Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1824

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:1824, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.218.971_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Zaaknummer 200.218.971/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

ECLI:NL:GHSHE:2019:1824:DOC
nl

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
Zaaknummer 200.218.971/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

1

2. [appellant 2]

beiden wonende te [woonplaats] (Roemenië), appellanten,advocaat: mr. M.R. Minekus te Middelburg,
tegen:

Vereniging tot verlening van diensten aan de bewoners van de serviceflat

“ [de serviceflat] ” U.A.

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde, advocaat: mr. T. Delmee te Tilburg,
als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 13 november 2018 in het hoger beroep van de door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer/rolnummer 4386363 / 15-5044 tussen partijen gewezen vonnissen van 25 mei 2016 en 15 maart 2017.

5

- het tussenarrest van 13 november 2018;- de akte van [appellanten] van 11 december 2018 met een productie;- de antwoordakte van de [geintimeerde] van 22 januari 2019.Partijen hebben arrest gevraagd.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

overwegingen

6

6.1
Bij tussenarrest van 13 november 2018 heeft het hof [appellanten] toegelaten de brief van 25 juli 2012 als bedoeld in rechtsoverweging 3.10 van dat arrest alsnog in het geding te brengen en desgewenst kort in te gaan op de producties die de [geintimeerde] bij memorie van antwoord heeft overgelegd.
6.2
Naar aanleiding hiervan heeft [appellanten] de brief van 25 juli 2012 overgelegd. De brief is afkomstig van ‘de VvE en/of de coöperatie’, ondertekend namens het bestuur van “ [de serviceflat] ” en gericht aan het notariskantoor. Hierin is onder meer opgenomen dat er geen bezwaar is tegen de verkoop van het appartement aan [appellanten] en dat de daarin vermelde voorschotbedragen moeten worden betaald aan de VvE (eigenaarslasten) respectievelijk aan de coöperatie (servicekosten/stookkosten).
6.3
Volgens [appellanten] blijkt uit deze brief niet dat zij een aanvraag voor het lidmaatschap van de coöperatie heeft ingediend die door de coöperatie is bevestigd, in het register is aangetekend en door [appellanten] bekrachtigd op de wijze die de coöperatie voorschreef. [appellanten] betoogt dat zij nooit lid is geworden van de coöperatie/ [geintimeerde] en, onder verwijzing naar een arrest van dit hof van 19 april 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:1516), dat van een kwalitatief lidmaatschap geen sprake is. Uit de producties die de [geintimeerde] bij memorie van antwoord heeft overgelegd kan volgens [appellanten] niet worden opgemaakt dat zij lid heeft willen worden van de coöperatie. Volgens haar heeft de coöperatie haar misleid waardoor zij in de veronderstelling verkeerde dat zij de facturen van de coöperatie diende te voldoen.
6.4
Volgens de [geintimeerde] bracht de aankoop van het appartementsrecht voor [appellanten] op grond van de splitsingsakte een verplicht lidmaatschap van de coöperatie mee. Dit blijkt volgens haar ook uit de brief van 25 juli 2012, aangezien daarin de toestemming voor de aankoop van het appartementsrecht is opgenomen en een aanzegging van de kosten van de VvE en van de coöperatie. Formaliteiten zijn volgens de [geintimeerde] geen voorwaarde om van een lidmaatschap van de coöperatie te kunnen spreken. Door het aanvaarden van het aanbod tot aankoop van het appartementsrecht met het daarvoor verplicht gestelde lidmaatschap van de coöperatie is dit tot stand gekomen. Uit het handelen van [appellanten] blijkt vervolgens dat zij eveneens uitging van het bestaan van het lidmaatschap van de coöperatie, aldus de [geintimeerde] .
6.5
Het hof stelt vast dat de brief van 25 juli 2012 die [appellanten] heeft overgelegd de brief is waarnaar wordt verwezen in artikel 5 lid 3 sub e van de leveringsakte van 27 juli 2012. Iets anders is niet gesteld of gebleken. Uit deze brief blijkt niet alleen van de toestemming tot toelating als lid van de coöperatie die volgens de leveringsakte vereist is, maar ook van de gevolgen van dat lidmaatschap, te weten de betalingen voor servicekosten en stookkosten waartoe de koper gehouden zou zijn. Vervolgens hebben beide partijen zich ook gedragen op een wijze die alleen te rijmen is met een lidmaatschap van de coöperatie/ [geintimeerde] , tot aan de opzegging door [appellanten] per 1 januari 2015. De coöperatie en nadien de [geintimeerde] hebben aan [appellanten] facturen gezonden overeenkomstig de vermelding in de brief van 25 juli 2015, de diensten zijn dienovereenkomstig geleverd en de facturen zijn geruime tijd door [appellanten] ook voldaan. Een en ander houdt naar het oordeel van het hof een bevestiging van het feitelijk bestaan van het lidmaatschap in. Onder deze omstandigheden houdt ook het betoog van [appellanten] dat zij door de coöperatie is misleid door haar een niet bestaand lidmaatschap aan te praten, geen stand. Naar het oordeel van het hof heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat van dergelijke misleiding sprake is geweest.
6.6
De consequentie van dit alles is dat de grondslag aan het verweer van [appellanten] tegen de vordering van de [geintimeerde] in conventie en aan haar vordering in reconventie is komen te ontvallen, zodat de grief van [appellanten] tegen de vonnissen van 25 mei 2016 en 15 maart 2017 wordt verworpen. Voor bewijslevering is bij deze stand van zaken geen aanleiding. De vonnissen zullen worden bekrachtigd met veroordeling van [appellanten] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.
7

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van 25 mei 2016 en 15 maart 2017, waarvan beroep;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van de [geintimeerde] begroot op € 716,= aan griffierecht en op € 1.138,50 aan salaris advocaat, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen en R.J.M. Cremers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2019.

griffier rolraadsheer