Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2372

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2372, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.203.119_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.203.119/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,verder: [appellante] ,advocaat: mr. A.L. van den Bergh te Maastricht,
tegen

ECLI:NL:GHSHE:2019:2372:DOC
nl

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.203.119/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,verder: [appellante] ,advocaat: mr. A.L. van den Bergh te Maastricht,
tegen

1

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellante in het incidenteel hoger beroep,verder: [geïntimeerde 1] ,advocaat: mr. E.R.T.A. Luijten te Heerlen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,verder: [geïntimeerde 2] ,in hoger beroep niet verschenen,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,appellant in het incidenteel hoger beroep,verder: [geïntimeerde 3] ,advocaat: mr. E.R.T.A. Luijten te Heerlen,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 31 juli 2018 in het hoger beroep van de door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer/rolnummer C/03/195615 / HA ZA 14-517 tussen partijen gewezen vonnissen van 20 januari 2016 en 29 juni 2016.

2. wonende te [woonplaats] ,3. wonende te [woonplaats] , North Yorkshire (Verenigd Koninkrijk),
5

- het tussenarrest van 31 juli 2018;- de akte van [appellante] van 28 augustus 2018 met een productie.Het hof heeft daarna uitspraak bepaald.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

6

In het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

6.1
Bij tussenarrest van 31 juli 2018 heeft het hof [appellante] in de gelegenheid gesteld alsnog haar eiswijzigingen (de memorie van grieven en de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep) aan [geïntimeerde 2] te betekenen, althans zich daarover uit te laten. Naar aanleiding hiervan heeft [appellante] bij akte, onder overlegging van de betekeningsstukken, laten weten dat bedoelde betekening aan [geïntimeerde 2] op 3 augustus 2018 heeft plaatsgevonden. Tegen de eiswijzigingen zijn geen processuele bezwaren aangevoerd. Ook het hof acht deze niet ontoelaatbaar, zodat in het vervolg van de aldus gewijzigde vorderingen van [appellante] zal worden uitgegaan.
6.2
De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis 20 januari 2016 onder 2. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt:
loweralpha

Op 21 juni 2010 is [de erflater] (hierna: erflater) overleden. Erflater was op dat moment niet gehuwd en evenmin geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap. [appellante] is de dochter en tevens het enige kind van erflater.

Erflater heeft bij testament van 17 maart 2004, verleden voor [notaris 1] , notaris te [standplaats] , laatstelijk over zijn nalatenschap beschikt. Bij die gelegenheid heeft erflater [appellante] en haar eventuele afstammelingen uitgesloten als erfgenaam. Erflater heeft [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot zijn erfgenamen benoemd. [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] zijn de kinderen van een neef van erflater, [de neef van de erflater] . [geïntimeerde 2] is de dochter van de reeds eerder overleden broer van erflater, [de reeds eerder overleden broer van de erflater] . Daarnaast heeft hij [geïntimeerde 3] tot executeur van zijn nalatenschap benoemd.

Op 18 augustus 2010 heeft [notaris 2] , notaris te [standplaats] , een verklaring van erfrecht afgegeven. Daarin is, voor zover in deze procedure van belang, vermeld dat de nalatenschap van erflater door [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] bij akte van 3 augustus 2010, opgemaakt ter griffie van de rechtbank Maastricht, beneficiair is aanvaard. Een afschrift van die akte is op diezelfde dag ingeschreven in het boedelregister van de rechtbank Maastricht.

Blijkens de verklaring van erfrecht heeft [geïntimeerde 1] volmacht gegeven aan [geïntimeerde 3] om haar te vertegenwoordigen bij het beheer en de vereffening van de nalatenschap. [geïntimeerde 2] heeft volmacht gegeven aan [gevolmachtigde] om haar te vertegenwoordigen bij het beheer en de vereffening van de nalatenschap.

Tot de nalatenschap van erflater behoorden onder andere een woning, staande en gelegen te [plaats] aan de [adres] en een auto, een Toyota Aygo met kenteken [kenteken] . De woning is op 30 oktober 2012 verkocht en op 7 december 2012 geleverd aan een derde. De auto is op 29 juli 2010 verkocht en geleverd aan [de neef van de erflater] , de vader van [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] en de broer van erflater.

6.3
Het gaat in deze procedure om de aanspraak van [appellante] op haar legitieme portie jegens de drie erfgenamen van erflater. Daartoe vorderde [appellante] in eerste aanleg, samengevat: In eerste aanleg zijn [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 1] niet verschenen en heeft [geïntimeerde 2] de vorderingen van [appellante] gemotiveerd betwist.
-

een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] de nalatenschap van erflater zuiver hebben aanvaard en dat de registratie van de akte van beneficiaire aanvaarding in het boedelregister mitsdien geen effect sorteert;

veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot het verstrekken van alle bankafschriften van erflater vanaf de datum van zijn overlijden en overige inlichtingen te verstrekken die [appellante] voor de berekening van haar legitieme portie nodig heeft (boedelbeschrijving, lijst van schulden, opgave van giften en polissen die tot uitkering zijn gekomen);

vaststelling van haar legitieme vordering op ten minste € 27.134,50, en voor het geval deze meer bedraagt, ook het meerdere;

veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] , alsmede de begunstigden op de polissen, tot uitbetaling van de legitieme vordering met wettelijke rente vanaf zes maanden na het overlijden van erflater, met persoonlijke aansprakelijkstelling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] als zuiver aanvaard hebbende erfgenamen dan wel uit hoofde van artikel 4:184 lid 2 sub d BW;

veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in de proceskosten.

6.4
Bij tussenvonnis van 20 januari 2016 heeft de rechtbank op een aantal geschilpunten beslist en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid gesteld informatie in het geding te brengen en zich daarover uit te laten. Bij eindvonnis van 29 juni 2016 heeft de rechtbank de legitieme aanspraak van [appellante] bepaald op € 23.548,58 en als volgt op de vorderingen van [appellante] beslist, samengevat:
-

verklaart voor recht dat [geïntimeerde 3] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, zodat (de registratie van) de nadien opgemaakte akte van beneficiaire aanvaarding geen effect sorteert;

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot het verstrekken aan [appellante] van de in het vonnis onder a tot en met d genoemde informatie (bankafschriften, schulden, giften, polissen) binnen twee weken na betekening van het vonnis, wat [geïntimeerde 2] betreft onder verbeurte van een dwangsom;

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot betaling aan [appellante] van een bedrag van € 7.849,53 per persoon, met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2014;

veroordeelt [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] in de proceskosten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

6.5
[appellante] heeft in het principaal hoger beroep twee grieven aangevoerd. Met haar eerste grief betoogt zij dat [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk veroordeeld dienen te worden tot betaling van haar legitieme aanspraak. Met haar tweede grief betoogt zij dat de verdeling van de nalatenschap nietig is omdat nog geen vereffening heeft plaatsgevonden. Zoals in het tussenarrest van 31 juli 2018 onder 3.1 weergegeven, houden de vorderingen van [appellante] na de eiswijzigingen in hoger beroep in:
-

veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] alsnog hoofdelijk, althans ieder voor zich, om hetgeen door de rechtbank is toegewezen te voldoen;

verklaring voor recht dat de verdeling van de nalatenschap door de erfgenamen voordat de nalatenschap is vereffend niet geoorloofd want nietig is en deze nietigheid niet enkel ziet op de beschikkingshandelingen van de erven maar ook op hun verdelingshandelingen;

veroordeling van de erven gezamenlijk althans ieder voor zich tot het terugbrengen van de aan hen toegedeelde activa in de boedel, deze geldend te maken en daaruit alsnog de vordering van [appellante] in haar geheel te voldoen;

hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] tot betaling van de kosten vallende op de executie van het door het hof te wijzen arrest.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben deze vorderingen en de grieven van [appellante] bestreden. Zij hebben in het incidenteel hoger beroep vier grieven aangevoerd. Deze betreffen achtereenvolgens het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde 3] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, de berekening van de legitieme portie, het bedrag van de legitieme aanspraak en de proceskostenveroordeling. [appellante] heeft deze grieven op haar beurt bestreden.
6.6
Het hof zal allereerst ingaan op grief I in het incidenteel hoger beroep over het zuiver aanvaarden van de nalatenschap door [geïntimeerde 3] . In het tussenvonnis van 20 januari 2016 heeft de rechtbank geconcludeerd dar [geïntimeerde 3] door de verkoop van de auto van erflater op 29 juli 2010, voorafgaande aan de akte van beneficiaire aanvaarding op 3 augustus 2010, de nalatenschap zuiver heeft aanvaard (r.o. 4.4.6.). Dat [geïntimeerde 3] de auto in zijn hoedanigheid van executeur zou hebben verkocht, achtte de rechtbank niet onderbouwd (r.o. 4.4.7.). Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] heeft [geïntimeerde 3] de testamentaire benoeming tot executeur aanvaard door met de werkzaamheden te beginnen, waaronder de verkoop van de auto met het oog op het voldoen van schulden van de nalatenschap. Zij voeren hierbij aan dat de aanvaarding van de benoeming tot executeur vormvrij kan geschieden. [appellante] heeft hiertegen aangevoerd dat het aanvaarden van de benoeming en het beëindigen ervan nergens uit blijkt, ook niet uit de verklaring van erfrecht van 18 augustus 2010.
6.7
Het hof overweegt hierover het volgende. De enige handeling waaruit de zuivere aanvaarding van de nalatenschap zou kunnen worden afgeleid, is de verkoop van de auto. Van enige andere handeling of verklaring is in dit verband niet gebleken. Wanneer [geïntimeerde 3] de auto heeft verkocht in zijn hoedanigheid van executeur en niet in die van erfgenaam, kan uit deze handeling niet worden afgeleid dat hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard. Naar het oordeel van het hof hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] voldoende aannemelijk gemaakt dat dit het geval is geweest. Zij hebben daartoe in hoger beroep aangevoerd dat [geïntimeerde 3] , bij testament benoemd tot executeur, die benoeming heeft aanvaard door dienovereenkomstig te handelen tot het moment waarop de nalatenschap door de erfgenamen beneficiair werd aanvaard. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben te kennen gegeven dat het bedrag van € 6.000,= als opbrengst van de verkoop van de auto door de koper op de rekening van de erven is overgemaakt en het desbetreffende bankafschrift van 8 maart 2011 overgelegd (bladzijde 3 onder h. van de memorie van antwoord in het principaal hoger beroep). Het hof ziet geen reden om deze verklaring van de gang van zaken niet te volgen. De omstandigheid dat in de akte van erfrecht geen melding wordt gemaakt van het executeurschap van [geïntimeerde 3] , zoals [appellante] opmerkt, brengt hierin geen verandering. Op grond van artikel 4:190 lid 4 BW werkt de beneficiaire aanvaarding op 3 augustus 2010 terug tot het moment van openvallen van de nalatenschap op 21 juni 2010, zodat de taak van de executeur vanwege de vereffening van de nalatenschap door de erfgenamen alsnog op dat moment eindigt. Op het moment van de verkoop van de auto fungeerde [geïntimeerde 3] als executeur ten behoeve van de nalatenschap, maar ten tijde van het opmaken van de verklaring van erfrecht was daar door de beneficiaire aanvaarding door de erfgenamen geen sprake meer van.
6.8
Een en ander leidt tot de slotsom dat grief I in het incidenteel hoger beroep slaagt. Door [appellante] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep aan de orde dienen te komen en tot een ander resultaat leiden.
6.9
De grieven II en III in het incidenteel hoger beroep betreffen de waarde die de rechtbank heeft toegekend aan de woning van erflater en de daarop rustende hypotheek op het moment van openvallen van de nalatenschap. De rechtbank is op deze kwesties ingegaan in het tussenvonnis van 20 januari 2016 en in het eindvonnis van 29 juni 2016, in beide vonnissen onder de kopjes ‘woning’ en ‘hypotheekschuld RVS Levensverzekering NV’. Het hof kan zich geheel vinden in de uitgangspunten die de rechtbank hierbij heeft gehanteerd en in de berekeningen die daarop zijn gebaseerd en sluit zich daarbij aan. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben naar het oordeel van het hof in hoger beroep niets aangevoerd dat daaraan afbreuk doet en/of tot enig ander eindresultaat kan leiden. Deze grieven worden daarom verworpen.
6.10
Met grief I in het principaal hoger beroep betoogt [appellante] dat de erfgenamen hoofdelijk dienen te worden veroordeeld tot betaling van haar legitieme aanspraak. Deze grief wordt verworpen. Ingevolge artikel 6:6 BW is van hoofdelijkheid sprake wanneer dit uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit. Door [appellante] is niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval in wet, gewoonte of rechtshandeling een grond is te vinden voor de door haar gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van de erfgenamen. Haar betoog komt er op neer dat de verdeling van de nalatenschap voordat deze was vereffend ertoe leidt dat het voor haar moeilijker is geworden verhaal te vinden voor haar legitieme aanspraken, nu [geïntimeerde 3] in het buitenland woont en [geïntimeerde 2] op een uitkering is aangewezen. Ook indien dit juist is, brengt dit niet mee dat de erfgenamen hoofdelijk aansprakelijk zijn. Ook hetgeen [appellante] hierover verder heeft aangevoerd, biedt daarvoor geen grondslag. Deze grief wordt verworpen.
6.11
Grief II in het principaal hoger beroep betreft het volgende. Volgens [appellante] had de nalatenschap eerst vereffend moeten worden voordat tot verdeling ervan werd overgegaan. Dat is op zich juist, maar het feit dat in dit geval niet in overeenstemming met deze voorgeschreven volgorde is gehandeld heeft niet het gevolg dat [appellante] eraan wil verbinden, namelijk de nietigheid van de verdeling en de verplichting om de verdeelde inboedel alsnog in te brengen en te gelde te maken, aangezien voor een dergelijk gevolg geen wettelijke grond is aan te wijzen. [appellante] verwijt de erfgenamen dat zij door haar de informatie onthouden waar zij als legitimaris recht op heeft en onnodig lang de afwikkeling van de nalatenschap te traineren haar legitieme aanspraak in feite illusoir hebben gemaakt. Ook indien dit verwijt terecht is, biedt dat geen voldoende grondslag voor de vorderingen zoals deze thans in hoger beroep voorliggen. Dit betekent dat ook de tweede grief in het principaal hoger beroep niet kan slagen.
6.12
Grief IV in het incidenteel hoger beroep, ten slotte, betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Deze grief slaagt. Alles overziende is het hof van oordeel dat in deze procedure als geheel, en daarmee ook in eerste aanleg, een compensatie van de kosten is aangewezen, gelet op de aard van het geschil, de uitkomst daarvan en de relatie tussen partijen.
Conclusie

6.13
Het tussenvonnis van 20 januari 2016 en het eindvonnis van 29 juni 2016 zullen worden bekrachtigd met uitzondering van (het oordeel over) de verklaring voor recht inzake de zuivere aanvaarding van de nalatenschap door [geïntimeerde 3] en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Genoemde verklaring voor recht zal worden afgewezen en de proceskosten in eerste aanleg zullen worden gecompenseerd. De proceskosten in hoger beroep zullen eveneens worden gecompenseerd, zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep. Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
7

in zoverre opnieuw rechtdoende:

Het hof:

in het principaal hoger beroep en in het incidenteel hoger beroep

vernietigt het tussenvonnis van 20 januari 2016 en het eindvonnis van 29 juni 2016 voor zover daarbij de rechtbank:

bekrachtigt het tussenvonnis van 20 januari 2016 en het eindvonnis van 29 juni 2016 voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, zowel in het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep, tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en A.J. Henzen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer

-

voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerde 3] de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, zodat (de registratie van) de nadien opgemaakte akte van beneficiaire aanvaarding geen effect sorteert, en

[geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] heeft veroordeeld in de proceskosten, en

-

wijst de hiervoor vermelde verklaring voor recht af;

compenseert de proceskosten in eerste aanleg tussen partijen in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;