Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:3011

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:3011, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.262.038_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 8 augustus 2019Zaaknummer : 200.262.038/01Zaaknummer eerste aanleg : C/03/17/292 R
in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. G.M.O. Puddu te Sittard, gemeente Sittard- Geleen.

ECLI:NL:GHSHE:2019:3011:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 8 augustus 2019Zaaknummer : 200.262.038/01Zaaknummer eerste aanleg : C/03/17/292 R
in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. G.M.O. Puddu te Sittard, gemeente Sittard- Geleen.
1

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 25 juni 2019.

2

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juli 2019, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en hem in staat te stellen de schuldsaneringsregeling voort te zetten, zo begrijpt het hof.
2.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 juli 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:- [appellant] , bijgestaan door mr. Puddu.- mevrouw [de bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder;- mevrouw [de beschermingsbewindvoerder] van beschermingsbewindvoerder Bewindvoering Limburg, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.
2.3.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 juni 2019;- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 23 juli 2019;
overwegingen

3

3.1.
Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren per 1 augustus 2018 een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid zij ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over het gedane verzoek tot tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4021).
3.2.
Bij vonnis van 2 mei 2017 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.
3.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c, sub d en sub e Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 19 maart 2019 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan.
Aangezien er baten zijn voor uitdeling verkeert [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zodra de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, aldus de rechtbank.

3.4.
De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Op 16 januari 2018 heeft een verhoor plaatsgevonden bij de rechter-commissaris waarbij [appellant] nadrukkelijk op zijn verplichtingen is gewezen. Een eerdere voordracht van de bewindvoerder, welke ter zitting van 3 mei 2018 werd behandeld, werd ter zitting door de bewindvoerder ingetrokken omdat [appellant] verklaarde beschermingsbewind aan te vragen. [appellant] heeft in 2018 nogmaals een kans gekregen om de schuldsaneringsregeling op positieve wijze af te ronden. Deze kans heeft [appellant] niet gegrepen. Ondanks het inmiddels ingestelde beschermingsbewind is de regeling niet beter gaan verlopen en is de houding van [appellant] niet verbeterd. Informatie wordt niet gegeven en er ontstaan (voortdurend) nieuwe schulden. De passieve houding van [appellant] met betrekking tot de perikelen rond zijn arbeidsovereenkomst en de situatie met de auto, rekent de rechtbank hem aan. [appellant] neemt geen eigen initiatief, en wijst naar debeschermingsbewindvoerder en de advocaat als het gaat om het oplossen van de doorhem veroorzaakte problemen. Hoewel er betalingsregelingen getroffen zijn door debeschermingsbewindvoerder ten aanzien van de nieuwe schulden, kunnen deze niet worden voldaan binnen de duur van de schuldsaneringsregeling, zelfs niet als deze met de maximale termijn wordt verlengd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voortzetting van de schuldsaneringsregeling - ook bij verlenging van de regeling - niet kan leiden tot beëindiging van de regeling met schone lei, en er mitsdien geen reden is om [appellant] nog een nieuwe kans te bieden; aldus de rechtbank.
3.5.
[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De voordracht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is onvoldoende onderbouwd (grief 1). Niet is duidelijk hoe [appellant] tekort geschoten is in de informatieplicht en het nakomen van afspraken. Daarbij dient opgemerkt te worden dat [appellant] laag opgeleid is en vanwege zijn geestelijke toestand een wao-uitkering van het UWV ontvangt. [appellant] heeft moeite met de administratie en kan niet de consequenties overzien van het beweerdelijk niet voldoen aan de regels van de schuldsaneringsregeling. [appellant] snapt niet hoe het bedrag van € 2.167,29 aan drie nieuwe schulden tot stand is gekomen. [appellant] heeft geen auto verkocht aan [derde] (grief 2 en grief 3 en gedeeltelijk grief 5), maar enkel de auto tijdelijk op zijn eigen naam laten stellen omdat [derde] geen legitimatiebewijs bij zich had toen deze de auto wilde kopen. [appellant] heeft een advocaat in de arm genomen teneinde [derde] aan te spreken voor door [derde] op naam van [appellant] veroorzaakte kosten van motorrijtuigenbelasting, verzekering en boetes. Het op de eigen naam stellen van de auto is onhandig, maar niet verwijtbaar. Bovendien is de auto reeds in februari 2017 op naam van [appellant] gesteld en daarmee heeft dit plaats gevonden vóór de toelating tot de schuldsaneringsregeling. De schulden die voortkomen uit het op naam stellen van de auto waren ten tijde van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling bekend bij de rechter dan wel bij de bewindvoerder, althans hadden bekend kunnen zijn, aangezien het een schuld betreft die verband houdt met de gebruikelijk te raadplegen systemen. Tussentijdse beëindiging op deze grond is niet meer mogelijk (zie HR 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:3425, NJ 2008, 479). De bewindvoerder was bovendien op de hoogte van de met de tenaamstelling van de auto samenhangende schulden. Er kan derhalve geen sprake zijn van nieuwe schulden. In grief 4 komt [appellant] op tegen de constatering dat de boedelachterstand en de nieuwe schulden niet kunnen worden afgelost vóór het eind van de maximale termijn van de schuldsaneringsregeling. [appellant] heeft door het maken van overuren de boedel flink gespekt. Dat [appellant] vanwege zijn arbeidsongeschiktheid per eind 2018 geen overuren meer heeft kunnen werken, kan hem niet worden aangerekend. Ontslag of een beëindigingsmaatregel is niet aan de orde.Er is geen sprake van het (voortdurend) ontstaan van nieuwe schulden (grief 5). [appellant] is ook niet passief geweest: hij heeft een advocaat ingeschakeld om hem bij te staan in de kwestie rond het dreigende ontslag en de schulden die uit de tenaamstelling van de auto zijn ontstaan, aldus [appellant] .
Ter zitting is door en namens [appellant] vervolgens een toelichting gegeven op het beroepschrift.

3.6.
De bewindvoerder heeft in het verzoek tot tussentijdse beëindiging van 19 maart 2019 geschreven dat [appellant] haar niet of nauwelijks informeert en zijn afspraken niet nakomt. Daarnaast zijn er drie nieuwe schulden ad in totaal € 2.167,29 ontstaan, alsmede een boedelachterstand van € 3.798,90. Daarnaast is er een vermoeden van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. In het verslag van de bewindvoerder van 18 juli 2019 (nr. 4) meldt de bewindvoerder dat de boedelachterstand tot en met april 2019 inmiddels € 4.100,23 bedraagt. Maandelijks wordt hier € 50,- op afgelost.
3.7.
Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De nieuwe schuld aan het UWV van thans circa € 1.500,- staat nog open. De vordering van Reaal ad € 218,- zou van het vrij te laten deel van het vakantiegeld zijn betaald. De andere openstaande nieuwe schuld aan de Belastingdienst is door diezelfde Belastingdienst verrekend met een teruggave en bestaat dus niet meer. [appellant] heeft de helft van de opbrengst van de gemaakte overuren zelf mogen houden en de andere helft is naar de boedel gevloeid.Desgevraagd deelt de bewindvoerder mee dat zij een verlenging van de schuldsaneringsregeling niet als haalbaar ziet.
3.8.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting het volgende verklaard. In de boedel is flink gespaard. Aan verplichte boedelbijdrage wordt elke maand tenminste € 400,- afgedragen. Indien de wettelijke schuldsaneringsregeling nu reeds zou worden verlengd, dan zou de gehele bestaande schuldenlast, de nieuwe schulden voor zover nog niet afgelost, de boedelachterstand en het salaris van de bewindvoerder integraal betaald kunnen worden. Over juli 2019 is € 459,00 afgedragen aan de boedel. De financiële informatie wordt elke drie maanden aan de bewindvoerder verstrekt, hetgeen de bewindvoerder heeft bevestigd. Thans worden de maanden mei-juli 2019 klaargemaakt, aldus de beschermingsbewindvoerder.
3.9.
Het hof komt tot de volgende beoordeling.
3.9.1.
Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en/of d en/of f Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en/of het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden en/of het bekend worden van feiten en omstandigheden die op het tijdstip van het indienen van het verzoekschrift tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288 lid 1 en lid 2 Fw.
3.9.2.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat [appellant] in zijn verplichtingen tot nakoming van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen tekort is geschoten. Uit de diverse verslagen van de bewindvoerder blijkt dat de informatieverstrekking (financiële gegevens, gegevens over tenaamstelling van de auto waarin [derde] reed, gegevens over de werksituatie c.q. gezondheidssituatie) vanuit [appellant] vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling niet voldoende is geweest. In verband hiermee heeft er een verhoor bij de rechter-commissaris plaatsgevonden op 16 januari 2018. [appellant] was dus een gewaarschuwd man.Weliswaar is deze informatieverstrekking verbeterd sinds de onder beschermingsbewindstelling per 1 augustus 2018 omdat de beschermingsbewindvoerder de financiële informatie verstrekt, maar de bewindvoerder is nog immer (terecht) niet tevreden over de volledigheid van de informatie die haar door [appellant] wordt verstrekt.Daarnaast zijn er gedurende de schuldsaneringsregeling drie nieuwe schulden ontstaan, te weten schulden aan het UWV, aan Reaal en een aanslag Zorgtoeslag. Voorts is er ook een bovenmatige boedelachterstand ontstaan van circa € 4.100,-, als blijkend uit het door de bewindvoerder opgestelde overzicht.
3.9.3.
Daarnaast is het hof gebleken dat [appellant] een personenauto op zijn naam heeft gehad, welke personenauto volgens [appellant] toebehoorde aan de heer [derde] maar niet op diens naam stond. Niet is gebleken dat [appellant] dit gegeven heeft gemeld ten tijde van de toelatingszitting. In ieder geval heeft [appellant] nagelaten de bewindvoerder van deze situatie op de hoogte te stellen ten tijde van het huisbezoek aan het begin van de schuldsaneringsregeling, zo heeft de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep verklaard. Door de bewindvoerder bevraagd naar het bezit van enige auto, heeft [appellant] slechts ontkennend gereageerd en over de op zijn naam gestelde auto niets gezegd. Dit terwijl het destijds door [appellant] als een concreet probleem werd ervaren en hij –naar zijn zeggen- allerlei pogingen deed om [derde] te bereiken om de situatie te wijzigen. Dit terwijl [appellant] ook overigens bekend geacht mag worden met het feit dat het op naam hebben van auto’s ook (financiële) aansprakelijkheid met zich kan brengen zoals ten aanzien van verzekeringsplicht voor de auto, het tijdig laten keuren van de auto en het betalen van eventuele boetes voor verkeersovertredingen etc. Zelfs in het kader van een zogenaamde vriendendienst voor een buurman, zoals zijn handelen door en namens [appellant] is beschreven, dient het op zijn naam stellen van de auto voor zijn rekening en risico te komen. Deze financiële aansprakelijkheid heeft zich in deze zaak diverse malen voorgedaan en onder meer geleid tot de tijdens de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schulden. Het hof sluit niet uit dat, indien de rechtbank ten tijde van de toelatingszitting op de hoogte was geweest van de tenaamstelling van de auto – hetgeen niet is gebleken – [appellant] niet zou zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het hof wil er nog wel op wijzen dat, anders dan in het beroepschrift onder grief 2 is aangevoerd, het niet aan de rechter of de bewindvoerder is om bij de toelating tot (t.a.v. de rechter) of aanvang van (t.a.v. de bewindvoerder) de wettelijke schuldsaneringsregeling onderzoek te doen in de ‘gebruikelijk te raadplegen systemen’. Het is juist aan de aanvrager van de wettelijke schuldsaneringsregeling om alle relevante gegevens bij de toelatingszitting te vermelden dan wel bij het eerste contact met de bewindvoerder spontaan te melden.
3.9.4.
Vervolgens dient het hof (nader) te beoordelen of deze tekortkomingen in de nakoming van de wettelijke schuldsaneringsregeling [appellant] ook verwijtbaar zijn. Het hof vermag niet in te zien waarom deze niet verwijtbaar zouden zijn. Weliswaar is in het beroepschrift namens [appellant] aangevoerd dat [appellant] laag opgeleid is, dat hij vanwege zijn geestelijke toestand een wao-uitkering heeft, dat hij moeite heeft met administratie en niet de consequenties kan overzien van het beweerdelijk niet voldoen aan de regels van de schuldsaneringsregeling (zie grief 1). Maar er is niet onderbouwd door enig rapport van een deskundige, dat [appellant] in het geheel niet in staat is de consequenties van zijn handelen te overzien. Ook stukken over de door hem ontvangen uitkering zijn niet overgelegd. Bovendien beschikt het hof over enkele door [appellant] geschreven e-mailberichten die logisch, consistent en leesbaar zijn. Het hof verwerpt het verweer.
3.9.5.
In het voordeel van [appellant] dient te gelden de omstandigheid dat hij aan het begin van de schuldsaneringsregeling, vóórdat hij ziek uitviel, veel overuren heeft gemaakt waarvan de opbrengst voor de helft naar de boedel is gevloeid. De boedel is derhalve meer gespekt dan op grond van de arbeidsverplichting strikt genomen zou hebben gehoeven. Bovendien heeft [appellant] zijn nieuwe schulden voor een deel afgelost (al dan niet via verrekening), zodat deze gedeeltelijk niet meer bestaan. Daarnaast tracht de beschermingsbewindvoerder elke maand op de nieuwe schulden in te lopen met € 25,- per maand. Om die reden ziet het hof gronden om het voorstel van mevrouw [de beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder, te volgen, waarbij de periode van de schuldsaneringsregeling met de maximale duur van twee jaar wordt verlengd aansluitend aan de reguliere termijn, waarbij alle verplichtingen waaronder de afdrachtverplichting volledig gehandhaafd blijven. Volgens de berekening van de beschermingsbewindvoerder, welke berekening door het hof –ondanks het ontbreken van een concreet op papier gezet plan van aanpak-voorshands kan worden gevolgd. Immers geldt dat vooralsnog voldoende kans lijkt te bestaan dat, indien gedurende de resterende reguliere tijd en een maximale verlenging, derhalve gedurende circa 33 maanden, minimaal € 400,- per maand aan de boedel regulier wordt afgedragen, dit samen met hetgeen reeds in de boedel gespaard is, de verlenging ertoe zou kunnen leiden dat het totale bedrag aan bestaande schulden, de resterende nieuwe schulden, de boedelachterstand (voor zover alsdan nog relevant) en het salaris van de bewindvoerder (geheel) betaald zouden kunnen worden. Dit alles overigens zolang [appellant] een salaris geniet. Mogelijkerwijs is daarvoor zelfs minder tijd nodig. Mede in de omstandigheid dat deze mogelijkheid voordelig zou kunnen zijn voor de schuldeisers, die dan een integrale betaling tegemoet kunnen zien, ziet het hof aanleiding de termijn van de schuldsaneringsregeling, ondanks de vastgestelde toerekenbare tekortkoningen, maximaal te verlengen. Het hof heeft [appellant] , diens advocaat en de beschermingsbewindvoerder er uitdrukkelijk op gewezen dat, indien niet voldoende wordt gespaard, deze benadering/ ‘plan van aanpak’ met zich kan brengen dat aan het eind van de verlengde looptijd niet alles kan worden betaald, terwijl alsdan ook nog een boedelachterstand kan bestaan. Dit dan met alle risico’s van dien, waaronder het risico dat [appellant] eigen woning alsnog moet worden verkocht, indien alsdan in mei 2022 de verkoopwaarde van de woning per dat moment vermeerderd met de waarde van de spaarpolis per dat moment hoger is dan de vordering van de hypotheekhouder/bank per dat moment. Of [appellant] dit dan kan ondervangen met de afkoop van zijn pensioensparen- deposito, thans € 11.779,11 - waarvan het hof voorshands gemakshalve aanneemt dat dit op de voet van artikel 295 lid 6 jo. artikel 22a Fw buiten de boedel is gehouden - zoals de beschermingsbewindvoerder nog heeft geopperd zal alsdan, indien de nood aan de man komt, moeten worden bezien.
3.9.6.
Nu het hof reeds op grond van bovenstaande van oordeel is dat het verzoek tot verlenging kan worden gehonoreerd, behoeft hetgeen verder nog door [appellant] in zijn beroepschrift is aangevoerd geen bespreking meer.
3.10.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de termijn van de schuldsaneringsregeling voor de maximale duur verlengen, waarbij zal worden bepaald dat alle aan [appellant] opgelegde verplichtingen gehandhaafd blijven. Dit ziet uitdrukkelijk niet alleen op de afdrachtverplichting aan de boedel maar ook onder meer op de informatieplicht – als met de hulp van de beschermingsbewindvoerder mede uit te voeren – en de arbeidsplicht respectievelijk sollicitatieplicht.
4

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep.

en opnieuw rechtdoende:

wijst alsnog af het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van
[appellant]

verlengt de schuldsaneringsregeling met twee jaren tot en met 2 mei 2022;

bepaalt dat alle aan [appellant] opgelegde verplichtingen ook gedurende die verlenging gehandhaafd blijven;

wijst de zaak terug naar de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in verband met de voortzetting van de schuldsaneringsregeling;

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2019.