Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2370

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 09-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2370, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.187.324_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.187.324/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,verder: [appellant] ,advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,
tegen:

ECLI:NL:GHSHE:2019:2370:DOC
nl

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.187.324/01

arrest van 9 juli 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,verder: [appellant] ,advocaat: mr. G.G.J. van Kooten te Veldhoven,
tegen:

1

wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerden,verder: [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] , advocaat: mr. A.B. Noordhof te Eindhoven,
als vervolg op de tussenarresten van dit hof van 4 april 2017, 25 juli 2017, 12 december 2017, 20 maart 2018, 5 juni 2018, 18 september 2018, 22 januari 2019 en 7 mei 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaaknummer 4324340/rolnummer 15/8257 tussen partijen gewezen vonnis van 26 november 2015.
27

- het tussenarrest van 7 mei 2019;- de akte van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] van 4 juni 2019.Partijen hebben arrest gevraagd.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

28

28.1
Zoals vermeld in de tussenarresten van 22 januari 2019 en 7 mei 2019, is in verband met het overlijden van [geïntimeerde 2] geen verzoek tot schorsing is gedaan, zodat wordt voortgeprocedeerd op naam van de oorspronkelijke procespartij, waaronder [geïntimeerde 2] , en niet op naam van rechtsopvolgers.
28.2
Bij tussenarrest van 7 mei 2019 heeft het hof [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de gelegenheid gesteld bij akte te reageren op de producties bij de antwoordakte van [appellant] van 19 maart 2019 en desgewenst op diens eisvermeerdering. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Met betrekking tot de 45km-wagen wordt aangevoerd dat [geïntimeerde 1] de wagen niet heeft verkocht en dat een en ander door [geïntimeerde 2] buiten haar medeweten is afgehandeld. Zij weet er verder niets van en de opbrengst is naar de bankrekening van [geïntimeerde 2] overgemaakt. Mogelijk is dit nog bij leven van vader besproken. [geïntimeerde 1] heeft de opbrengst of een deel ervan niet gekregen of buiten de nalatenschap gehouden, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hun akte.
28.3
Het hof overweegt hierover het volgende. Door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] wordt niet (langer) betwist dat vader een 45km-wagen had, dat deze na diens overlijden is verkocht voor een bedrag van € 3.900,= en dat dit bedrag op de bankrekening van [geïntimeerde 2] is gestort. De suggestie dat de verkoop ervan al voor het overlijden van vader aan de orde is geweest vindt geen bevestiging in de door [appellant] overgelegde producties. Daaruit blijkt dat de verkoop van de wagen begon met een advertentie op Marktplaats op 11 oktober 2014, een maand na het overlijden van vader, en op 30 oktober 2014 zijn beslag kreeg. Over enige daaraan voorafgaande verkoopactiviteit is door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niets gesteld, zodat de conclusie moet zijn dat de 45km-wagen tot de nalatenschap behoorde en een waarde van € 3.900,= vertegenwoordigde. Dat betekent dat het standpunt van [appellant] hierover juist is en dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in deze procedure ten onrechte en tegen beter weten in hebben volgehouden dat zij niet op de hoogte waren van de 45km-wagen, de verkoop daarvan en de bestemming van de opbrengst van de verkoop. In hoeverre [geïntimeerde 1] persoonlijk van een en ander op de hoogte was is hierbij niet van belang, aangezien dat niet afdoet aan deze conclusie.
28.4
In het tussenarrest van 22 januari 2019 heeft het hof vastgesteld dat de kwestie van de 45km-wagen de laatste kwestie was die in dit hoger beroep beslist diende te worden (r.o. 22.7). Met het voorgaande is ook deze laatste kwestie beslist. Thans resteert nog het volgende.
28.5
In zijn akte van 19 maart 2019 heeft [appellant] twee vorderingen vermeld, waarbij de eerste vordering, zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in hun akte opmerken, reeds eerder aan de orde is gesteld als subsidiaire vordering. Dit betreft niet de door [appellant] in zijn akte bedoelde vermeerdering van eis, zodat hetgeen [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] daarover opmerken buiten beschouwing kan blijven. De tweede vordering die in de akte (vetgedrukt) is vermeld, betreft de vermeerdering van eis waar het hier om gaat: hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van de reële proceskosten die hij tot op dat moment begroot op een bedrag van € 28.837,87. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] is [appellant] de procedure zonder goede reden gestart, blijkt niet dat hij de gevorderde kosten, die bij zijn rechtsbijstandsverzekeraar in rekening zijn gebracht, zelf heeft betaald en dat de kosten de toets van artikel 6:96 BW kunnen doorstaan.
28.6
Over deze tweede vordering overweegt het hof het volgende. Volgens vaste jurisprudentie dient bij een proceskostenveroordeling te worden uitgegaan van de daarvoor geldende forfaitaire bedragen en niet van door een partij werkelijk gemaakte kosten. Een volledige vergoedingsplicht, zoals door [appellant] gevorderd, is alleen in buitengewone omstandigheden denkbaar. Daarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatig handelen. Dergelijke buitengewone omstandigheden zijn het hof echter onvoldoende gebleken. De omstandigheid dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] niet tijdig voldeden aan het verstrekken van de gewenste informatie en daar pas na een aantal tussenarresten toe gebracht konden worden, kan naar het oordeel van het hof niet als een dergelijke omstandigheid worden aangemerkt. De processuele houding van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zal er wel toe leiden dat zij in de nodeloos gemaakte proceskosten in hoger beroep zullen worden veroordeeld en dat de proceskosten in hoger beroep in zoverre niet op de voet van artikel 237 lid 1 Rv vanwege de familierelatie van partijen tussen hen zullen worden gecompenseerd.
Conclusie

28.7
Met het hoger beroep heeft [appellant] bewerkstelligd dat hij de beschikking heeft gekregen over de gegevens en bescheiden waar het hem in deze procedure om te doen was. Dat betekent, mede gelet op het gestelde bij randnummer 81 van de memorie van grieven en bij randnummer 14 van de pleitnota van [appellant] , dat voor verdere veroordelingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] thans geen grond bestaat, zodat het vonnis van 26 november 2015 - zij het op geheel andere gronden - zal worden bekrachtigd, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in een deel van de proceskosten in hoger beroep als in het dictum vermeld en voor het overige met compensatie van kosten, en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
29

Het hof:

bekrachtigt, op andere gronden, het vonnis van 26 november 2015;

veroordeelt [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in hoger beroep wat betreft het salaris advocaat na de memorie van antwoord, tot op deze uitspraak begroot op € 3.222,=;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 juli 2019.

griffier rolraadsheer