Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3022

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3022, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.237.041_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.237.041/01

arrest van 13 augustus 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHSHE:2019:3022:DOC
nl

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.237.041/01

arrest van 13 augustus 2019

in de zaak van

1

2. [appellante] ,

beiden wonende te [woonplaats] , appellanten,advocaat: mr. G.D. Bosman te Veldhoven,
tegen:

Gemeente Bergen

zetelende te Bergen,geïntimeerde, advocaat: mr. R.L.J. Reijnen te Geleen,
op het bij exploot van dagvaarding van 3 april 2018 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 14 maart 2018 tussen appellanten - in enkelvoud: [appellant] - als eisers en geïntimeerde - de Gemeente - als gedaagde.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2

- de dagvaarding in hoger beroep van 3 april 2018 met een productie;- de memorie van grieven van [appellant] van 24 juli 2018;- de memorie van antwoord van de Gemeente van 4 september 2018;- de akte van [appellant] van 16 oktober 2018;- de antwoordakte van de Gemeente van 13 november 2018.Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

3

3.1
De vaststelling van de feiten in het vonnis van 14 maart 2018 onder 2. is niet bestreden, zodat ook het hof in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met aanduiding van partijen als hiervoor vermeld:
‘219. (963) De erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van de kavels [kavel 1] en [kavel 2] , als heersende erven, en ten laste van kavel [kavel 3] , als lijdend erf, welke erfdienstbaarheid kan worden uitgeoefend over de volle breedte van het lijdend erf;’

loweralpha

[appellant] heeft op 3 juni 2015 een woonboerderij met stal, ondergrond, erf en tuin aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend Bergen, Limburg , sectie [sectie] , nr. [nr. 1] gekocht en geleverd gekregen. Dit perceel is vanaf de openbare weg bereikbaar via een zandpad.

In de leveringsakte van de onroerende zaak is een erfdienstbaarheid vastgelegd die luidt als volgt:

Kavelnummer [kavel 1] is blijkens de akte van ruilverkaveling van 4 december 1981 omgenummerd naar sectie [sectie] , nr. [nr. 1] , zijnde het perceel van [appellant] . Kavelnummer [kavel 3] omvat de huidige percelen sectie [sectie] , nrs. [nr. 2] en [nr. 3] en is eigendom van de Gemeente. Het zandpad ligt op deze percelen van de Gemeente. Uit de ruilverkavelingsakte blijkt dat de hiervoor genoemde erfdienstbaarheid (die kennelijk al eerder was gevestigd) werd gehandhaafd. Het zandpad wordt (met name) gebruikt door [appellant] , door een agrariër die ook een erfdienstbaarheid heeft en door een agrariër die geen erfdienstbaarheid op het betreffende perceel heeft. De agrariërs maken gebruik van de weg met zware landbouwvoertuigen waardoor gaten in het zandpad ontstaan. [appellant] heeft de Gemeente meerdere malen gevraagd onderhoud te plegen aan het zandpad. De Gemeente weigert dit.
3.2
Bij dagvaarding van 17 januari 2017 heeft [appellant] de onderhavige procedure tegen de Gemeente aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [appellant] dat de Gemeente als eigenaar van het dienende erf het zandpad, ook wel aangeduid als de weg, dient te onderhouden, zodat [appellant] op een normale wijze gebruik kan maken van de erfdienstbaarheid. Aangezien de Gemeente ondanks verschillende verzoeken daartoe weigert de weg te onderhouden vordert [appellant] , samengevat, veroordeling van Gemeente om de weg te herstellen en hersteld te houden door een aantal door [appellant] nader omschreven maatregelen, op verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten met nakosten en rente.
3.3
De Gemeente heeft de vordering van [appellant] bestreden. De Gemeente voert aan dat [appellant] op grond van artikel 5:75 lid 1 BW bevoegd is op zijn kosten op het dienende erf te verrichten wat noodzakelijk is voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid waartoe hij gerechtigd is en dat er geen wettelijke of contractuele grond is voor een onderhoudsplicht van de Gemeente.
3.4
De rechtbank heeft in het vonnis van 14 maart 2018, na een samenvatting van de standpunten van partijen (r.o. 4.1), de inhoud van de relevante wettelijke bepalingen en het uitgangspunt voor de uitleg van de vestigingsakte weergegeven en vastgesteld dat de hiervoor in 3.1 onder b) weergegeven bepaling de enige omschrijving van de erfdienstbaarheid bevat (r.o. 4.2 - 4.4). De stelling van [appellant] dat de Gemeente voor het onderhoud van de weg dient zorg te dragen omdat de erfdienstbaarheid anders vanwege de kuilen en gaten in de weg niet goed is te gebruiken, is door de rechtbank verworpen op de grond dat voor het aannemen van een dergelijke onderhoudsverplichting, als onderdeel van de erfdienstbaarheid, geen grond aanwezig is (r.o. 4.5 - 4.6). Naar het oordeel van de rechtbank kan uit artikel 5:75 lid 3 BW, dat de eigenaar van het heersende erf verplicht het door hem op het dienende erf aangebrachte te onderhouden, anders dan [appellant] met een a contrario redenering voorstaat, niet worden afgeleid dat op de Gemeente als eigenaar van het dienende erf een onderhoudsverplichting rust (r.o. 4.7 - 4.9). De stelling dat op de Gemeente als overheidsinstelling in dit verband verplichtingen rusten, achtte de rechtbank ongegrond (r.o. 4.10). De rechtbank concludeerde tot afwijzing van de vordering van [appellant] (r.o. 4.11), zodat [appellant] in de proceskosten veroordeeld diende te worden (r.o. 4.12).
3.5
[appellant] heeft tegen het vonnis twee grieven aangevoerd. Grief 1 betreft het oordeel van de rechtbank in de rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.11. Grief 2 betreft de beslissing op de proceskosten in rechtsoverweging 4.12. De Gemeente heeft beide grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 14 maart 2018.
3.6
Kern van het geschil tussen partijen is de vraag of de Gemeente op grond van de erfdienstbaarheid gehouden is tot onderhoud van het zandpad dat vanaf de openbare weg naar het perceel van [appellant] voert. Bij het beantwoorden van deze vraag stelt het hof voorop dat de last die een erfdienstbaarheid op het dienende erf legt, bestaat in een verplichting om op, boven of onder dat erf iets te dulden of niet te doen (artikel 5:71 lid 1 BW). Op de hoofdregel dat het moet gaan om een dulden of niet doen, geldt (onder meer) de uitzondering dat de last ook kan bestaan in een verplichting tot onderhoud van het dienende erf of van gebouwen of werken die zich op het dienende erf bevinden (artikel 5:71 lid 2 en lid 3 BW). De inhoud van een erfdienstbaarheid en de wijze waarop deze wordt uitgeoefend, worden allereerst bepaald door de akte van vestiging, en voor zover in de akte regels daarvoor ontbreken, door de plaatselijke gewoonte.
3.7
Voor het antwoord op de vraag of de erfdienstbaarheid de Gemeente verplicht tot het verrichten van onderhoud, is dan ook allereerst van belang wat de akte van vestiging bepaalt. Tussen partijen is niet in geschil dat het hierbij gaat om de vermelding die hiervoor in 3.1 onder b) is weergegeven en dat van nadere vermeldingen of toelichtingen verder geen sprake is. Bij de uitleg van die akte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Het hof stelt vast dat in de akte van vestiging van de erfdienstbaarheid niets wordt vermeld over een verplichting tot onderhoud van het zandpad. Een erfdienstbaarheid van weg die over de volle breedte kan worden uitgeoefend, meer staat er niet over de inhoud van de erfdienstbaarheid; het woord onderhoud wordt niet genoemd. De akte biedt geen grond voor het aannemen van een onderhoudsverplichting aan de zijde van de Gemeente. Ook in een eventuele plaatselijke gewoonte is daarvoor geen grond te vinden; partijen hebben daarover in ieder geval niets aangevoerd. [appellant] heeft gesteld dat het hoogstwaarschijnlijk is dat de Gemeente het zandpad heeft aangelegd, maar de Gemeente heeft dat betwist. [appellant] heeft deze stelling niet nader toegelicht en een daarop gericht bewijsaanbod van [appellant] ontbreekt, zodat het hof daar niet vanuit gaat. Ook is gesteld noch gebleken dat de Gemeente in het verleden ten behoeve van rechtsvoorgangers van [appellant] ooit enig onderhoud aan het zandpad heeft verricht of dat die rechtsvoorgangers over het uitblijven daarvan hebben geklaagd. Wanneer derden die daartoe al dan niet gerechtigd zijn gebruik maken van het zandpad op een wijze die daaraan schade toebrengt en de begaanbaarheid ervan voor [appellant] vermindert, betekent dat niet dat de Gemeente door die schade niet te herstellen het gebruik van het zandpad door [appellant] belemmert. De Gemeente beschadigt het zandpad immers niet.
3.8
Artikel 5:75 lid 3 BW verplicht de eigenaar van het heersende erf het door hem op het dienende erf aangebrachte te onderhouden, voor zover dit in het belang van het dienende erf nodig is. [appellant] stelt zich op het standpunt dat het zandpad niet door hem maar door de Gemeente is aangebracht, zodat de onderhoudsverplichting niet op hem als eigenaar van het heersende erf rust maar, a contrario redenerend, op de Gemeente als eigenaar van het dienende erf. Het hof kan [appellant] in deze redenering niet volgen. De omstandigheid dat op hem als eigenaar van het heersende erf een bepaalde verplichting niet rust brengt niet mee dat een dergelijke verplichting dan zonder meer op de eigenaar van het dienende erf rust. Daarvoor biedt de parlementaire geschiedenis van deze bepaling in ieder geval geen aanknopingspunten (zie met name Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, M.v.A. II, blz. 267-270). Het hof deelt het oordeel van de rechtbank hierover.
3.9
Ook voor het overige kan het hof zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat op de Gemeente geen onderhoudsverplichting rust en dat voor de vordering van [appellant] geen grondslag is te vinden. Het hof sluit zich bij dat oordeel aan. In hoger beroep heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Bij deze stand van zaken bestaat voor bewijslevering geen aanleiding, zodat het bewijsaanbod van [appellant] als (verder) niet relevant wordt gepasseerd. Dit betekent dat grief 1 wordt verworpen. In het voetspoor daarvan geldt dat ook voor grief 2 die naast grief 1 geen zelfstandige betekenis heeft.
Conclusie

3.10
De conclusie is dat het vonnis van 14 maart 2018 zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.
4

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 14 maart 2018 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 726,= aan griffierecht en op € 1.611,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M. van Ham en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 augustus 2019.

griffier rolraadsheer