: de man,verweerder in hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. R.F. Cohen te Sittard.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 24 oktober 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1.1.
De vrouw is op 18 januari 2018 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 24 oktober 2017.
2.1.2.
De grieven van de vrouw betreffen de behoefte van de hierna te noemen, inmiddels jongmeerderjarige, [jongmeerderjarige] , de ontvankelijkheid van de vrouw ter zake de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] , de ingangsdatum en de proceskosten.De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt uitsluitend voor zover het de onderhoudsbijdrage voor [jongmeerderjarige] betreft, en in zoverre opnieuw rechtdoende:I. te bepalen dat de man, met ingang van 24 juli 2016 (primair), 19 augustus 2016 (subsidiair), 4 februari 2017 (meer subsidiair) dan wel met ingang van 23 juni 2017 (uiterst subsidiair) tot en met [datum 1] 2018 € 508,- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] , althans met ingang van een zodanige datum een zodanig bedrag als het hof juist en gerade acht;II. te bepalen dat de man met ingang van [geboortedatum] 2018 € 599,27 per maand dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] vanaf laatst vermelde datum jongmeerderjarig, althans met ingang van een zodanige datum een zodanig bedrag als het hof juist acht;III. de man te veroordelen om aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de kosten van deze procedure, alsmede de nakosten, alles evenzeer te vermeerderen met de wettelijke rente, voor zover mogelijk, indien deze kosten niet zijn voldaan binnen veertien dagen na betekening van de in deze te wijzen beschikking.
2.2.1.
De man heeft op 6 maart 2018 een verweerschrift ingediend.De man heeft verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.
2.3.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:- het productieoverzicht met productie XI van de zijde van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2018;- een journaalbericht van de zijde van de man van 8 augustus 2018 met bijlagen, ingekomen op 8 augustus 2018;- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 7 september 2018 met bijlagen, ingekomen op 10 september 2018.
2.4.1.
Op 20 september 2018 heeft er een regiezitting bij het hof plaatsgevonden. [jongmeerderjarige] is ter zitting verschenen, evenals partijen, bijgestaan door hun advocaten.
2.4.2.
Ter zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] met ingang van 20 september 2018 niet meer, zoals bij aanvang van het door de vrouw ingestelde hoger beroep, bij de vrouw verblijft, maar bij de man.Ter zitting is met partijen afgesproken dat partijen het hof nader zullen informeren over de vraag hoe deze gewijzigde situatie met betrekking tot het verblijf van [jongmeerderjarige] en het verzoek van de vrouw juridisch geduid moet worden, met name gelet op het feit dat [jongmeerderjarige] d.d. 5 juli 2018 de vrouw heeft gemachtigd om in deze procedure voor haar op te treden en op het verzoek van de vrouw met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] .
2.5.
Het hof heeft voorts kennis genomen van:- een journaalbericht van de zijde van de man van 11 oktober 2018 met onder meer als bijlage de op 21 september 2018 gedateerde onvoorwaardelijke intrekking door [jongmeerderjarige] van de machtiging d.d. 5 juli 2018, ingekomen op 12 oktober 2018;- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 15 oktober 2018 met bijlage, ingekomen op 15 oktober 2018;- een journaalbericht van de zijde van de man van 21 januari 2019 met onder meer als bijlage de in januari 2019 gedateerde machtiging waarbij [jongmeerderjarige] de man heeft gemachtigd om in deze procedure namens haar op te treden, ingekomen op 22 januari 2019.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 14 mei 2019 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook [jongmeerderjarige] is, met toestemming van beide partijen, ter mondelinge behandeling verschenen.
2.7.
Met toestemming van het hof zijn na de mondelinge behandeling ingekomen:- een journaalbericht van de zijde van de man van 17 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 21 mei 2018;- een journaalbericht van de zijde van de man van 22 mei 2017 met bijlagen, ingekomen op 23 mei 2019;- een journaalbericht van de zijde van de man van 23 mei 2019 met bijlagen, ingekomen op 24 mei 2019;- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 27 mei 2019, ingekomen op 27 mei 2019.
3

3.1.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.
3.2.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren:- [jongmeerderjarige] ( [jongmeerderjarige] ), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] .De man heeft [jongmeerderjarige] erkend.
3.3.
Bij beschikking van de rechtbank Breda van 1 juli 2005 heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 november 2004 bepaald op € 150,- per maand.Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 26 juni 2013 heeft de rechtbank, na een referteverklaring van de vrouw, de kinderalimentatie met ingang van 1 november 2012 bepaald op nihil. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 11 augustus 2014 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de man bepaald.
3.4.1.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] , die feitelijk weer bij de vrouw verblijft, met ingang van 24 oktober 2017 nader bepaald op € 181,38 per maand. Bij aanvullende beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 11 december 2017 heeft de rechtbank het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de vrouw bepaald.
3.4.2.
Op [geboortedatum] 2018 is [jongmeerderjarige] jongmeerderjarig geworden. Op 20 september 2018 is [jongmeerderjarige] feitelijk (weer) bij de man gaan wonen en met ingang van 1 juni 2019 woont [jongmeerderjarige] zelfstandig in de vorm van begeleid wonen.
beslissing

4

Met betrekking tot de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] .

4.1.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling van 14 mei 2019 is gebleken dat [jongmeerderjarige] de vrouw op 5 juli 2018 heeft gemachtigd om namens haar in deze procedure op te treden. [jongmeerderjarige] heeft die machtiging op 21 september 2018 ingetrokken. Bij machtiging gedateerd januari 2019 heeft [jongmeerderjarige] de man gemachtigd om namens haar in deze procedure op te treden.
4.2.
Ter mondelinge behandeling d.d. 14 mei 2019 is met partijen besproken dat de vrouw [jongmeerderjarige] niet meer in rechte kan vertegenwoordigen nu [jongmeerderjarige] de machtiging aan de vrouw heeft ingetrokken. Dat leidt ertoe dat de vrouw uitsluitend ontvankelijk is in haar verzoeken in hoger beroep voor zover deze zien op (wijziging van) de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie). De man heeft in zijn hoedanigheid van vertegenwoordiger van [jongmeerderjarige] ter mondelinge behandeling het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in levensonderhoud en studie voor [jongmeerderjarige] met ingang van [geboortedatum] 2018 ingetrokken, zodat het hof dat verzoek niet meer behoeft te beoordelen.Het voorgaande is met partijen ter mondelinge behandeling besproken en partijen alsmede [jongmeerderjarige] hebben zich hiermee akkoord verklaard.
Wijziging van omstandigheden

4.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat [jongmeerderjarige] met ingang van 24 juli 2016 feitelijk weer bij de vrouw is gaan wonen, zodat er sprake is van een wijziging van omstandigheden die ertoe leidt dat de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor [jongmeerderjarige] opnieuw dient te worden beoordeeld.
Ingangsdatum

4.4.
De ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie is tussen partijen in geschil. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling is gebleken dat [jongmeerderjarige] op 24 juli 2016 feitelijk weer bij de vrouw is gaan wonen en dat partijen nadien met elkaar in gesprek zijn geweest over de vraag of [jongmeerderjarige] het hoofdverblijf bij de man diende te behouden, dan wel dat het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de vrouw diende te worden bepaald. Tot de datum van indiening van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van het hoofdverblijf van [jongmeerderjarige] bij de vrouw en tot wijziging van de kinderalimentatie, is zulks onduidelijk gebleven. Het hof overweegt dat de man eerst met ingang van de datum van indiening van het verzoek van de vrouw in eerste aanleg, althans met ingang van 1 juli 2017 als de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de vrouw het verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingediend, rekening kon houden met een door hem aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] . Het hof stelt de ingangsdatum op 1 juli 2017.Gelet op het voorgaande dient het hof de door de man te betalen kinderalimentatie te bepalen over de periode van 1 juli 2017 tot [geboortedatum] 2018.
Behoefte van [jongmeerderjarige]

4.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bepaling van het netto besteedbaar gezinsinkomen uitgegaan dient te worden van het peiljaar 2005 en dat bij hantering van de Nibud-tabellen uitgegaan moet worden van één kind en twee punten, waarmee partijen zich ter mondelinge behandeling akkoord hebben verklaard. Uit de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling blijkt voorts dat voor de bepaling van de behoefte van [jongmeerderjarige] uitgegaan moet worden van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2005 van € 913,- per maand en dat voor de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man uitgegaan dient te worden van een fiscaal loon van de man van € 27.999,- (niveau 2004). Het netto besteedbaar inkomen van de man is tussen partijen in geschil. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de man in 2005 op € 1.726,- netto per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening (bijlage I), Daarbij is, conform het Trema rapport Alimentatienormen, geen rekening gehouden met de fiscale aspecten van de echtelijke woning. Uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 2.639,- bedraagt de behoefte van [jongmeerderjarige] € 436,41 per maand (niveau 2005). Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2017 € 532,47 per maand.
Draagkracht van partijen

4.6.
Het hof neemt bij de bepaling van de draagkracht van partijen ieders netto besteedbaar inkomen tot uitgangspunt. Dit inkomen wordt vastgesteld door het bruto inkomen te verminderen met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn. In navolging van de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) wordt het netto besteedbaar inkomen verhoogd met het te ontvangen kindgebonden budget. De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld aan de hand van de draagkrachtformule voor het betreffende jaar conform het Tremarapport.
4.7.
Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de jaaropgaaf 2017 waaruit een fiscaal loon blijkt van € 38.034,-. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] in 2017, althans tot december van dat jaar, stond ingeschreven op het adres van de man die tot dat moment kindgebonden budget voor [jongmeerderjarige] heeft ontvangen. Het hof onderscheidt derhalve perioden.- de periode van 1 juli 2017 tot 1 december 2017:het hof gaat uit van een kindgebonden budget aan de zijde van de man van € 3.425,- op jaarbasis, dit is € 285,42 per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende berekening. Het hof becijfert (bijlage IIA) het netto besteedbaar inkomen van de man, rekening houdend met de toepasselijke heffingskortingen, tot 1 december 2017 op € 2.600,- per maand;- met ingang van 1 december 2017:de man ontvangt geen kindgebonden budget meer voor [jongmeerderjarige] , het netto besteedbaar inkomen van de man bedraagt met ingang van 1 december 2017 € 2.315,- per maand (bijlage IIB) .
4.8.
Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw gaat het hof uit van de jaaropgaaf 2017 waaruit een fiscaal loon blijkt van € 16.909,-. (bijlage III). Het hof gaat voorts uit van een kindgebonden budget van € 4.547,- per jaar, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde definitieve berekening toeslagen 2017. Voorts gaat het hof uit van de toepasselijke heffingskortingen, waaronder (gelet op de leeftijd van het op [datum 2] 2010 geboren kind van de vrouw) de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de vrouw (bijlage III) op € 1.788,- netto per maand.
4.9.
Gelet op voorgaande netto besteedbaar inkomen van de man berekent het hof de draagkracht van de man conform de toepasselijke draagkrachtformule als volgt: - voor de periode van 1 juli 2017 tot 1 december 2017: 70% [€ 2.600 – (0,3 x € 2.600,- + € 905)] = € 640,- per maand;- met ingang van 1 december 2017:
70% [€ 2.315 – (0,3 x € 2.315,- + € 905)] = € 500,85,- per maand.Gelet op het voorgaande netto besteedbaar inkomen van de vrouw – dat lager is dan dat van de man – berekent het hof de draagkracht van de vrouw conform de toepasselijke draagkrachtformule als volgt: 70% [€ 1.788,- NBI – (0,3 x € 1.788,- + € 905,-)] = € 242,62 per maand.Het hof verdeelt de draagkracht van de vrouw, bij gebrek aan nadere gegevens, naar redelijkheid en billijkheid gelijkelijk over haar twee kinderen, zodat voor de [jongmeerderjarige] een draagkracht resteert van afgerond € 121,31 per maand.
Bijdrage van de man in de kosten van [jongmeerderjarige]

4.10.
Nu partijen tezamen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [jongmeerderjarige] te voorzien, dient de draagkracht van partijen te worden vergeleken, uit welke vergelijking volgt dat de man in beginsel met ingang van 1 juli 2017 dient bij te dragen in de kosten van [jongmeerderjarige] met een bedrag als volgt: - voor de periode van 1 juli 2017 tot 1 december 2017: (€ 640,- : (€ 640,- + € 121,31) x € 532,47 = € 447,62 per maand. - met ingang van 1 december tot 1 januari 2018:
( 500,85 : (€ 500,85 + € 121,31) x € 532,47 = € 428,65 per maand.Ingevolge de wettelijke indexering betreft het met ingang van 1 januari 2018 een bedrag van € 435,08 per maand. Dit betekent dat de man over de maand januari 2018 (tot de 27ste) een bedrag verschuldigd is van € 364,90.
4.10.1.
Tussen partijen is in geschil of, en zo ja in hoeverre de man vanaf 1 juli 2017 aan zijn onderhoudsverplichting jegens [jongmeerderjarige] heeft voldaan.
4.10.2.
Uit de door de man na de mondelinge behandeling overgelegde productie 16 en zijn toelichting daarop (zie journaalbericht van 23 mei 2019, ingekomen op 24 mei 2019), acht het hof het redelijk om uit te gaan van betalingen van de man aan [jongmeerderjarige] als volgt:- betreffende de maand juli 2017 ad € 250,-;- betreffende de maand augustus 2017 ad € 200,-;- betreffende de maand september 2017 ad € 200,-;- betreffende de maand oktober 2017 ad € 50,-,
totaal ad € 700,-.Het hof acht voldoende aannemelijk dat de overboekingen zijn gedaan vanuit de bankrekening van de man. Dat de overboekingen, zoals de vrouw heeft gesteld, afkomstig zouden zijn van een rekening van [jongmeerderjarige] zelf - [jongmeerderjarige] heeft zo blijkt uit de door de vrouw overgelegde productie XXIV ook een spaarrekening op haar naam - is uit de transacties op die spaarrekening over de periode van 1 juli 2017 tot 1 januari 2018, niet gebleken.De man heeft in het betreffende journaalbericht voorts toegelicht dat het bijdragen betrof voor kosten van [jongmeerderjarige] ten behoeve van de bus, kleding en diverse zaken, hetgeen de vrouw niet heeft betwist. Nu het kosten betreft die gewoonlijk uit de kinderalimentatie worden bekostigd, acht het hof het redelijk en billijk dat de voormelde betalingen op de door de man aan de vrouw verschuldigde kinderalimentatie in mindering worden gebracht. De man heeft ter mondelinge behandeling voorts nog verklaard dat hij reeds vanaf juli 2016 geld overboekte naar de rekening van [jongmeerderjarige] , ter bestrijding van de kosten, onder meer van een busabonnement. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij daar aanvankelijk geen weet van had, doch dat zij daar een half jaar later (toen de schuldsaneringsregeling nog op de vrouw van toepassing was) wel vanaf wist. De man heeft ten slotte ter mondelinge behandeling verklaard dat hij met ingang van 1 oktober 2017 de kinderalimentatie van € 181,38 per maand heeft betaald die de rechtbank bij de bestreden beschikking heeft vastgesteld, hetgeen de vrouw ter zitting heeft erkend. Het hof gaat ervan uit dat de man tot 1 februari 2018 een bedrag heeft voldaan van 4 x € 181,38 = € 725,52.
4.10.3.
Gelet op het voorgaande gaat het hof ervan uit dat de man over de periode van 1 juli 2017 tot [geboortedatum] 2018 in totaal een bijdrage heeft voldaan van € 700,- + € 725,52 = € 1.425,52.Nu de man over de periode van 1 juli 2017 tot [geboortedatum] 2018 een bijdrage verschuldigd is van (5 x € 447,62) + € 428,65 + € 364,90 = € 3.031,65, resteert een door de man te betalen bijdrage over de periode van 1 juli 2017 tot [geboortedatum] 2018 van € 3.031,65 - € 1.425,25 = totaal € 1.606,13. Mede gelet op het feit dat de man, zoals hij onweersproken ter zitting heeft gesteld, kosten voor [jongmeerderjarige] in verband met het begeleid wonen heeft voldaan in welke kosten de vrouw niet heeft bijgedragen, en de vrouw op dit moment feitelijk geen kosten voor [jongmeerderjarige] ter zake haar minderjarigheid meer heeft, acht het hof het redelijk en billijk dat de door de man aan de vrouw te betalen achterstallige kinderalimentatie wordt betaald in termijnen van € 150,- per maand.
Proceskosten

4.11.
Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is in soortgelijke zaken en zal de proceskosten compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.
4.12.
Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
beslissing

5


Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek voor zover het de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [jongmeerderjarige] betreft;

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 24 oktober 2017, uitsluitend voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [jongmeerderjarige] ,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:- [jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,over de periode van 1 juli 2017 tot [geboortedatum] 2018 een bedrag dient te voldoen van totaal € 1.606,13, te voldoen in termijnen van € 150,- per maand, ingaande de eerste maand volgende op heden;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en M.A. Ossentjuk bijgestaan door de griffier, en is op 15 augustus 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.