Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1831

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:1831, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.222.716_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.222.716/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. Y.K. Kunze te Kerkrade,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 5011199CV EXPL 16-3937 gewezen vonnis van 19 april 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:1831:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.222.716/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. Y.K. Kunze te Kerkrade,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 30 oktober 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer 5011199CV EXPL 16-3937 gewezen vonnis van 19 april 2017.

5

- het tussenarrest van 30 oktober 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de in het tussenarrest vermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

-

de bij brief van 10 april 2019 door [geïntimeerde] toegezonden akte aanzegging schorsing en hervatting geding en de brief van 10 april 2019 met de instemmende antwoordakte van [appellant] , die partijen bij het pleidooi in het geding hebben gebracht;

het pleidooi gehouden op 12 april 2019.

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
Partijen hebben een huurovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten van 1 augustus 2008 tot en met 31 juli 2009 voor de woning aan de [adres 1] te [plaats 1] . De huurprijs per maand bedroeg € 650,--.

6.1.2.
Op 10 maart 2009 heeft [appellant] aan [geïntimeerde] een e-mailbericht gestuurd waarin onder meer staat:
6.1.3.
Omstreeks maart 2009 heeft de politie een inval gedaan in de woning. De aldaar aangetroffen hennepkwekerij is opgeruimd.
6.1.4.
Bij brief van 3 april 2009 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd per 1 juni 2009.
6.1.5.
Bij brief van 24 april 2009 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor schade wegens schending van het goed huurderschap.
6.1.6.
Bij vonnis van 3 november 2009 in kort geding is de huur van de maanden januari 2009 tot en met april 2009 toegewezen.
6.1.7.
In december 2013 was [geïntimeerde] pas woonachtig aan de [adres 2] te [plaats 2] .
6.1.8.
De advocaat van [appellant] heeft [geïntimeerde] op voornoemd adres op 30 december 2013 een brief gestuurd met onder meer de volgende inhoud:
6.2.1.
In eerste aanleg vorderde [appellant] van [geïntimeerde] – samengevat – betaling van een bedrag van € 36.832,--, een bedrag van € 1.383,42 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede betaling van de proceskosten, kosten voor het conservatoir beslag en nakosten.
6.2.2.
Op hetgeen [appellant] ten grondslag heeft gelegd aan zijn vorderingen en de door [geïntimeerde] gevoerde verweren zal het hof hierna, voor zover relevant in hoger beroep, ingaan.
6.2.3.
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem in de kosten van de procedure veroordeeld. Hetgeen de kantonrechter hiertoe heeft overwogen zal in het navolgende aan de orde komen waar dat van belang is voor de behandeling van de grieven.
6.3.
[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.
6.4.1.
De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
6.4.2.
[appellant] stelt dat [geïntimeerde] in strijd met de huurovereenkomst hennep heeft geteeld in de woning en niet heeft gehandeld als goed huurder. Het in eerste aanleg gevorderde bedrag van € 36.832 is door [appellant] als volgt gespecificeerd:a. huur mei 2009 € 650,--b. derving huurinkomsten € 3.900,--c. derving schade openbare verkoop € 29.000,--d. servicekosten € 2.816,--e. ontruimingskosten € 350,--f. aansluiting nutsvoorzieningen € 116,--.
6.4.3.
Het hof zal als eerste het verweer van [geïntimeerde] behandelen waarbij hij stelt dat hij geen schadevergoeding is verschuldigd, omdat [appellant] op de hoogte was van de hennepplantage. Het hof overweegt dat tussen partijen vast staat dat de buurvrouw van [geïntimeerde] begin of medio januari 2009 [appellant] heeft gebeld met de mededeling dat er iets niet klopte in zijn verhuurde woning. [appellant] is vervolgens gaan kijken en heeft via het balkon van de buren schimmelvorming in de woning geconstateerd. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep erkend dat hij wist dat er hennep in de woning was en dat [geïntimeerde] hem tijd vroeg om te kunnen oogsten, zodat hij [appellant] kon betalen. Deze gang van zaken wordt ook bevestigd door de inhoud van het mailbericht van 10 maart 2009 (rov. 6.1.2.). Deze afspraak tussen partijen heeft niet tot betaling geleid, omdat de politie – zonder toedoen van [appellant] – daarna een inval in de woning heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof had [appellant] echter direct nadat hij had ontdekt dat er hennep werd geteeld (en dus ruim voor de politie-inval) [geïntimeerde] opdracht moeten geven de hennepplantage op te ruimen en het huis op te knappen. Nu [appellant] dat niet heeft gedaan en (opportunistisch) heeft afgewacht, gaat het niet aan dat [appellant] zich erop beroept dat [geïntimeerde] geen goed huurder was en komt [appellant] geen recht op schadevergoeding toe, zoals gevorderd onder b, c, e en f in rov. 6.4.2.
6.4.4.
Het hof overweegt ten aanzien van de vorderingen a. (huur mei 2009) en d. (servicekosten) dat gezien het verjaringsverweer van [geïntimeerde] van belang is of de verjaring is gestuit. Als het hof er – net als de kantonrechter heeft gedaan – veronderstellenderwijs van uit gaat dat de brief van 30 december 2013 (rov. 6.1.7.) door [geïntimeerde] is ontvangen, dan geldt het volgende.
6.4.5.
De verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis kan onder meer worden gestuit door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (art. 3:317 lid 1 BW). Deze schriftelijke mededeling moet een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar inhouden dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. Bij de beoordeling of de mededeling aan de in art. 3:317 lid 1 BW gestelde eisen voldoet, dient niet alleen te worden gelet op de formulering daarvan, maar ook op de context waarin de mededeling wordt gedaan en op de overige omstandigheden van het geval (zie ECLI:NL:HR:2018:111).
6.4.6.
Uit het feitenoverzicht in deze zaak (onder 6.1) blijkt dat [appellant] ten aanzien van de schade die hij vergoed wilde zien en de huur twee sporen heeft gevolgd. Ten aanzien van de huur heeft hij een kort geding gevoerd met een toewijzend vonnis in november 2009. Ten aanzien van de schade heeft [appellant] in april 2009 een brief met een aansprakelijkheidsstelling gestuurd en aanvankelijk verder geen actie ondernomen. Uit de tekst van zijn brief van 30 december 2013 blijken deze twee sporen ook. [appellant] stelt dat hij schade heeft geleden door de hennepplantage en schrijft vervolgens dat er een procedure is gevoerd voor achterstallige huurpenningen. [appellant] stelt vervolgens zich het recht te hebben voorbehouden om de schade die voortvloeide uit de hennepplantage te verhalen, waarbij hij uitdrukkelijk noemt: opruimen van de hennepplantage en schade aan de woning. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] ten aanzien van de schade door de hennepplantage een voldoende duidelijke waarschuwing gegeven dat [geïntimeerde] er ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening mee moest houden dat hij de beschikking hield over zijn gegevens en bewijsmateriaal. Dit geldt echter niet ten aanzien van de achterstallige huur en servicekosten. Te meer niet omdat [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij de huur van mei contant heeft voldaan aan [appellant] en hij nu een bewijsprobleem heeft. Ten aanzien van het tweede spoor, de huur en servicekosten, oordeelt het hof dan ook dat de verjaring niet is gestuit door deze brief. Nu niet is gesteld of is gebleken dat de verjaring op een andere manier is gestuit, is dit deel van de vordering verjaard. Over de servicekosten overweegt het hof verder nog dat [appellant] deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd, nu [geïntimeerde] die gemotiveerd betwist stellende dat het een all-in prijs betrof en uit de huurovereenkomst enkel een huurprijs wordt genoemd zonder dat servicekosten (op enige plaats in de overeenkomst) zijn vermeld.
6.4.7.
Gelet op bovenstaande overwegingen komt het hof niet toe aan het opdragen van bewijs. Ook de proceskostenbeslissing in eerste aanleg kan in stand blijven. Het hof constateert dat alle grieven falen en zal het vonnis van de kantonrechter bekrachtigen.
6.4.8.
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:- griffierecht € 313,--- salaris advocaat € 4.868,50 (3,5 punten x tarief III).
7

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 313,-- aan griffierecht en op € 4.868,50 aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, H.K.N. Vos en P.S. Kamminga en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2019.

griffier rolraadsheer