Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:2044

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 06-06-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 06-06-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:2044, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.255.368_01 en 200.255.799_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie - en jeugdrecht

Uitspraak : 6 juni 2019Zaaknummers : 200.255.368/01 en 200.255.799/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/353638 / JE RK 19-22
in de zaken in hoger beroep van:

in de zaak met nummer 200.255.368/01

[pleegouders]

wonende te [woonplaats] ,appellanten,hierna te noemen: de pleegouders,advocaat: mr. M. Kramer.
in de zaak met nummer 200.255.799/01

Stichting Intervence,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),advocaat: mr. C.M. Lattmann-van der Heijde.
Deze zaken hebben betrekking op de minderjarige:
[minderjarige]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .
In de zaak met merkt het hof als belanghebbende aan:de GI.
In de zaak met merkt het hof als belanghebbenden aan: de voornoemde pleegouders.
In beide zaken merkt het hof als belanghebbenden aan:

[vader]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. V.C. Serrarens;
[moeder]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: de moeder,zonder advocaat.
In beide zaken is in zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.

ECLI:NL:GHSHE:2019:2044:DOC
nl

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH


Team familie - en jeugdrecht

Uitspraak : 6 juni 2019Zaaknummers : 200.255.368/01 en 200.255.799/01Zaaknummer 1e aanleg : C/02/353638 / JE RK 19-22
in de zaken in hoger beroep van:

in de zaak met nummer 200.255.368/01

[pleegouders]

wonende te [woonplaats] ,appellanten,hierna te noemen: de pleegouders,advocaat: mr. M. Kramer.
in de zaak met nummer 200.255.799/01

Stichting Intervence,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,appellante,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),advocaat: mr. C.M. Lattmann-van der Heijde.
Deze zaken hebben betrekking op de minderjarige:
[minderjarige]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .
In de zaak met merkt het hof als belanghebbende aan:de GI.
In de zaak met merkt het hof als belanghebbenden aan: de voornoemde pleegouders.
In beide zaken merkt het hof als belanghebbenden aan:

[vader]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: de vader,advocaat: mr. V.C. Serrarens;
[moeder]

wonende te [woonplaats] ,hierna te noemen: de moeder,zonder advocaat.
In beide zaken is in zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie] ,hierna te noemen: de raad.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 februari 2019.

2

in de zaak met nummer 200.255.368/01

2.1.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 maart 2019, tevens aangevuld ter zitting, hebben de pleegouders het hof primair verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover dit ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 22 juni 2019 casu quo voor zover dit ziet op de afwijzing van de verzochte termijn en het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling alsnog toe te wijzen en subsidiair een onderzoek te gelasten door een onafhankelijk deskundige.
2.2.
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 1 april 2019, heeft de GI het hof in principaal appel verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover dit ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 22 juni 2019 casu quo voor zover dit ziet op de afwijzing van de verzochte termijn te vernietigen en het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling alsnog toe te wijzen.Tevens heeft de GI incidenteel appel ingesteld en verzocht, voor zover de wet zulks toelaat en indien door het hof noodzakelijk wordt geacht, een onderzoek te gelasten door een onafhankelijke deskundige, van bijvoorbeeld [naam 1] of het [naam 2] , naar de ontwikkelingsbehoeften en hechting van [minderjarige] aan de vader en de pleegouders, zodat een verantwoorde beslissing over de verblijfplaats kan worden genomen van [minderjarige] .
in de zaak met nummer 200.255.799/01

2.3.
Bij beroepschrift met producties, ingekomen op 7 maart 2019, heeft de GI het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover dit ziet op de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 22 juni 2019 casu quo voor zover dit ziet op de afwijzing van de verzochte termijn en het inleidende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling alsnog toe te wijzen.
in beide zaken in hoger beroep

2.4.
De vader heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 27 maart 2019, het hof verzocht de verzoeken van de pleegouders en de GI af te wijzen en alsnog zo spoedig mogelijk een thuisplaatsingstraject op te stellen en subsidiair een onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de mogelijkheid van thuisplaatsing van [minderjarige] bij hem.
in de zaak met nummer 200.255.368/01

2.5.
De vader heeft bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 april 2019, het hof verzocht inzake het incidenteel appel van de GI, het verzoek van de GI onder punt 1 af te wijzen dan wel slechts gedeeltelijk toe te wijzen tot maximaal 1 november 2019 en het verzoek van de GI onder punt 2 toe te wijzen indien en voor zover de beslissing van de rechtbank om direct over te gaan tot thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet in stand wordt gelaten.
2.6.
Gelet op de inhoudelijke samenhang van beide zaken zijn deze gelijktijdig op zitting behandeld. In de onderhavige beschikking wordt op de voornoemde verzoeken gezamenlijk beslist.
2.7.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:
- de pleegouders, bijgestaan door mr. Kramer;- de GI vertegenwoordigd door de heer [vertegenwoordiger van de GI] , bijgestaan door mr. Lattmann-van derHeijde;- de vader, bijgestaan door mr. Serrarens.
2.7.1.
De moeder is, met bericht van verhindering, ingekomen ter griffie op 7 maart 2019, niet ter zitting verschenen.
2.7.2.
Namens de raad is, na telefonisch bericht van verhindering, geen vertegenwoordiger ter zitting verschenen.
2.8.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:
-

de brief van de raad d.d. 17 april 2019;

de pleitnotities van de advocaten in de schorsingszaken 200.255.368/02 en 200.255.799/02;

het V6-formulier met bijlage van de advocaat van de pleegouders d.d. 17 april 2019;

het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de GI d.d. 19 april 2019;

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 14 februari 2019;

de ter zitting door de advocaat van de pleegouders overgelegde pleitnotitie.

2.9.
Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een brief van mr. Serrarens van 13 mei 2019 met bijlagen en de reactie van mr. Kramer van 29 mei 2019.
overwegingen

3

3.1.
Uit de affectieve relatie van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] de minderjarige [minderjarige] geboren. [minderjarige] verblijft sinds zijn geboorte - aanvankelijk in het vrijwillig kader - in het gezin van de pleegouders. De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige] .
3.2.
De kinderrechter heeft bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak van 22 februari 2018 [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld. Daarnaast is door de kinderrechter machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg. Sindsdien is de ondertoezichtstelling verlengd.Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 2 november 2018 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met verlengd tot 22 februari 2019.
3.3.
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 22 februari 2019 en tot 22 februari 2020. Tevens is de aan de GI verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 22 februari 2019 en tot 22 juni 2019 verlengd. Het meer of anders verzochte is afgewezen.De kinderrechter deelt niet het standpunt van de GI dat de aanvaardbare termijn reeds is verstreken waardoor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet tot de mogelijkheden behoort. Er zijn naar het oordeel van de kinderrechter thans onvoldoende redenen om aan te nemen dat de vader de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet op zich zou kunnen nemen. Wel is daarvoor nodig dat die thuisplaatsing naar de vader geleidelijk opbouwend en gefaseerd plaatsvindt binnen een niet al te lang tijdvak. De kinderrechter acht daarom een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier maanden nog noodzakelijk. In de rechtsoverweging (derde tekstblok van pagina 4 van de beschikking) formuleert de kinderrechter de onderdelen van het terugplaatsingstraject vanaf 22 februari 2019, waarbij [minderjarige] vanaf 22 juni 2019 dan weer bij de vader woont. De kinderrechter stelt vervolgens in de overwegingen van de beschikking (en dus niet in het dictum) het terugplaatsingstraject vast: in de eerste maand wekelijks twee dagdelen, niet vallend in het weekend; in de tweede maand wekelijks twee aaneensluitende dagen, niet in de weekends, met in elk geval tweemaal een overnachting; in de derde maand wekelijks drie aaneengesloten dagen, niet in de weekends, met telkens twee overnachtingen; in de vierde maand de hele week van maandagochtend tot vrijdagmiddag. Vanaf 22 juni 2019 zou [minderjarige] dan bij de vader wonen.
3.4.
De pleegouders en de GI kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan, ieder afzonderlijk, in hoger beroep gekomen.
3.5.
Bij beschikking van dit hof van 21 maart 2019 is reeds beslist op de door zowel de pleegouders als de GI aan het hof voorgelegde verzoeken tot schorsing van de bestreden beschikking voor wat betreft het terugplaatsingstraject. Het hof heeft - zowel in de zaak met zaaknummer 200.255.368/02 als in de zaak met zaaknummer 200.255.799/02 - de werking van de bestreden beschikking geschorst, voor zover het betreft het daarin vervatte terugplaatsingstraject, meer in het bijzonder het tekstblok op pagina 4 vanaf “Dat terugplaatsingstraject houdt vanaf 22 februari 2019 de volgende onderdelen in.”... tot en met “Vanaf 22 juni 2019 woont [minderjarige] dan weer bij de vader.”
In de zaak met nummer 200.255.368/01

3.6.
De pleegouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.In de eerste plaats is de rechtbank van een onvolledig en onjuist feitencomplex uitgegaan. De rechtbank is er ten onrechte van uit gegaan dat de vader de verzorging en opvoeding van [minderjarige] al eerder voor zijn rekening heeft genomen. Er is geen sprake van een thuisplaatsing nu [minderjarige] niet eerder bij de vader heeft gewoond.Verder betwisten de pleegouders dat in de door de GI gehanteerde beoordelingsboog is geconcludeerd dat de vader met hulp de verzorging en opvoeding weer op zich kan nemen. Er zijn immers door vier professionele partijen conclusies getrokken waarvan er door één partij (IPT-er) is geconcludeerd dat [minderjarige] (onder voorbehoud) bij de vader geplaatst zou kunnen worden. De andere partijen (de jeugdbeschermer, de pleegzorgaanbieder en de omgangsbegeleider) zijn van mening dat de thuisplaatsing bij vader niet tot de mogelijkheden behoort.Anders dan de rechtbank doet voorkomen is IPT in dit geval geen instantie, het betreft het oordeel van één individuele IPT-medewerker die meent dat de vader de verzorging en opvoeding op zich kan nemen. Het uitgangspunt van de rechter dat meerdere professionals van mening zijn dat de vader met hulp de verzorging en opvoeding op zich kan nemen is derhalve onjuist.Verder ontkennen de pleegouders dat zij hebben aangegeven dat zij begrip hebben voor de situatie waarin [minderjarige] bij zijn vader zal gaan wonen. De pleegouders hebben immers ter zitting van de rechtbank hun zorgen benadrukt met betrekking tot de beëindiging van de plaatsing.Anders dan de rechtbank overweegt - dat de vader inzicht geeft in zijn situatie, meewerkt aan de hulpverlening en een open houding heeft richting de pleegouders - benadrukken de pleegouders dat de rapportage van Intervence een ander beeld geeft van de vader.
In de tweede plaats stellen de pleegouders dat de rechtbank een onjuist uitgangspunt hanteert. De rechtbank baseert zich ten onrechte op de visie van één professional, te weten de IPT- medewerker, die vooral heeft gekeken naar wat de mogelijkheden van de vader zijn. Er is door deze medewerker niet gekeken naar wat [minderjarige] nodig heeft, gezien zijnvoorgeschiedenis en ontwikkelingsbehoefte. De IPT-er heeft geen zicht op [minderjarige]in het pleeggezin omdat de medewerker alleen vanuit de thuissituatie bij de vader werkt.Het standpunt van de pleegzorgaanbieder [instelling 1] die zowel de opvoedsituatie van [minderjarige] inhet pleeggezin als de situatie bij de vader thuis kent en die van mening is dat het verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin niet beëindigd moet worden, heeft de kinderrechter nietmeegewogen. Bovendien was de betreffende IPT-er pas vanaf de zomer (2018)betrokken bij [minderjarige] en de vader. Ook wijzen de pleegouders erop dat er tot op heden geenonbegeleide contacten hebben plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] en er alleen sprakewas van een begeleide omgangsregeling.
Tot slot benadrukken de pleegouders dat de rechtbank ten onrechte voorbij gaat aan de visievan betrokken deskundigen en het feit dat ten minste nader onderzoek nodig is alvorens een dergelijk ingrijpend besluit kan worden genomen over het perspectief van [minderjarige] .De rechtbank heeft terecht de hechting van [minderjarige] als vaststaand aangenomen maarvervolgens ten onrechte overwogen dat die een thuisplaatsing niet in de weg staat.De pleegouders verwijzen naar het werk van professor Juffer: Beslissingen over kinderen inproblematische opvoedsituaties, Inzichten in gehechtheidsonderzoek, Research Memoranda,nummer 6/2010, door F. Juffer, jaargang 6.Een overplaatsing van [minderjarige] kan zijn positieve ontwikkeling te niet doen omdat er niemandis die hem aanvoelt en begrijpt en niemand die het verlies van zijn pleegouders zou kunnenbegrijpen. De eerste 1000 dagen worden in de wetenschappelijke literatuur van cruciaalbelang geacht. De gehechtheid aan een specifieke persoon – de selectieve gehechtheid – is devoorwaarde voor een adequate persoonlijkheidsontwikkeling. De vader kan immers ook eenrol blijven spelen in het leven van [minderjarige] zonder dat hij hem opvoedt en zonder dathet verblijf van [minderjarige] in het pleeggezin wordt beëindigd. Zijn vaderschap kan ook in eenreguliere omgangsregeling worden vormgegeven. Derhalve is een ingrijpende maatregel als het doorbreken van de veilige hechting van [minderjarige]in het pleeggezin in strijd met het belang van [minderjarige] . De pleegouders menen bij dit alles dat op grond van artikel 3 Verdrag inzake de Rechten vanhet Kind (IVRK) het belang van [minderjarige] dient te prevaleren boven de wens van de vader om [minderjarige] op te gaan voeden.
3.7.
De GI ondersteunt (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting, - kort samengevat - de grieven van de pleegouders, als volgt. Volgens de GI kan niet anders geconcludeerd worden dat geen enkele professional ervan overtuigd is dat de vader de verzorging van [minderjarige] op zich kan nemen. Het merendeel van de professionals stelt zich op het standpunt dat het redelijk zeker is dat een plaatsing bij de vader zal mislukken.Het ligt in de verwachting dat overplaatsing van [minderjarige] naar de vader traumatiserend kan zijn voor [minderjarige] , mede gelet op de hechting van [minderjarige] aan de pleegouders door wie hij vanaf zijn geboorte wordt verzorgd.Hoewel de GI de wens van de vader - om volledig voor [minderjarige] te gaan zorgen - begrijpt, acht de GI deze wens een stap te ver. Geconcludeerd kan worden dat uit diverse publicaties, jurisprudentie en de wet blijkt dat wijziging in de verblijfplaats van [minderjarige] , die al bijna 2 jaar jaar in het pleeggezin woont, geenszins in zijn belang is. Het belang van [minderjarige] dient conform artikel 3 IVRK (duidelijkheid en continuïteit van zijn positieve ontwikkeling en hechting) te prevaleren boven de wens van de vader om voor hem te zorgen.Hoewel de GI aanvankelijk geen onderzoek van een derde nodig achtte gelet op het door de GI verrichte onderzoek, acht de GI het thans alsnog van belang dat er een gedegen onderzoek wordt verricht door een onafhankelijke instantie, zoals [naam 1] of het [naam 2] . Dit is nodig om voor de uiteindelijke beslissing draagvlak te creëren. Dit onderzoek naar de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] en zijn hechting aan de vader en de pleegouders kan dan als basis dienen om tot een verantwoorde beslissing over de verblijfplaats van [minderjarige] te komen. Daarnaast is er volgens de GI een vorm van hulpverlening nodig gericht op het bevorderen van een veilige gehechtheid van [minderjarige] aan de vader. Te denken valt aan een interventie als Basic Trust of Theraplay. Specifieke aandacht dient hierbij te zijn voor de mogelijkheid tot, en de kwaliteit van een gehechtsheidsrelatie van [minderjarige] met de vader.
3.7.1.
De GI heeft in het door haar ingestelde incidenteel appel - alsmede in haar beroepschrift in de zaak met zaaknummer 200.255.799/01 - voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een thuisplaatsing van de minderjarige tot de mogelijkheden behoort en dat er ten onrechte een terugplaatsingstraject in de beschikking opgenomen. Daarnaast heeft de rechtbank ten onrechte het verzoek van de GI - betreffende de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing - deels afgewezen. Tot slot is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan de inzichten van de betrokken deskundigen en het feit dat nader onderzoek nodig is, alvorens een dergelijk ingrijpend besluit kan worden genomen over het perspectief van [minderjarige] .
3.8.
De vader heeft in zijn verweerschrift het volgende aangevoerd.
In de zaak met nummer 200.255.368/01

3.8.1.
De vader betwist dat de term “terugplaatsingstraject” inhoudt dat de rechtbank in de veronderstelling was dat [minderjarige] ooit bij de vader heeft gewoond.De beoordelingsboog is door vier professionals ingevuld. Eén van hen is IPT-er [IPT-er] . Dat de rechtbank aan het woord IPT-er het woord “hebben” heeft gekoppeld betekent niet dat de rechtbank ervan uit is gegaan dat dit meerdere IPT-ers betrof. Ter zitting van het hof heeft de vader daaraan toegevoegd dat hij zich er niet bij neerlegt dat de uitkomst van de voornoemde beoordelingsboog de toekomst van [minderjarige] bepaalt.De vader benadrukt dat hij voor [minderjarige] wil zorgen en er sprake is van een netwerk in zijn huidige woonplaats. Ook staat hij open voor hulp en kunnen de pleegouders [minderjarige] gewoon blijven zien.De rechtbank heeft terecht veel belang gehecht aan de observatie van de IPT-er. Daarnaast zijn er meer argumenten gebruikt om tot thuisplaatsing te besluiten. Het is voor [minderjarige] erg belangrijk om nu eindelijk duidelijkheid te krijgen over zijn toekomstperspectief.Een kind dat veilig gehecht is zal zeker zijn pleeggezin gaan missen maar kan zich ook hechten aan zijn vader zonder nadelige consequenties voor zijn gehechtheid. Uiteraard is een wisseling van gezin op jonge leeftijd meer aan te raden dan op latere leeftijd.
3.8.2.
De vader heeft in zijn verweerschrift ten aanzien van het incidenteel appel van de GI aangevoerd dat de machtiging uithuisplaatsing niet door het hof verlengd dient te worden tot 22 februari 2020. Indien en voor zover dit nodig is om een onderzoek door een onafhankelijke instantie te laten uitvoeren kan de machtiging met enkele maanden worden verlengd, maximaal voor de duur van zes maanden.
In de zaak met nummer 200.255.799/01

3.8.3.
De vader stelt dat de mening van de bij de beoordelingsboog betrokken deskundigen dat een thuisplaatsing bij hem niet zal slagen, niet nader is onderbouwd. Hij benadrukt dat zijn huis op orde is. Hij werkt bovendien overal aan mee en staat toe dat er iemand blijft slapen, als hij maar aan mag tonen dat hij goed voor [minderjarige] kan zorgen. Hij is ook een goede vader geweest voor zijn dochter [dochter] uit een eerdere relatie en hij wil dit ook voor [minderjarige] zijn.Hoewel de vader inziet dat [minderjarige] zijn pleegouders als zijn echte ouders ziet, hoeft een terugplaatsing van een kind van twee jaar volgens hem niet traumatiserend te zijn, mits dit een warme overdracht betreft. Hierin ligt dan ook een belangrijke rol weggelegd voor pleegouders. De vader maakt zich hierover zorgen. Het is zijn wens dat er een stapsgewijze thuisplaatsing plaatsvindt, waarbij het ritme van [minderjarige] wordt gevolgd. Ook staat hij contact tussen [minderjarige] en de pleegouders niet in de weg.Het is in het belang van ieder jong kind om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen over de vraag waar het toekomstperspectief ligt. In dit geval is de redelijke termijn nog niet verstreken. Het is dan ook zeker redelijk dat [minderjarige] nu wordt thuisgeplaatst en dat hier niet langer mee wordt gewacht.
3.8.4.
Hoewel een nader onderzoek nog meer tijd in beslag zal nemen en de vader en [minderjarige] dan nog langer onzekerheid houden over de toekomst, heeft de vader ter zitting van het hof desgevraagd verklaard mee te willen werken met een onderzoek van het [naam 2] of een vergelijkbare onafhankelijke organisatie. Dit onderzoek dient echter zo spoedig mogelijk aangevraagd te worden. De vader gaat er dan wel vanuit dat er ook gesproken zal worden met zijn netwerk waaronder zijn moeder, zijn dochter en de voormalige IPT-er [IPT-er] .
3.9.
Het hof overweegt het volgende.
3.9.1.
De (verlenging van de) ondertoezichtstelling is niet in geschil.
3.9.2.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
3.9.3.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste één jaar.
3.9.4.
Ter zitting van het hof is met de pleegouders, de stichting en de vader de mogelijkheid besproken om een deskundigenonderzoek te gelasten door een onafhankelijke derde, waarbij gedacht wordt aan het [naam 2] , [naam 1] of een vergelijkbare instantie. Gebleken is dat alle betrokkenen zich in een dergelijk onderzoek kunnen vinden.Nu het hof zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen ten aanzien van de eventuele plaatsing van [minderjarige] bij de vader, zal het hof - bij afzonderlijke beslissing - een deskundigenonderzoek gelasten.
3.10.
Het voorgaande leidt er toe dat - in afwachting van het resultaat van voornoemd deskundigenonderzoek - de bestreden beschikking wat betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] dient te worden vernietigd en het verlengingsverzoek van de GI alsnog wordt toegewezen met ingang van 22 februari 2019 tot 22 november 2019, met aanhouding van het verzoek voor het overige. Het hof zal de verdere behandeling van de zaak vier maanden pro forma aanhouden tot 3 oktober 2019.
beslissing

4

Het hof:

zowel in de zaak met nummer 200.255.368/01 als in de zaak met nummer 200.255.799/01

op het principaal en het incidenteel appel

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg van 15 februari 2019, voor zover het betreft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en het daaraan gekoppelde thuisplaatsingstraject

en in zoverre opnieuw recht doende:

wijst alsnog toe het inleidend verzoek van de GI, in zoverre dat de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg wordt verlengd tot 22 november 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 3 oktober 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, O.G.H. Milar en H.J. Witkamp en is op 6 juni 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.