Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2381

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2381, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.224.472_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.224.472/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J.A. Bloo te Venlo,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/222387/HA ZA 16-359 gewezen vonnis van 21 juni 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:2381:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.224.472/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. G.J.M. Philipsen te Eindhoven,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J.A. Bloo te Venlo,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 9 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer C/03/222387/HA ZA 16-359 gewezen vonnis van 21 juni 2017.

5

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

-

het tussenarrest van 9 oktober 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

het proces-verbaal van pleidooi van 30 april 2019;

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van het volgende.a. a) [appellant] is op 1 september 2003 als vertegenwoordiger in dienst getreden van [de vennootschap 1] (hierna: [de vennootschap 1] ). [geïntimeerde] was enig bestuurder van [de vennootschap 1] . b) Bij [de vennootschap 1] waren toentertijd ongeveer 70 personeelsleden in dienst. [de vennootschap 1] functioneerde als personeels-vennootschap: zij leende werknemers uit aan andere vennootschappen binnen de onderneming. De onderneming was gericht op - kort gezegd - het ontwerpen, maken en verkopen van meubels. c) De onderneming bestond naast [de vennootschap 1] uit [Group] B.V, waarvan [geïntimeerde] eveneens bestuurder was. Deze laatste vennootschap was 100% aandeelhouder van [de vennootschap 1] . [geïntimeerde] hield 75% van de aandelen in [Group] en [aandeelhouder] hield 25% van die aandelen.d) Op 30 april 2014 heeft de AVA van [Group] een besluit genomen over de herstructurering van de groep.e) Op 29 december 2014 heeft de AVA van [de vennootschap 1] besloten tot uitkering aan de aandeelhouder ( [Group] ) van een bedrag van € 244.986 ten titel van interim-dividend. Uitvoering van dit besluit heeft plaatsgevonden op dezelfde dag door verrekening van de interim-dividenduitkering met de schuld die de aandeelhouder ( [Group] ) in rekening-courant had aan [de vennootschap 1] .f) Op 26 januari 2015 is [appellant] op staande voet ontslagen door [geïntimeerde] . g) In de periode daarna heeft [appellant] van de computer(s) van [de vennootschap 1] gegevens gewist, die hij daarop in het kader van zijn werkzaamheden voor [de vennootschap 1] had geplaatst.h) Bij vonnis in kort geding van de kantonrechter te Eindhoven van 26 maart 2015 is bepaald, uitvoerbaar bij voorraad, dat [de vennootschap 1] het loon (€ 5.905,60 bruto/4 weken) aan [appellant] diende door te betalen tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zou zijn geëindigd. i. i) Bij beschikking van dezelfde kantonrechter en van dezelfde datum is de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk - namelijk voor het geval het ontslag op staande voet nietig zou worden bevonden en er dus nog een arbeidsovereenkomst tussen partijen zou bestaan - ontbonden met ingang van 1 mei 2015, en is aan [appellant] in dat geval (voorwaardelijk) een ontslagvergoeding toegekend van €114.000 bruto. j) Aan [appellant] is vanaf datum ontslag tot 1 mei 2015 door [de vennootschap 1] betaald het bedrag van € 6.946 (hetgeen overeenkomt met de beslagvrije voet over de betaalperiode, vermeerderd met een bedrag van € 621,00 wegens proceskosten).k) Op 26 juni 2015 zijn in het kader van de geplande herstructurering nieuwe vennootschappen opgericht. [Group] werd vernoemd tot [de vennootschap 2] , [geïntimeerde] bleef enig bestuurder. [de vennootschap 2] bestuurt [de vennootschap 3] , die op haar beurt diverse werkmaatschappijen bestuurt. Een van die werkmaatschappijen is De Administrateur B.V., waarin de administratieve taken van de onderneming zijn ondergebracht en die sinds 26 juni 2015 bestuurder is van (het oude) [de vennootschap 1] . l) Op 29 juni 2015 is de jaarrekening van [de vennootschap 1] vastgesteld, waarmee het dividendbesluit definitief werd.m) Op 9 juli 2015 is het overgrote deel van het personeel van [de vennootschap 1] overgegaan naar de nieuw opgerichte werkmaatschappijen; dat deel van het personeel werd daarna niet langer uit- en ingeleend via [de vennootschap 1] . Alleen enkele personeelsleden die op korte termijn met pensioen zouden gaan, bleven achter in [de vennootschap 1] .n) Bij vonnis van de kantonrechter te Roermond van 2 maart 2016 in de bodemzaak is geoordeeld dat het op 26 januari 2015 aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet nietig is, en werd [de vennootschap 1] veroordeeld tot doorbetaling van het loon tot 1 mei 2015 met wettelijke verhoging, wettelijke rente en proceskosten. Dit vonnis heeft onder andere als rechtsgevolg dat de eerder voorwaardelijk toegekende vergoeding van € 114.000 bruto definitief is geworden. Het vonnis van 2 maart 2016 is inmiddels onherroepelijk geworden. Het is op 7 april 2016 aan [de vennootschap 1] betekend, waarbij bevel is gedaan tot betaling van € 164.365,27. o) Met uitzondering van het onder j) genoemde bedrag is aan [appellant] niets betaald door [de vennootschap 1] . Executiemaatregelen van [appellant] ten laste van [de vennootschap 1] hebben geen doel getroffen.
6.2.1.
[appellant] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd - samengevat - veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van € 164.365,27 (schadevergoeding) en de wettelijke rente over achtereenvolgens: het verschuldigde loon van € 25.984,65; € 5.669,38 ter zake vakantiegeld; € 6.228,56 ter zake vakantie-uren; € 15.827,01 aan wettelijke verhoging en € 114.000,- ter zake de toegekende ontslagvergoeding een en ander vermeerderd met proces- en beslagkosten.
6.2.2.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
6.2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen omdat er geen handelen of nalaten van [geïntimeerde] als bestuurder kan worden aangewezen, dat zou kunnen worden aangemerkt als een onrechtmatige daad jegens [appellant] . Tegen dit oordeel heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
6.3.1.
Het hof zal thans de grieven 2, 3 en 4 gezamenlijk bespreken, waarmee [appellant] . klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het niet betalen van de vordering van [appellant] door [de vennootschap 1] niet was gegrond op betalingsonwil aan de zijde van [de vennootschap 1] en/of [geïntimeerde] , maar op betalingsonmacht, en dat [geïntimeerde] als (indirect) bestuurder van [de vennootschap 1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] .
6.3.2.
Op 26 maart 2015 heeft de kantonrechter als gezegd in kort geding [de vennootschap 1] - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeeld tot loondoorbetaling aan [appellant] tot (naar op grond van het vonnis van 2 maart 2016 is gebleken) 1 mei 2015. Aan [appellant] is door [de vennootschap 1] ter zake echter slechts betaald de beslagvrije voet over de betreffende periode, omdat [de vennootschap 1] zich voor het overige beriep op een tegenvordering op [appellant] van in totaal € 45.469. Deze tegenvordering is volgens [de vennootschap 1] ontstaan omdat zij gedurende (naar zij tijdens pleidooi bij het hof verklaarde:) een jaar zeer veel uren heeft moeten maken om alle gegevens die [appellant] in de periode rond zijn ontslag onrechtmatig van de computer(s) van [de vennootschap 1] had gewist, weer te herstellen. De tegenvordering is in zoverre gemitigeerd, zo begrijpt het hof, omdat slechts is gevorderd de tegenwaarde van de uren die [appellant] destijds zelf had gemaakt om genoemde gegevens te verwerken, terwijl werknemers van (onder meer, zo begrijpt het hof) [de vennootschap 1] met het herstel veel langer bezig zijn geweest. Het hof begrijpt tevens hieruit dat [de vennootschap 1] , toen zij de tegenvordering in verrekening bracht, daarvan nog slechts een schatting kon maken.
6.3.3.
[appellant] heeft het bestaan van genoemde tegenvordering betwist. Hij heeft erkend dat hij (uit woede vanwege zijn onterechte ontslag) gegevens van de computer(s) van [de vennootschap 1] heeft gewist, maar hij heeft aangegeven dat hij rond of kort na de zitting bij de kantonrechter op 12 maart 2015 aan [de vennootschap 1] heeft aangeboden die gegevens op een usb-stick terug te geven, waardoor dat wissen voor [de vennootschap 1] nauwelijks tot geen schade zou opleveren. Dat dit aanbod toen door [appellant] is gedaan vindt bevestiging in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 12 maart 2015 in de procedure in kort geding (productie 3 bij dagvaarding). Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] daaraan toegevoegd dat hij genoemde gegevens ook daadwerkelijk heeft teruggegeven, via zijn advocaat. [geïntimeerde] heeft dit niet gemotiveerd betwist.
6.3.4.
Op 26 maart 2015 heeft de kantonrechter aan [appellant] € 114.000 voorwaardelijk toegekend als ontslagvergoeding. In de bodemprocedure is dit bedrag op 2 maart 2016 definitief aan [appellant] toegewezen. In die zaak zijn, zo heeft [appellant] onbetwist gesteld, door [de vennootschap 1] geen andere argumenten naar voren gebracht dan zij reeds had gedaan in de eerdere zaak. In die bodemprocedure heeft [de vennootschap 1] de gestelde tegenvordering op [appellant] niet bij wege van eis in reconventie ingebracht, noch heeft zij in dit verband een beroep op verrekening gedaan. Ook in de onderhavige procedure is de gestelde tegenvordering niet op enigerlei wijze in rechte ingesteld.
6.3.5.
Bij de beoordeling van het beroep van [geïntimeerde] op de gestelde tegenvordering van [de vennootschap 1] stelt het hof voorop dat rechtens uitgangspunt is dat degene tegen wie een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke veroordeling om iets te doen is uitgesproken – zoals bij [de vennootschap 1] het geval was voor wat betreft de uitvoerbaar verklaarde veroordeling in kort geding tot doorbetaling aan [appellant] van loon – gevolg behoort te geven aan die veroordeling. Dat is alleen dan anders als sprake is van betalingsonmacht of een rechtvaardigingsgrond, zoals bijvoorbeeld overmacht. Naar het oordeel van het hof levert een tegenvordering die is betwist en niet in rechte is vastgesteld in beginsel niet een rechtvaardigingsgrond op. Daar komt naar het oordeel van het hof bij dat de teruggave c.q. het niet geaccepteerde aanbod tot teruggave van de gegevens tot gevolg heeft dat het bestaan van de gepretendeerde tegenvordering vanwege het herstel zeer twijfelachtig is. Daartoe wijst het hof ook op de specificatie van de tegenvordering van [de vennootschap 1] die door [geïntimeerde] in dit hoger beroep is overgelegd (prod. 8 bij mva). Voor zover moet worden aangenomen dat [de vennootschap 1] als gevolg van het aan [appellant] verweten handelen schade heeft geleden, leidt de daaruit blijkende methodiek voor het berekenen voor de tegenvordering er immers logischerwijs toe, gelet op de teruggave c.q. het niet geaccepteerde aanbod tot teruggave, dat die schade een (beduidend) geringere omvang moet hebben gehad dan het uit de specificatie berekende bedrag van € 45.469,00, wat er van die berekeningsmethodiek verder ook zij. Er is dan immers hooguit schade geleden in de periode tussen het wissen door [appellant] van de gegevens (zijnde op of kort na het ontslag op staande voet op 26 januari 2015) en het aanbod tot teruggave c.q. de teruggave (op 12 maart 2015), en dus niet gedurende de periode van een jaar na het wissen, terwijl op die laatstgenoemde periode het uit de specificatie blijkende schadebedrag is gebaseerd.
6.3.6
Het hof concludeert dat de gestelde tegenvordering van [de vennootschap 1] nog niet vaststond, en in ieder geval onvoldoende liquide was toen [de vennootschap 1] aanleiding zag om daarmee de vordering van [appellant] op grond van de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) beslissing van de kantonrechter tot loondoorbetaling aan [appellant] te verrekenen. Die verrekening heeft naar het oordeel van het hof dan ook ten onrechte plaatsgevonden, zodat [de vennootschap 1] [appellant] het volledige bedrag, waartoe zij op 26 maart 2015 was veroordeeld, had moeten betalen.
6.3.7.
[de vennootschap 1] heeft dat evenwel niet gedaan, en evenmin heeft zij genoemd bedrag voor [appellant] apart gehouden of daarvoor een daadwerkelijke voorziening getroffen. [de vennootschap 1] heeft ook geen dergelijke daadwerkelijke voorziening – hetgeen iets anders is dan slechts een boekhoudkundige reservering – getroffen voor het geval de voorwaardelijke toekenning van de ontslagvergoeding zou worden omgezet in een definitieve toekenning. Dat dit inderdaad aldus zou gebeuren, was een situatie waarmee [de vennootschap 1] ernstig rekening had moeten houden, nu zij reeds twee maal in deze zaak in het ongelijk was gesteld en zij in de bodemprocedure geen andere argumenten dan de reeds aangevoerde te berde heeft gebracht. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [de vennootschap 1] er na 26 maart 2015 al ernstig rekening mee diende te houden dat [de vennootschap 1] (zelfs indien er wel verrekend had kunnen worden ten aanzien van de vordering tot loondoorbetaling) nog een aanzienlijk bedrag aan [appellant] zou moeten betalen uit hoofde van de ontslagvergoeding.
6.3.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat [de vennootschap 1] echter vóór en na de herstructurering de vorderingen van [appellant] niet heeft voldaan en dat die vorderingen thans ook niet meer op [de vennootschap 1] kunnen worden verhaald, waardoor [appellant] door [de vennootschap 1] is benadeeld.Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
6.3.9.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en de vordering van de schuldeiser op de vennootschap onbetaald blijft en onverhaalbaar blijkt, kan persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder worden aangenomen als de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
6.4.1.
[appellant] heeft gesteld dat [de vennootschap 1] tot 26 juni 2015 in staat was zijn vorderingen te voldoen en/of daarvoor een daadwerkelijke reservering te doen. Daartoe heeft hij erop gewezen dat in de periode tussen 26 maart 2015 en 9 juli 2015 (toen het personeel overging naar de andere werkmaatschappijen) er nog zo’n 70 personeelsleden in dienst waren bij [de vennootschap 1] , die allen hun salaris “gewoon” hebben ontvangen. Verder stelde [appellant] onbetwist dat er ook na de herstructurering van [de vennootschap 1] nog personeelsleden in dienst zijn gebleven, die ook binnen [de vennootschap 1] zijn doorbetaald. Tijdens het pleidooi bij het hof heeft [geïntimeerde] aangegeven dat deze werknemers tot hun respectieve pensioenen nog binnen [de vennootschap 1] hebben gewerkt.
6.4.2.
Door [geïntimeerde] is niet (gemotiveerd) betwist dat [de vennootschap 1] in de periode tussen 26 maart 2015 en 26 juni 2015/9 juli 2015 in staat was om de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, onvoorwaardelijke toekenning aan [appellant] te betalen, noch om een zodanige voorziening te treffen voor de voorwaardelijke toekenning van € 114.000, dat dit bedrag nog beschikbaar zou zijn voor [appellant] in het geval ook deze toekenning onvoorwaardelijk werd. [geïntimeerde] heeft zich in dit verband in feite niet op betalingsonmacht beroepen, zo begrijpt het hof zijn stellingen, maar alleen op de – door het hof in dit geval geëcarteerde – tegenvordering.In het proces-verbaal van de comparitie van de rechtbank staat nog vermeld dat [geïntimeerde] toen heeft gezegd dat er binnen [de vennootschap 1] nog cash flow was. Bij pleidooi bij het hof is vervolgens aangevoerd dat dit niet door [geïntimeerde] , maar door [aandeelhouder] zou zijn gezegd, die stelde daarmee juist te bedoelen dat er géén geld meer was in 2016, toen de vordering van [appellant] definitief werd.
6.4.3.
[de vennootschap 1] was een personeelsvennootschap. Per 9 juli 2015 zijn - met uitzondering van genoemde bijna-gepensioneerden - alle werknemers overgegaan naar andere werkmaatschappijen. Daarmee was binnen korte tijd al het “kapitaal” uit [de vennootschap 1] verdwenen. Zoals uit het hiervoor overwogene volgt, had [appellant] per 26 maart 2015 vorderingen op [de vennootschap 1] , waarbij die betreffende de ontslagvergoeding toen weliswaar nog voorwaardelijk was, maar in verband waarmee er toen al wel ernstig rekening mee moest worden gehouden dat aan [appellant] nog een groot bedrag zou moeten worden betaald. Door en ten behoeve van [de vennootschap 1] is echter geen zodanige overnamesom bedongen of aan haar betaald door de werkmaatschappijen, waarnaar de werknemers overgingen, dat zij in staat zou zijn de vorderingen van [appellant] te voldoen, terwijl er ook niet anderszins voor is gezorgd dat de middelen aanwezig zouden zijn om dat te doen. Gelet op het hiervoor overwogene ziet het hof, anders dan de rechtbank, niet waarom het bedingen van een zodanige overnamesom bedrijfseconomisch “onlogisch” zou zijn. [de vennootschap 1] was een zelfstandige entiteit met eigen rechten en verplichtingen, waaronder tegenover [appellant] . Hierbij acht het hof ook van belang dat is gebleken dat de ondernemingsactiviteiten van [de vennootschap 1] een zodanige verdiencapaciteit hadden dat zij in voorgaande jaren jaarlijks winsten realiseerde van (ruim) meer dan € 130.000,00 (productie 6 bij conclusie van antwoord). Die verdiencapaciteit zou als gevolg van de voorgenomen herstructurering (uiteindelijk) geheel overgaan op andere werkmaatschappijen. In dat licht had [de vennootschap 1] alle reden om een “echte” overnamesom te bedingen (en niet slechts een boekhoudkundige reservering te doen) of anderszins ervoor te zorgen dat ten behoeve van [appellant] nog geld in de vennootschap zou achterblijven na de herstructurering. Dat de herstructurering al veel langer gepland was, in een tijd toen het nog niet nodig was om voor [appellant] geld in [de vennootschap 1] te laten, doet daar niet aan af.
6.5.1.
Dat is echter allemaal niet gebeurd: [appellant] is niet betaald en er is bij de herstructurering geen geld te zijnen behoeve in [de vennootschap 1] achtergebleven c.q. via een overnamesom ingebracht. Dat [appellant] toen niet (meer) werkte voor zijn salaris, zoals de rechtbank nog heeft overwogen, is volstrekt irrelevant, nu [appellant] immers ten onrechte ontslagen was door [de vennootschap 1] en (dus) ook niet meer werd opgeroepen voor zijn werk (in de periode tot 1 mei 2015).
6.5.2.
In de periode tot 26 juni 2015 was [geïntimeerde] , zoals hiervoor al is overwogen, de directe bestuurder van [de vennootschap 1] . Na 26 juni 2015 was [geïntimeerde] een “vierdegraads” bestuurder van [de vennootschap 1] , via de hiervoor in rov. 6.1 onder k. genoemde vennootschappen. [geïntimeerde] bepaalde dus na 26 juni 2015 als (indirect en direct) bestuurder via De Administrateur, [de vennootschap 3] en [de vennootschap 2] in alle vennootschappen het beleid binnen de groep van vennootschappen, waarbij hij tevens de uiteindelijke 75%-aandeelhouder was met de bijbehorende zeggenschap. In zijn hoedanigheid van bestuurder van [de vennootschap 1] valt [geïntimeerde] te verwijten dat hij ervoor heeft gezorgd dat de loondoorbetaling aan [appellant] niet volledig is geschied. Als bestuurder van [de vennootschap 1] draagt hij daarvoor immers de verantwoordelijkheid. Verder valt [geïntimeerde] te verwijten dat hij heeft bewerkstelligd dat op 26 juni en 9 juli 2015 een herstructurering werd doorgevoerd die mede [de vennootschap 1] omvatte en die ertoe leidde dat [de vennootschap 1] haar verdiencapaciteit verloor, zonder dat eerst was gezorgd dat [de vennootschap 1] op enigerlei wijze daadwerkelijk in staat zou zijn [appellant] te voldoen, ook waar het ging om de aan hem toen voorwaardelijk toegekende ontslagvergoeding. De vraag of [geïntimeerde] als bestuurder persoonlijk onrechtmatig handelen kan worden verweten komt uiteraard alleen aan de orde indien er ook sprake is van aansprakelijkheid van de vennootschap zelf. Dat betekent echter niet dat de vennootschap zelf ter vaststelling van haar aansprakelijkheid in rechte zou moeten worden betrokken. Evenmin is daarvoor nodig dat de rechtspersoon die de (statutaire) bestuurder is van [de vennootschap 1] (en de rechtspersoon-bestuurder daarvan) in rechte wordt betrokken voor de vaststelling dat sprake is van enig onbehoorlijk handelen namens [de vennootschap 1] .
6.5.3.
Het feit dat [de vennootschap 1] thans de vorderingen van [appellant] niet meer kan betalen, is naar het oordeel van het hof gelegen in de betalingsonwil van [geïntimeerde] als (indirect) bestuurder van [de vennootschap 1] , blijkend uit het hierboven omschreven handelen vóór en ten tijde van de herstructurering, waarmee [geïntimeerde] heeft bewerkstelligd dan wel toegelaten dat [de vennootschap 1] haar verplichtingen jegens [appellant] niet meer kon nakomen en de vorderingen van [appellant] onbetaald en onverhaalbaar bleven. Dat dit anders zou zijn is door [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd.
6.5.4.
Op grond van al het bovenstaande is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] als (indirect) bestuurder van [de vennootschap 1] ter zake persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het hof rekent het [geïntimeerde] bijzonder aan dat hij door het bij de herstructurering nalaten van het (doen) treffen van daadwerkelijke financiële voorzieningen de voldoening van de vorderingen van [appellant] heeft gefrustreerd, terwijl hij het in zijn macht had om ervoor te zorgen dat aan de veroordelingen wel zou worden voldaan door [de vennootschap 1] . [geïntimeerde] is als (indirect) bestuurder van [de vennootschap 1] dan ook persoonlijk aansprakelijk voor de schade die [appellant] lijdt doordat hij daarom zijn vorderingen niet meer kan verhalen op [de vennootschap 1] .
6.5.5.
Bij het voorgaande passeert het hof het algemene bewijsaanbod van [geïntimeerde] . Hij heeft geen specifiek bewijs aangeboden van feiten die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.
6.6.1.
Op grond van het bovenstaande slagen de grieven 2, 3 en 4 in onderling verband bezien. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen. Nu [geïntimeerde] , in eerste aanleg en in hoger beroep, geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de ingestelde vordering tot schadevergoeding van € 164.365,27 en de gevorderde wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de onderliggende salariscomponenten en ontbindingsvergoeding vanaf 1 mei 2015, zullen deze bedragen alsnog worden toegewezen als gevorderd.
6.6.2.
Grief 1 en de overige verwijten van [appellant] , die onder meer zien op de dividend-uitkering door [de vennootschap 1] aan haar aandeelhouder, behoeven gezien het voorgaande verder geen bespreking meer.
6.6.3.
Grief 5, die ziet op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, slaagt eveneens. [geïntimeerde] zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, met inbegrip van de beslagkosten. De vordering van [appellant] tot terugbetaling van datgene wat hij op grond van het thans vernietigde vonnis ter zake proceskosten (en nakosten) aan [geïntimeerde] heeft voldaan, zal dus ook worden toegewezen.Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
7

vanaf 1 mei 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;
Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, op 21 juni 2017 tussen partijen gewezen;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen het bedrag van € 164.365,27;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te betalen de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 2.034,63 aan beslagkosten, € 1.644,03 aan verschotten en € 2.842 aan salaris advocaat in eerste aanleg, en € 1.727,21 aan verschotten en € 9.483 aan salaris advocaat in hoger beroep;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van datgene wat [appellant] ter voldoening aan het thans vernietigde vonnis aan [geïntimeerde] heeft betaald;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, J.I.M.W. Bartelds en B.E.L.J.C. Verbunt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer

-

het verschuldigde loon van € 25.984,65;

het vakantiegeld van € 5.669,38;

de vergoeding van vakantie uren van € 6.228,56;

de wettelijke verhoging van € 15.827,01

de ontbindingsvergoeding van € 114.000