Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2399

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 10-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2399, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.231.414_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.231.414(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, civiele kantonzaken, zittingsplaats Middelburg 6186957)
arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[de vennootschap]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: [appellante] ,advocaat: mr. F.T. Hiemstra,
tegen:

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres,hierna: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. B.H. Vader.

ECLI:NL:GHSHE:2019:2399:DOC
nl

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer gerechtshof 200.231.414(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant, civiele kantonzaken, zittingsplaats Middelburg 6186957)
arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[de vennootschap]

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: [appellante] ,advocaat: mr. F.T. Hiemstra,
tegen:

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,in eerste aanleg: eiseres,hierna: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. B.H. Vader.
1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 2 augustus 2017 en 22 november 2017 die de kantonrechter (rechtbank Zeeland-West-Brabant, sector kanton, locatie Middelburg) heeft gewezen.
2

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:- de dagvaarding in hoger beroep van 29 december 2017 met grieven,- de memorie van antwoord (met producties),- een akte met productie van [appellante] ,- een antwoordakte van [geïntimeerde] .
2.2
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
2.3
[appellante] vordert in het hoger beroep – samengevat – vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] .
3

3.1.
Op 20 februari 2012 is opgericht de [de vof] te [vestigingsplaats] (hierna: [de vof] ) met als vennoten [appellante] en [de levenspartner van geintimeerde] (hierna: [de levenspartner van geintimeerde] ). [de levenspartner van geintimeerde] is de levenspartner van [geïntimeerde] .
3.2.
Artikel 6 lid 2 van de vennootschapsakte luidt als volgt:
“Artikel 6: Bevoegdheid

(…)

Lid 2: De medewerking van beide vennoten wordt echter gevorderd voor;

(…)

c: het in dienst nemen en het ontslaan van personeel, anders dan wegens een dringende reden in de zin der wet, alsmede het verlenen en intrekken van procuratie; (…)”

3.3.
[geïntimeerde] heeft werkzaamheden uitgevoerd bij [de vof] . Op 22 september 2016 heeft [geïntimeerde] met onmiddellijke ingang ontslag genomen bij [de vof] .
3.4.
[de levenspartner van geintimeerde] heeft op 23 september 2016 met onmiddellijke ingang de ontbinding van de vennootschap onder firma [de vof] ingeroepen.
beslissing

4

4.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van haar overuren, deze zijn voor € 35.041,42 niet betaald. [appellante] heeft na de ontbinding [de vof] feitelijk voortgezet en is aldus gehouden tot betaling van deze overuren.
4.2
De kantonrechter heeft bij vonnis van 22 november 2017 de vorderingen toegewezen en daartoe als volgt overwogen. De stelling dat overuren onbetaald zijn gebleven heeft [appellante] onvoldoende weersproken. Op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel zijn vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor schulden van de vennootschap onder firma. De vordering is dan ook toegewezen.
beslissing

5

5.1.
Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat door beide partijen stukken in het geding zijn gebracht die zien op de geschillen met en/of tussen de vennoten van [de vof] . De onderhavige procedure betreft een geschil tussen [appellante] , als een van de vennoten van [de vof] , en een derde, [geïntimeerde] . Het hof zal zich bij de beoordeling van deze zaak dan ook beperken tot het geschil tussen [geïntimeerde] en [de vof] .
5.2.
[geïntimeerde] vordert, kort gezegd, betaling van door haar gewerkte overuren. Zij stelt dat aan de door haar uitgevoerde werkzaamheden een arbeidsovereenkomst ten grondslag ligt. Het meest verstrekkende verweer van [appellante] is dat sprake is van een achteraf geconstrueerde vordering die als wraakactie is ingediend. De in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst is niet ondertekend en bevat fouten. Als er al een dienstverband zou bestaan, dan is die arbeidsovereenkomst door [de levenspartner van geintimeerde] onbevoegd, want in strijd met artikel 6 lid 2 sub c van de vennootschapsakte, aangegaan aldus [appellante] .
5.3.
Het hof oordeelt als volgt. Met [appellante] constateert het hof dat de als productie 5 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte arbeidsovereenkomst niet is ondertekend. Door [appellante] is echter niet met kracht van argumenten betwist dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht voor [de vof] waarvoor zij ook loon heeft ontvangen. Daarmee is reeds sprake van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW. [appellante] betoogt dat [de levenspartner van geintimeerde] op grond van artikel 6 van het vof-contract (vgl. rov. 3.2) niet bevoegd was om zonder toestemming van [naam] de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde] aan te gaan, hetgeen op zichzelf juist is. Uit de overgelegde stukken blijkt echter dat [geïntimeerde] vanaf 1 augustus 2014 werkzaamheden verrichtte voor [de vof] , en [appellante] moet in de persoon van [naam] geruime tijd voorafgaand aan deze procedure op de hoogte zijn geweest van het feit dat [geïntimeerde] op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte voor [de vof] . Dat [naam] daarvan ook daadwerkelijk op de hoogte was blijkt uit de erkenning onder 25 bij dagvaarding in hoger beroep. Er is niet gebleken van enige actie van [appellante] in de richting van [geïntimeerde] in verband met de onbevoegd namens [de vof] door [de levenspartner van geintimeerde] aangegane arbeidsovereenkomst. Aldus mocht [geïntimeerde] er op vertrouwen dat sprake was van een rechtsgeldige arbeidsovereenkomst met [de vof] en dient de omstandigheid dat [de levenspartner van geintimeerde] onbevoegd de arbeidsovereenkomst is aangegaan namens de vof voor risico van de vennoten van [de vof] te blijven, zodat het verweer van [appellante] op dit punt faalt.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [de vof] . [geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat deze overeenkomst was aangegaan voor 15,5 uur per week tegen een netto uurloon van € 9,88. Hoewel in de ongetekende arbeidsovereenkomst is opgenomen dat [geïntimeerde] een fulltime (38 uur) dienstverband heeft gaat het hof uit van de door [geïntimeerde] gestelde 15,5 uur. Dit lijkt ook aan te sluiten bij het in de arbeidsovereenkomst opgenomen bruto maandsalaris van € 671,00. Uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte overzichten leidt het hof af dat het dienstverband van [geïntimeerde] vanaf januari 2016 25 uur per week is gaan bedragen. Weliswaar noemt [geïntimeerde] dat zij 38 uren per week is gaan werken, maar dit komt niet overeen met het daaronder genoemde aantal van 108,33 per periode. Het hof gaat uit van de juistheid van 108,33 uren per maand, dit betekent 25 uren per week.
5.5.
Door [appellante] is niet voldoende (gemotiveerd) betwist dat als komt vast te staan dat [geïntimeerde] overuren heeft gewerkt, deze uitbetaald moeten worden. [appellante] betwist wel de omvang van de door [geïntimeerde] gestelde overuren. [geïntimeerde] heeft als productie 4 bij dagvaarding een lijst met door haar gewerkte (over)uren in het geding gebracht en als productie 6 bij dagvaarding een overzicht van de overuren in de jaren 2014, 2015 en 2016. [appellante] betwist dat dit overzicht een deugdelijke onderbouwing van de vordering van [geïntimeerde] is. Het hof gaat uit van de juistheid van de door [geïntimeerde] in het geding gebracht overzichten van de gemaakte overuren, aangezien [appellante] haar betwisting van het door [geïntimeerde] genoemde aantal uren op geen enkele wijze motiveert of onderbouwt, bijvoorbeeld door daarvan een deugdelijke vorm van registratie bij te houden of over te leggen. Het komt voor haar rekening dat zij, als vennoot van de vof, werkgever van [geïntimeerde] , dat niet heeft gedaan dan wel daarop niet heeft toegezien.Door [geïntimeerde] is onweersproken gesteld dat zij per gewerkte week 3,648 uren verlof opbouwde.
5.6.
Het hof neemt dan ook tot uitgangspunt dat [geïntimeerde] de volgende overuren heeft gewerkt en daarbij de volgende verlofuren heeft opgebouwd:
3

colA

colB

colC

Jaar

Overuren

Opgebouwd verlofuren

2014

1088,15

32,24

2015

2297,46

77,38

2016

1487,28

93,60

Totaal

4872,89

203,22

Uit dit overzicht volgt een totaal van 5.076,11 aan uren (4.872,89 overuren + 203,22 opgebouwde verlofuren). In de arbeidsovereenkomst is een maandsalaris van € 671,96 bruto per maand opgenomen. Dit komt bij een werkweek van 15 uren neer op een bruto-uurloon van € 10,34 (671,96 * 12 = 8.063,52 per jaar, = 155,07 per week, = € 10,34 per uur).

5.7.
Op basis van de in het voorgaande vastgestelde cijfers komt het hof tot een bruto bedrag van € 52,486,98 (5.076,11 * 10,34).
5.8.
In de berekening die als productie 6 door [geïntimeerde] is overgelegd komt zij uit op een bruto bedrag van € 66.722,55, hetgeen volgens diezelfde berekening neerkomt op een netto bedrag van € 35.041,42. Uit het voorgaande volgt dat het hof uitkomt op een lager bruto bedrag dan in deze berekening is opgenomen. Het hof zal [appellante] dan ook veroordelen tot betaling van het netto equivalent van € 52.486,98. Door [geïntimeerde] is een netto bedrag gevorderd, het hof zal de veroordeling tot betaling dan ook maximeren tot dat bedrag, indien het netto equivalent van € 52.486,98 bruto hoger mocht zijn.
5.9.
Dat de overuren niet zijn opgenomen in de (concept) jaarrekening en/of zijn besproken met de accountant betreft een discussie tussen (de vennoten van) [de vof] en de accountant en deze kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen, omdat zij niet betrokken is bij het opstellen van de jaarrekening en/of de besprekingen met de accountant. Voorgaande heeft ook te gelden voor het verweer van [appellante] dat zij geen inzicht had in de banktransacties van [de vof] . Dit kan niet aan [geïntimeerde] worden tegengeworpen nu het niet inzien van de banktransacties van [de vof] voor rekening en risico van [appellante] moet komen. Ten slotte is gesteld noch gebleken dat de vordering van [geïntimeerde] is verjaard, het staat haar vrij eerst in 2017 aanspraak te maken op uitbetaling van haar overuren.
5.10.
Ingevolge artikel 18 WvK is, zoals ook de kantonrechter tot terecht niet bestreden uitgangspunt heeft genomen (vonnis van 22 november 2017 rov. 6), iedere vennoot van de v.o.f. hoofdelijk verbonden voor de verbintenissen van de vennootschap. In het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat tussen [de vof] en [geïntimeerde] een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, alsmede dat [geïntimeerde] recht heeft op uitbetaling van door haar gemaakte overuren te vermeerderen met daarover opgebouwde verlofuren. Het hof zal [appellante] als vennoot van [de vof] dan ook veroordelen tot betaling van de in het voorgaande vastgestelde bedragen aan [geïntimeerde] .
beslissing

6

- griffierecht € 716,00 - salaris advocaat € 1.391,00 (1 punt x tarief III)
De grief slaagt voor zover het de hoogte van de toegewezen vordering betreft. Het bestreden vonnis zal voor de duidelijkheid geheel worden vernietigd.

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] ook in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde] zal het hof op gelijke wijze vaststellen als de kantonrechter dat heeft gedaan. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:
beslissing

7

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter te Middelburg (rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg) van 22 november 2017 en doet opnieuw recht;

veroordeelt [appellante] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] te betalen de netto equivalent van € 52.486,98 bruto, welk equivalent maximaal € 35.041,42 zal zijn, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juli 2017 tot aan de dag der betaling;

veroordeelt [appellante] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 572,10 voor verschotten en op € 800,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 716,00 voor verschotten en op € 1.391,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, R.A. van der Pol en J.G.J. Rinkes, is ondertekend door de rolraadsheer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer