Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2404

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2404, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.248.687_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.248.687/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[accountants en belastingadviseurs] Accountants en Belastingadviseurs BV

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,advocaat: mr. T. de Jong te Amsterdam,
tegen

ECLI:NL:GHSHE:2019:2404:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team handelsrecht
zaaknummer 200.248.687/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[accountants en belastingadviseurs] Accountants en Belastingadviseurs BV

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,advocaat: mr. T. de Jong te Amsterdam,
tegen

1

2. ,3. ,
gevestigd/wonende te [vestigings-/woonplaats] ,geïntimeerden,niet verschenen,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2018 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg (kanton, locatie Roermond) gewezen vonnis van 20 juni 2018 tussen appellante – [appellante] – als eiseres en geïntimeerden – gezamenlijk [geïntimeerden] – als gedaagde.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2

- de dagvaarding in hoger beroep;- het op 30 oktober 2018 tegen geïntimeerden verleende verstek; - de memorie van grieven, met producties.Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

3

3.1.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.
loweralpha

[appellante] heeft als accountant en belastingadviseur werkzaamheden verricht voor [geïntimeerden] . Over de wijze waarop de werkzaamheden zijn uitgevoerd is tussen partijen een geschil ontstaan, als gevolg waarvan facturen van [appellante] door [geïntimeerden] onbetaald zijn gelaten. Partijen zijn uiteindelijk eind januari 2017 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) aangegaan.

Voorafgaand aan het sluiten van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen vanaf mei 2016 contact gehad, onder meer telefonisch en via Whatsapp.

[appellante] heeft in deze contacten (op 26 januari 2017) per Whatsapp onder meer laten weten dat [appellante] de fiscus op de hoogte zou brengen van “de achterstanden” indien [geïntimeerden] niets van zich zou laten horen.

[geïntimeerden] heeft in deze contacten onder meer laten weten:

[….]

De overeenkomst ziet dan ook alleen op de volgens jullie openstaande facturen ad € 30.627,87 en ziet dus niet op de (deugdelijkheid en juistheid van de) door jullie verrichte werkzaamheden en dienstverlening. Ik wil mij de rechten voorbehouden om jullie ter zake de door jullie verrichte werkzaamheden en diensten te kunnen (blijven) aanspreken.

Alleen omdat ik een procedure en een faillissementsaanvraag wil voorkomen, ben ik – om proces economische redenen – bereid om een gedeelte van de door jullie genoemde openstaande facturen te betalen. Daarmee wens ik echter geen enkel recht prijs te geven of te erkennen dat jullie voor mij deugdelijk werk hebben verricht. Integendeel

In de vaststellingsovereenkomst is, voor zover thans van belang, opgenomen:[ [geïntimeerden] , hof][ [appellante] , hof] [geïntimeerden] heeft niet aan de vaststellingsovereenkomst voldaan.
3.2.
[appellante] heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd [geïntimeerden] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan [appellante] te betalen:- € 13.518,34 ( inclusief incassokosten en rente tot 7 november 2017);- de wettelijke (handels)rente over € 12.000,00 vanaf 7 november 2017;- de kosten van het geding.
[appellante] legt daaraan samengevat ten grondslag dat zij werkzaamheden heeft verricht en dat partijen later de vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan. [geïntimeerden] moet deze overeenkomst nakomen, aldus [appellante] . [geïntimeerden] heeft tot verweer aangevoerd dat [geïntimeerden] de vaststellingsovereenkomst onder bedreiging is aangegaan. [appellante] zou volgens [geïntimeerden] het faillissement van [geïntimeerden] aanvragen indien [geïntimeerden] de vaststellingsovereenkomst niet zou tekenen. De overeenkomst is volgens [geïntimeerden] vernietigbaar. [geïntimeerden] verzoekt de overeenkomst te vernietigen.
3.3.
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis het door [appellante] gevorderde afgewezen.
3.4.
[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van het gevorderde. Zij heeft haar vordering in hoger beroep vermeerderd (rente over een langere periode is nu meegenomen in de gevorderde hoofdsom). [geïntimeerden] is in hoger beroep niet verschenen.
3.5.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.6.
Het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat zij de vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan en dat [geïntimeerden] dus (behoudens vernietiging) € 12.000,00 aan hoofdsom moet betalen aan [appellante] . Het geschil spitst zich toe op het beroep van [geïntimeerden] op bedreiging en in het verlengde daarvan op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst.
3.7.
[geïntimeerden] heeft ter toelichting van zijn beroep op bedreiging gesteld: (brief van 6 maart 2018 aan de kantonrechter). [geïntimeerden] heeft bij dupliek hieraan toegevoegd: [dhr [medewerker van appellante 2] ]
3.8.
[geïntimeerden] heeft ter toelichting onder meer de volgende stukken overgelegd:
-

a) een e-mail van [medewerker van appellante 2] van 25 januari 2017, waarin [medewerker van appellante 2] verzoekt de overeenkomst te tekenen en verder schrijft: (productie 2 bij dupliek);

b) een e-mail van [medewerker van appellante 2] van 17 november 2016 waarin staat: (productie 3 bij dupliek; zie ook productie 11 bij grieven);

c) een brief waarin [geïntimeerden] aan [appellante] laat weten bereid te zijn een gedeelte van de door [appellante] genoemde openstaande facturen te betalen (productie 3 bij antwoord, zoals geciteerd onder 3.1d);

d) een brief van (zijn nieuwe accountant) [nieuwe accountant van geintimeerden] AA van 8 mei 2018 waarin staat dat [appellante] fouten heeft gemaakt en dat [geïntimeerden] (productie 5 bij dupliek);

e) een e-mail van R.J.H.M. Crombaghs (advocaat) van 5 januari 2017 waarin staat dat die overleg heeft gehad met [nieuwe accountant van geintimeerden] (hiervoor genoemd) en dat zij beide negatief staan tegenover een schikking met [appellante] tegen finale kwijting over en weer, want “”.

3.9.
[appellante] heeft enkele apps overgelegd waarin [appellante] kort samengevat aandringt op een reactie op het schikkingsvoorstel (producties 7-13 bij memorie van grieven).
3.10.
[appellante] betwist niet in januari 2017 aan [geïntimeerden] te hebben bericht dat incassomaatregelen konden (en later zouden) worden genomen of een faillissementsaanvraag te hebben genoemd. Maar dit stond in het teken van regulier zakelijk overleg onder de omstandigheden, aldus [appellante] . [appellante] wijst er in het bijzonder op dat zij sinds mei 2016 overleg heeft gevoerd met [geïntimeerden] over een ‘fatsoenlijke’ oplossing voor hun geschil, dat [geïntimeerden] afspraken tenminste vijfmaal heeft afgezegd en dat zij [geïntimeerden] na het sluiten van de overeenkomst tot en met juni 2017 heeft herinnerd inzake betaling van het overeengekomen bedrag, waarop geen of ontwijkende antwoorden werden ontvangen. Ook wijst [appellante] erop dat de Belastingdienst een hoge naheffingsaanslag aan [geïntimeerden] heeft opgelegd welke door [geïntimeerden] onbetaald is gelaten en dat de Belastingdienst in januari 2017 inlichtingen heeft gevorderd over de vraag of [appellante] openstaande vorderingen op [geïntimeerden] had. [appellante] moest meewerken aan dit fiscale onderzoek en zij heeft [geïntimeerden] daarover en over de gevolgen daarvan ingelicht, zo voert [appellante] aan. Daarom is volgens haar geen sprake van bedreiging.
3.11.
Het hof neemt in aanmerking dat bedreiging aanwezig is, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door onrechtmatig deze of een derde met enig nadeel in persoon of goed te bedreigen, en dat de bedreiging zodanig moet zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed (art. 3:44 lid 2 BW).
3.12.
Het hof is van oordeel dat het beroep van [geïntimeerden] op bedreiging tegenover de betwisting door [appellante] niet voldoende is onderbouwd. De hiervoor aangehaalde uitlatingen van ( [medewerker van appellante 1] en [medewerker van appellante 2] namens) [appellante] zijn (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) geenszins onrechtmatig tegen de achtergrond van het tijdsverloop en de fiscale maatregelen in januari 2017, die [appellante] onweersproken naar voren heeft gebracht. Het lag immers voor de hand dat [appellante] , als accountant van [geïntimeerden] en als (beweerdelijke) schuldeiser, [geïntimeerden] duidelijk informeerde over de fiscale maatregelen en over de gevolgen (incassomaatregelen, faillissementsaanvraag, het verstrekken van inlichtingen aan de fiscus over achterstanden) die zouden intreden indien [geïntimeerden] geen overeenstemming zou bereiken met [appellante] inzake de openstaande facturen. Uit de stellingen van [geïntimeerden] kan niet worden afgeleid dat [appellante] [geïntimeerden] op onrechtmatige wijze onder druk heeft gezet of tot het aangaan van de vaststellingsovereenkomst heeft bewogen.
3.13.
De stellingen zijn ook onvoldoende voor de conclusie dat [geïntimeerden] bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen. Het overleg over het geschil tussen partijen en de vaststellingsovereenkomst, zoals blijkt uit de door beide partijen overgelegde correspondentie, heeft meerdere maanden geduurd. [geïntimeerden] heeft daarmee voldoende tijd gehad voor beraad en een bewuste keuze. Van belang is daarbij dat de concept vaststellingsovereenkomst (zoals blijkt uit de producties van [geïntimeerden] ) door [geïntimeerden] is voorgelegd aan een advocaat en dat hij, zoals blijkt uit zijn brief geciteerd onder 3.1 d, concrete voorstellen heeft gedaan tot aanpassing van de vaststellingsovereenkomst. Dat [geïntimeerden] vervolgens de keuze heeft gemaakt, wellicht mede ingegeven door zijn financiële situatie op dat moment, om de vaststellingsovereenkomst te tekenen, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat hij bij het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet in vrijheid zijn wil heeft kunnen bepalen.
3.14.
Het voorgaande zou anders kunnen zijn indien [appellante] op ongeoorloofde wijze het faillissement van [geïntimeerden] zou hebben veroorzaakt om hem klem te zetten en vervolgens van die situatie gebruik te maken. Daartoe zijn de stellingen van [geïntimeerden] echter, gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellante] , onvoldoende onderbouwd zodat een dergelijk geval in dit geding niet aan de orde is.
3.15.
Het hof verwerpt daarom het beroep van [geïntimeerden] op bedreiging. [geïntimeerden] heeft geen ander verweer gevoerd.
3.16.
De conclusie van het voorgaande is dat de grieven slagen. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vordering moet alsnog worden toegewezen.
3.17.
De wettelijke rente is zoals gevorderd verschuldigd over de hoofdsom van € 12.000,00 en de buitengerechtelijke incassokosten van € 895,00 (die op zichzelf als niet of onvoldoende weersproken toewijsbaar zijn). [appellante] heeft de verschuldigde rente onweersproken begroot op € 1.476,98 over zowel de hoofdsom van € 12.000,00 als de buitengerechtelijke incassokosten van € 895,00, vanaf 15 maart 2017 tot 13 september 2018. De toe te wijzen hoofdsom komt daarmee in totaal op € 12.000,00 + € 895,00 + 1.476,98 = € 14.371,98. De wettelijke rente is daarnaast verschuldigd over de hoofdsom vanaf 13 september 2018 tot de dag van betaling.
3.18.
[geïntimeerden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.
4

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk tot betaling van € 14.371,98 aan [appellante] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 september 2018 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 93,12 aan dagvaardingskosten, op € 939,00 aan griffierecht en op € 720,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 88,93 aan dagvaardingskosten, op € 1.978,00 aan griffierecht en op € 1.074,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, L.S. Frakes en E.M.C. Mommers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer