Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2107

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-06-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2107, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.217.293_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer HD 200.217.293/01

arrest van 11 juni 2019

in de zaak van

[bouwtechniek] Bouwtechniek B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,
tegen

[geïntimeerde 1]

[geïntimeerde 2]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerden,advocaat: mr. D.D. Versluis te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 29 mei 2017 ingeleide hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) gewezen vonnissen van 3 februari 2016, 9 maart 2016 en 8 maart 2017 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerden – gezamenlijk [geïntimeerden] – als eisers.

ECLI:NL:GHSHE:2019:2107:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer HD 200.217.293/01

arrest van 11 juni 2019

in de zaak van

[bouwtechniek] Bouwtechniek B.V.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,advocaat: mr. G.C.L. van de Corput te Breda,
tegen

[geïntimeerde 1]

[geïntimeerde 2]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerden,advocaat: mr. D.D. Versluis te Breda,
op het bij exploot van dagvaarding van 29 mei 2017 ingeleide hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (locatie Bergen op Zoom) gewezen vonnissen van 3 februari 2016, 9 maart 2016 en 8 maart 2017 tussen appellante – [appellante] – als gedaagde en geïntimeerden – gezamenlijk [geïntimeerden] – als eisers.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het vonnis van 16 september 2015.

2

- de dagvaarding in hoger beroep;- de memorie van grieven;- de memorie van antwoord.Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

3

3.1.
Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.
loweralpha

Op of omstreeks 30 januari 2007 is tussen partijen een overeenkomst van opdracht gesloten, op grond waarvan [appellante] zich heeft verbonden tot het verrichten van werkzaamheden ter voorkoming van vochtproblemen in de gevels van de woning van [geïntimeerden] . In het kader van deze overeenkomst heeft [appellante] aan [geïntimeerden] geadviseerd de gevels te injecteren. Ter uitvoering van de overeenkomst heeft [appellante] de gevels van de woning daadwerkelijk geïnjecteerd.

De tussen partijen gesloten overeenkomst bevat een garantie-bepaling, welke als volgt luidt:

Eind 2013 heeft [geïntimeerden] een vochtprobleem geconstateerd in de behandelde gevels. [geïntimeerden] heeft [appellante] hiervan in kennis gesteld, waarna [appellante] ter plaatse is komen kijken en ook onderzoek heeft verricht.

Bij brief van 8 februari 2014 heeft [geïntimeerden] [appellante] gesommeerd om binnen 14 dagen tot herstel over te gaan, onder aanzegging van rechtsmaatregelen.

Bij brief van 15 februari 2014 heeft [appellante] aan [geïntimeerden] bericht dat het aanwezige vochtprobleem mogelijk wordt veroorzaakt door condensvorming tussen de (koude) damp-/waterdicht afgewerkte buitenmuur en de aan de binnenzijde van de woning geplaatste voorzetwanden. [appellante] biedt aan om — tegen betaling door [geïntimeerden] — ventilatieroosters aan te brengen in de buitenmuur.

Bij brieven van 18 maart 2014 en 9 april 2014 sommeert de gemachtigde van [geïntimeerden] [appellante] om over te gaan tot kosteloos herstel, onder aanzegging van het inschakelen van een deskundige.

In een e-mailbericht van 14 april 2014 schrijft [appellante] aan de gemachtigde van [geïntimeerden] , voor zover relevant:

In opdracht van [geïntimeerden] heeft Projectbureau [projectbureau] (hierna te noemen: [projectbureau] ) op 14 mei 2014 onderzoek verricht. In het vervolgens opgestelde rapport vermeldt [projectbureau] in de paragraaf “inspectieresultaten” onder meer:

lowerroman

Bij e-mailbericht van 24 november 2014 heeft het bedrijf [bedrijf] , voor zover van belang, aan [projectbureau] bericht:

Bij brief van 20 maart 2015 heeft (de gemachtigde van) [geïntimeerden] het voorstel van [appellante] tot het aanbrengen van ventilatieroosters verworpen, onder meer omdat volgens [geïntimeerden] alles erop wijst dat nog altijd sprake is van optrekkend vocht. [appellante] wordt in overweging gegeven zelf een deskundige in te schakelen. [geïntimeerden] verklaart zich bereid de kwestie financieel af te doen, bestaande in de terugbetaling door [appellante] van de aanneemsom en in vergoeding door [appellante] van de gevolgschade.

Bij brief 28 maart 2015 bericht [appellante] aan (de gemachtigde van) [geïntimeerden] niet akkoord te gaan met de gevraagde schadevergoeding.

“- Blaasvorming en loskomende delen van de verflaag boven de plint aan de voorzijde van de woning

- Blaasvorming en loskomende delen van de verflaag boven de plint aan de rechterzijde van de woning.- Scheurvorming in hoekpunt van gevelstukwerk aan achterzijde van de woning.
- Onthecht/holklinkend gevelstukwerk aan achterzijde van de woning.

- Optrekkend vocht gemeten in dragende (gemetselde) binnenmuur op ca. 10 centimeter boven bovenzijde afgewerkte vloerniveau. Geen verhoogd niveau gemeten op ca 30 centimeter boven bovenzijde afgewerkte vloerniveau.

- Na boren van gaten in de voorzetwand ter plaatse van de woonkamer (ter plaatse van de linker zijgevel en voorgevel) en de werkkamer (ter plaatse van de rechter zijgevel) werd de opbouw/samenstelling van de voorzetwand zichtbaar. Opbouw vanaf interieurzijde: stucwerk, gipskarton, isolatiemateriaal, binnenzijde van de buitenmuur. Er werd geen vochtophoping/condensatie aangetroffen.”

In de paragraaf “conclusie / onderbouwing” vermeldt [projectbureau] onder meer:“2. Het verfwerk boven de plint toont blaasvorming en loslatende delen, hetgeen duidt op een verhoogd (te hoog) vochtgehalte in de buitenmuur/gevelstukwerk, welke niet natuurlijk kun uitademen door het verfsysteem heen. (...)4. De opbouw/samenstelling van de voorzetwanden (alleen ter hoogte van de interieurzijde van de buitenmuren) toont, ondanks het ontbreken van een ventilerende detaillering, geen gebreken.”
[projectbureau] adviseert als te ondernemen acties, waarvan de totale kosten worden begroot op € 5.840,20 (inclusief btw):“- losse delen van de verflaag en gevelstukken verwijderen;- (opnieuw) uitvoeren van vochtwerende injecties of aanbrengen van het “Schrijver systeem” of het aanbrengen van een drainage rondom de woning;
- waar nodig herstellen van gevelstukwerken;

- waar nodig (opnieuw) aanbrengen van muurverfsysteem.”

3.2.
[geïntimeerden] heeft in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen € 8.985,07 en € 824,25 aan haar te betalen, te vermeerderen met rente, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding. [geïntimeerden] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat [appellante] is tekortgeschoten in de nakoming van diens verplichtingen, doordat opnieuw sprake is van optrekkend vocht en [appellante] weigert om de verstrekte garantie na te komen en/of herstelkosten te betalen. [geïntimeerden] berekent zijn schade op € 8.985,07, inclusief € 574,75 ten bate van het onderzoek van [projectbureau] . Voorts stelt [geïntimeerden] buitengerechtelijke kosten te hebben gehad ten bedrage van € 824,25, welke [appellante] moet vergoeden. [appellante] heeft verweer gevoerd.
3.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 9 maart 2016 een deskundige benoemd voor onderzoek naar de gevels van [geïntimeerden] . De kantonrechter heeft in het vonnis van 8 maart 2017 [appellante] veroordeeld € 5.580,00 exclusief btw (op grond van de garantie) en € 1.257,49 (kosten partijdeskundige [projectbureau] en buitengerechtelijke kosten) aan [geïntimeerden] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2014. De kantonrechter heeft [appellante] in de kosten van het geding veroordeeld, met inbegrip van € 1.756,92 voor de kosten van de door de kantonrechter benoemde deskundige. De kantonrechter heeft het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.4.
[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot afwijzing van het door [geïntimeerden] gevorderde.
3.5.
[geïntimeerden] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging.
3.6.
Grief I betreft het oordeel van de kantonrechter dat het door [geïntimeerden] te leveren bewijs voorshands geleverd was en diens beslissing om [appellante] tot tegenbewijs toe te laten. Het hof stelt voorop dat de bewijslast met betrekking tot de gestelde gebreken rust op [geïntimeerden] . De kantonrechter heeft dit niet miskend. Uit het door [geïntimeerden] overgelegde rapport van [projectbureau] volgde (voorshands) de juistheid van de stellingen van [geïntimeerden] . [appellante] heeft de juistheid van die stellingen en de juistheid van het rapport van [projectbureau] weliswaar gemotiveerd betwist, maar niet onderbouwd door een rapport van een andere deskundige over te leggen. Het hof is van oordeel dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat het bewijs voorshands geleverd was (en [appellante] heeft terecht de mogelijkheid gekregen tegenbewijs te leveren). Grief I faalt.
3.7.
Grief II is gericht tegen de benoeming van de deskundige Kattevilder. [appellante] vindt dat Kattevilder “niet over dit specialisme beschikt” (vochtmetingen/injectietechniek) (akte van 2 maart 2016, 3; akte van 7 december 2016, 4). Het hof verwerpt het bezwaar van [appellante] . [appellante] heeft niet toegelicht dat en waarom de door hem genoemde specifieke specialistische expertise belangrijk zou zijn voor een goed inzicht in de problematiek. [appellante] heeft geen alternatieve deskundige voorgesteld. [appellante] heeft niet aangevoerd dat Kattevilder in brede zin niet de vereiste kennis en ervaring in bouwkundige kwesties zou hebben. Grief II faalt.
3.8.
Grieven III en IV zijn gericht tegen het overnemen van de conclusies van de deskundige door de kantonrechter en tegen de begrote herstelkosten. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.9.
Het hof leidt uit de bevindingen van Kattevilder af dat het vochtprobleem (3.1 c en g hiervoor) wordt veroorzaakt door optrekkend vocht en dat de behandeling door [appellante] (3.1 a hiervoor) niet de vereiste bescherming daartegen heeft geboden. Indien dit juist is, volgt daaruit de conclusie dat [geïntimeerden] een beroep toekomt op de garantie (3.1 b hiervoor). Kattevilder heeft de kosten van de nodige herstelmaatregelen begroot op € 5.580,-- exclusief btw. Het hof heeft ook de bevindingen van [projectbureau] (3.1 h hiervoor) en [bedrijf] (3.1 i hiervoor), die in dezelfde richting wijzen als het rapport van de deskundige Kattevilder, in aanmerking genomen.
3.10.
[appellante] voert ter toelichting van zijn bezwaar tegen de conclusies van Kattevilder aan dat [betrokkene] , die [appellante] bijstaat, tot andere bevindingen is gekomen (akte van 7 december 2016, 5 en verder; productie 1 bij deze akte). De visie van [betrokkene] komt samengevat neer op het volgende:- later is door of in opdracht van [geïntimeerden] een nieuw pleistersysteem of stucwerkplint aangebracht;- er is verticale scheurvorming in de plinten;- het type stucsysteem is onbekend, maar het uittreden van overtollig vocht zal langzaam verlopen (maanden tot jaren);- onduidelijk is of de aangebrachte coating geschikt is voor deze situatie;- onduidelijk is ook of er oude verflagen aanwezig zijn;- de deskundige heeft visueel vastgesteld dat het metselwerk niet volledig is gevuld met injectievloeistof, maar deze methode is niet betrouwbaar;- de deskundige neemt subjectief aan dat de coating voldoende ademend is, maar dit is niet onderbouwd met technische gegevens.
[betrokkene] merkt op dat het redelijk is te veronderstellen dat
“slechts mogelijk een klein gedeelte van de gevels onvoldoende geïnjecteerd zou kunnen zijn. Dit is echter een subjectieve aanname die zonder nader diepgaand onderzoek in de gevelconstructie niet hard kan worden gemaakt. Op deze basis kan gesteld worden dat zeker 90% van de ontstane schade is veroorzaakt door het in een te vroeg stadium aanbrengen van een sterk damp remmend en filmvormend verfsysteem, zonder het uitvoeren van vochtmetingen (…). In het deskundigenbericht wordt er tevens aan voorbijgegaan dat bij +90% van de uitgevoerde metingen aan het geveloppervlak het vochtpercentage onder de 3,5 gew.% ligt en dus acceptabel is.”

3.11.
De deskundige heeft in zijn bevindingen en in zijn reactie op deze kritiek van [betrokkene] onder meer het volgende geschreven (blz. 5-9).
“De nieuwe cementplint is voorzien van een coating, Inducryl façade, een waterwerende en dampdoorlatende coating. Boven de plint is ook een coating aangebracht. De coating is geleverd door [bedrijf] en aangebracht in eigen beheer door [geïntimeerden] . (…)”

“In de gevel was nog restvocht aanwezig dat naar de oppervlak (buitenzijde) moet verdampen. (…) In de rechter zijgevel (noord) was het vochtpercentage aan de onderzijde (12%) veel te hoog. Hiervoor zijn twee mechanisme te noemen, onvoldoende uitwasemen van het aanwezige vocht, of onvoldoende bescherming tegen optrekkend vocht. Bij de binnenmuur kan alleen onvoldoende protectie tegen optrekkend vocht worden genoemd.”

“Rechter zijgevel, deze gevel is noord gericht, droogt langzaam aan de lucht en kan ten tijde van de injectie ook het natst zijn. Oorzaak poriën niet volledig gevuld met injectievloeistof (waterglas). Oorzaak optrekkend vocht 100%. (…)”

“Voorgevel, deze gevel is oost gericht, per definitie minder nat. Vochtpercentage te hoog, streven is tussen de 1 en 2%, oorzaak optrekkend vocht 80%, onvoldoende dampdoorlatendheid van de coating 20%. (…)”

“In de rechter zijgevel is het vochtpercentage dermate hoog dat dit volledig kan worden toegeschreven aan het niet functioneren van het vochtscherm.

In de voorgevel is het vochtpercentage met 3,5% te hoog, waardoor kan worden getwijfeld over het voldoende functioneren van het vochtscherm. De coating op de gevel is voldoende waterkerend (…). De aangebrachte coating is voldoende ademend, maar omdat niet bekend is of alle oude coating volledig is verwijderd, kan niet worden uitgesloten dat de gevel onvoldoende dampdoorlatend is. (…)”

“Voor de constructieve binnenmuur kan alleen een defect van het vochtscherm als oorzaak voor het vocht in deze muur worden aangemerkt.”

“Hoewel met name bij de voorgevel de invloed op het vochtpercentage van de coating niet geheel is uit te sluiten is, is het mede gelet op de bevindingen bij de rechter zijgevel en binnenmuur, aannemelijk dat de hoofdoorzaak het onvoldoende functioneren van het vochtscherm is. (…)”

“Er zijn geen zichtbare aanwijzingen in de plint te zien die duiden op een gebrek van dit systeem, dit ondanks de hoge vochtpercentages in het metselwerk. Inducryl façade is een waterwerende- en dampdoorlatende coating, uitstekend geschikt voor toepassing in deze situatie. Tevens is de coating geruime tijd na uitvoering van de behandeling tegen optrekkend vocht aangebracht. (…)”

“De onthechting van het stucwerk van de binnenmuur kan alleen door optrekkend vocht zijn veroorzaakt. Immers het vocht wat tijdens het stucwerk in de muur trekt, zal gemakkelijk aan de oppervlakte kunnen verdampen. (…)”

“De heer [betrokkene] refereert steeds naar het niet goed functioneren van de coating. Hierbij gaat hij gemakshalve voorbij aan het feit dat de coating, geruime tijd na het aanbrengen van het vochtscherm, is aangebracht. Nog aanwezig restvocht zou voldoende tijd hebben gehad te verdampen. Voorts is er sprake van een dampdoorlatende coating zodat nog aanwezig restvocht kan verdampen na het aanbrengen van de coating.”

3.12.
Het hof is van oordeel dat de deskundige de opmerkingen van [appellante] ( [betrokkene] ) heeft bestudeerd en daarop gemotiveerd is ingegaan. Het verschil van inzicht tussen de deskundige en [betrokkene] spitst zich in de kern toe op de vraag welke impact de coating en oude verflagen hebben op het vochtprobleem, gelet op alle omstandigheden. Zowel de deskundige als [betrokkene] vinden dat optrekkend vocht en de coating/verflagen een rol spelen, maar zij zijn het niet eens over de omvang van deze rol. [betrokkene] gaat uit van 90% coating/verflagen tegenover 10% optrekkend vocht. De deskundige adviseert 20% coating tegenover 80% optrekkend vocht (voorgevel) en 0% coating tegenover 100% optrekkend vocht (rechter zijgevel). Het hof is van oordeel dat de deskundige onder de omstandigheden voldoende onderzoek heeft gedaan en zijn bevindingen voldoende heeft gemotiveerd, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde passages uit zijn rapport. Het gaat hier om een oordeel op basis van kennis en ervaring. Uit het rapport van de deskundige blijkt dat hij een goed inzicht heeft in de problematiek en de nodige kennis en ervaring heeft. Het hof acht het rapport van de deskundige overtuigend en betrouwbaar. Nader onderzoek is gelet op het rapport, de opmerkingen van partijen en het belang van de zaak niet geïndiceerd. Het hof zal de deskundige volgen. Het hof memoreert dat [appellante] tegenbewijs mocht leveren door middel van een deskundigenbericht. Het in dit verband uitgebrachte rapport van Kattevilder heeft er niet toe geleid dat het voorshands door [geïntimeerden] geleverde bewijs werd ontzenuwd. Integendeel. Het door [geïntimeerden] voorshands geleverde bewijs werd grotendeels bevestigd en uit het voorgaande volgt dat het rapport van [betrokkene] onvoldoende is om tot een ander oordeel te leiden. Dit betekent [geïntimeerden] heeft bewezen dat de oorzaak van het vochtprobleem gelegen is in optrekkend vocht.
3.13.
De opmerkingen van [appellante] over de herstelkosten leveren naar het oordeel van het hof geen inzichten op die leiden tot een andere begroting. [appellante] heeft de vereiste onderbouwing niet gegeven. [appellante] voert aan dat het vochtpercentage aan de voorgevel niet te hoog is, maar hij licht dat niet toe en de deskundige heeft geadviseerd dat het percentage wel te hoog is. [appellante] voert aan dat [geïntimeerden] een coating op de plint heeft aangebracht, maar [appellante] heeft niet onderbouwd welke impact dit zou kunnen hebben op het vochtpercentage en de kostenbegroting. [appellante] heeft ook gesteld maar niet onderbouwd, dat de plint niet hoeft te worden verwijderd om opnieuw te injecteren, dat het terugplaatsen van de plint een zekere impact heeft op de mogelijkheid tot ademen en dat de begrote kosten voor verwijdering en vervanging van 20 m1 plint buiten proportie zijn. Bij deze stand van zaken volgt het hof de deskundige wat betreft de herstelmaatregelen en de begroting van de herstelkosten.
3.14.
Grieven III en IV falen.
3.15.
De conclusie van het voorgaande is dat de grieven falen en dat de vorderingen van [geïntimeerden] door de kantonrechter terecht zijn toegewezen. De bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep worden veroordeeld (voor salaris advocaat: 1 punt, tarief € 759,--).
4

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 313,-- voor verschotten en € 759,-- voor salaris advocaat, en voor nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, R.J.M. Cremers en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 juni 2019.

griffier rolraadsheer