Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1811

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 14-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 14-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:1811, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.205.599_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.205.599/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante in principaal hoger beroep,geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als: de vrouw,advocaat: mr. M.E. Cuppen te Wittem,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde in principaal hoger beroep,appellant in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als: de man,advocaat: mr. D.M.A. Oud te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 november 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/203583 / HA ZA 15-146 gewezen vonnis van 14 september 2016.

ECLI:NL:GHSHE:2019:1811:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.205.599/01

arrest van 14 mei 2019

in de zaak van

[appellante]

wonende te [woonplaats] ,appellante in principaal hoger beroep,geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als: de vrouw,advocaat: mr. M.E. Cuppen te Wittem,
tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde in principaal hoger beroep,appellant in incidenteel hoger beroep,hierna aan te duiden als: de man,advocaat: mr. D.M.A. Oud te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 november 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, onder zaaknummer C/03/203583 / HA ZA 15-146 gewezen vonnis van 14 september 2016.

5

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

-

het tussenarrest van 13 november 2018;

de memorie na tussenarrest van de man met producties en een wijziging van eis;

de antwoordmemorie van de vrouw met één productie.

overwegingen

6

in principaal en incidenteel hoger beroep

6.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld nadere informatie aan het hof te verstrekken, zoals vermeld in het dictum van het tussenarrest.
6.2.
In het tussenarrest heeft het hof, in rechtsoverweging 3.6.2., geoordeeld dat de vijfde grief van de vrouw faalt. Die grief was gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het beroep van de vrouw op dwaling ten aanzien van de tussen partijen gesloten overeenkomst d.d.19 december 2013 ter financiële afwikkeling van hun samenleving, faalt. De rechtbank oordeelde dat de vrouw gebonden is aan de overeenkomst van 19 december 2013.Het hof heeft in het tussenarrest onder 3.6.3 als voorlopig oordeel gegeven dat de man niet tegelijkertijd de vrouw gebonden kan achten aan de overeenkomst van 19 december 2013 en tevens (onvoorwaardelijk) een vordering kan instellen ter integrale vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenlevingsrelatie van partijen, aangezien beide standpunten onverenigbaar zijn. Het hof heeft de man uitgenodigd zich op dit punt nader uit te laten.
6.3.
De man heeft in zijn memorie na tussenarrest, naar aanleiding van voormelde overwegingen van het hof, zijn eis in hoger beroep gewijzigd, in die zin dat van het door hem in incidenteel appel gevorderde bedrag van € 80.183, - een gedeelte groot € 42.100, - geacht moet worden voorwaardelijk te zijn gevorderd, namelijk voor het geval vast mocht komen te staan dat de overeenkomst d.d. 19 december 2013 moet worden vernietigd en een gedeelte groot € 38.083,- onvoorwaardelijk wordt gevorderd, te vermeerderen met een bedrag van € 10.000, -, aangezien de vrouw dit bedrag volgens de man nog verschuldigd is ingevolge de overeenkomst van 19 december 2013.De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging.Het hof zal de eiswijziging en het bezwaar van de vrouw hierna beoordelen in het kader van de beoordeling van de vordering van de man. Het hof zal echter eerst een verdere beoordeling geven van de vordering van de vrouw.
6.4.
Uit de memorie na tussenarrest van de man valt af te leiden dat de man zijn standpunt handhaaft dat de vrouw gebonden is aan de overeenkomst van 19 december 2013.Naar het oordeel van het hof is er – nu het beroep van de vrouw op dwaling faalt – geen grond om aan te nemen dat de vrouw niet gebonden zou zijn aan voormelde overeenkomst.In het tussenarrest heeft het hof, onder 3.6.1 vastgesteld dat de overeenkomst inhield dat partijen ter financiële afwikkeling van hun samenleving zijn overeengekomen dat de vrouw aan de man een bedrag van € 20.000, - zou betalen, zulks ter finale kwijting.
6.5.
De vrouw heeft in haar memorie van antwoord na het tussenarrest betwist dat partijen finale kwijting zijn overeengekomen. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.Volgens vaste jurisprudentie is de rechter, die in een tussenuitspraak een of meer geschilpunten uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft beslist, daaraan – in beginsel – in het verdere verloop van het geding gebonden, met dien verstande dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de rechter aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in het dictum vervatte, eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800).Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet, of in ieder geval ontoereikend, onderbouwd dat de hier bedoelde beslissing van het hof zou berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Om die reden ziet het hof geen aanleiding om terug te komen op het oordeel dat partijen zijn overeengekomen zoals in rechtsoverweging 3.6.1 van het tussenarrest is vermeld.
6.6.
Naar het oordeel van het hof mocht de man er, gelet op de overeengekomen finale kwijting, redelijkerwijs op vertrouwen dat alle financiële verplichtingen over en weer die ten tijde van het sluiten van de schikkingsovereenkomst (ook) bij de vrouw bekend waren dan wel redelijkerwijs bij haar bekend konden zijn, in het overeengekomen bedrag tegen finale kwijting waren begrepen.Dit betekent dat de door de vrouw gevorderde bedragen ad € 3.595,- en € 39.098,51, wegens op bankrekeningen van respectievelijk de vennootschap van de man en de eenmanszaak van de man, niet toewijsbaar zijn: het hof is, net als de rechtbank (zoals overwogen onder 3.6.2 van het tussenarrest), van oordeel dat de vrouw vóór het sluiten van de schikkingsovereenkomst op de hoogte moet zijn geweest van de stortingen op de rekeningen van de vennootschap en de eenmanszaak van de man, aangezien de vrouw ten behoeve van de heer [betrokkene] op 15 november 2013 een overzicht heeft opgesteld van de bij haar opdrachtgevers gefactureerde bedragen wegens door haar verrichte werkzaamheden, onder vermelding van de bankrekeningen waarop die bedragen zijn gestort, waaronder de bankrekeningen van de vennootschap en de eenmanszaak van de man.
6.7.
Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 van de vrouw falen. Immers: de rechtbank heeft terecht de vorderingen van de vrouw ten bedrage van respectievelijk € 3.595,- en € 39.098,51 niet toewijsbaar geacht.

6.8.
In het tussenarrest is reeds beslist dat ook de grieven 3, 4, 5 en 6 van de vrouw falen. Naar het oordeel van het hof faalt ook de zevende grief van de vrouw, gericht tegen de compensatie van de proceskosten door de rechtbank. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat de proceskosten, gelet op de aard van de onderhavige procedure, gecompenseerd dienen te worden.Nu alle grieven van de vrouw falen dient het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie, te worden bekrachtigd.
6.9.
Het hof komt thans toe aan de beoordeling van de vordering van de man.De man vorderde in eerste aanleg een bedrag (in hoofdsom) van € 68.753, -. Een specificatie van die vordering is te vinden onder randnummer 60 van zijn CvA/CvE in eerste aanleg. Hij vorderde dat bedrag voorwaardelijk, namelijk voor het geval het beroep op dwaling van de vrouw zou worden gehonoreerd.In zijn incidenteel appelschrift vorderde de man een bedrag van € 80.168, -, zulks onvoorwaardelijk. Dit bedrag zou de som moeten zijn van het eerder (voorwaardelijk) gevorderde bedrag van € 68.753, - en een schadebedrag van € 11.430, - welk bedrag door de man voor het eerst in hoger beroep werd gevorderd wegens door hem geleden beleggingsschade als gevolg van het door de vrouw ten onrechte gelegde beslag op zijn beleggingsrekening. De som van beide bedragen is € 80.183,-. Het hof neemt aan dat het bedrag van € 80.168, - berust op een vergissing. Die vergissing is door de man in zijn memorie na tussenarrest hersteld, in die zin dat hij thans in totaal € 80.183, - vordert, waarvan een deel groot € 42.100, - voorwaardelijk en een deel groot € 38.083, - onvoorwaardelijk. Het onvoorwaardelijke deel heeft hij in zijn memorie na tussenarrest vermeerderd met een bedrag van € 10.000, -, zijnde het onbetaald gebleven deel van zijn vordering op de vrouw ingevolge de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013.
6.10.
De vrouw heeft in haar antwoordmemorie na het tussenarrest bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging die is vervat in de memorie na tussenarrest van de man.Bij de beoordeling van dit bezwaar gelden, ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad, de volgende uitgangspunten.
6.11.
De in art. 347 lid 1 Rv. besloten twee-conclusie-regel brengt mee dat de rechter in beginsel niet behoort te letten op grieven die in een later stadium dan in de memorie van grieven, dan wel (in het geval van een incidenteel appel) in de memorie van antwoord worden aangevoerd. Deze twee-conclusie-regel beperkt de - ingevolge art. 130 lid 1 in verbinding met art. 353 lid 1 Rv. - aan de oorspronkelijk eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Dit geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering niet als een grief moet worden aangemerkt.Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard, met name indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd in hoger beroep wordt betrokken of dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt, of indien de aard van het geschil meebrengt dat in een later stadium nog een grief kan worden aangevoerd of zodanige verandering of vermeerdering van eis kan plaatsvinden.Voorts kan in het algemeen het aanvoeren van een grief of een verandering of vermeerdering van eis na het tijdstip van de memorie van grieven of antwoord toelaatbaar zijn, indien daarmee aanpassing wordt beoogd aan eerst na dat tijdstip voorgevallen of gebleken feiten en omstandigheden en de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken (juridische of feitelijke) gegevens zou moeten worden beslist, of dat - indien dan nog mogelijk - een nieuwe procedure zou moeten worden aangespannen om het geschil alsnog aan de hand van de juiste en volledige gegevens te kunnen doen beslissen. Onverkort blijft dan gelden dat toelating van de nieuwe grief of de eisverandering of -vermeerdering niet in strijd mag komen met de eisen van een goede procesorde (onder meer: HR 19 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771).
6.12.
Naar het oordeel van het hof geldt voor de vermeerdering van eis ter zake van het bedrag van € 10.000, -, zijnde het onbetaald gebleven deel van de vordering van de man op de vrouw ingevolge de schikkingsovereenkomst d.d. 19 december 2013, dat geen van de uitzonderingssituaties zoals vermeld in de vorige rechtsoverweging, zich voordoet. Dit betekent dat deze eisvermeerdering in dit stadium van de procedure niet toelaatbaar is.Voor zover de man thans een deel van zijn oorspronkelijke vordering (tot een bedrag van € 42.100, -) voorwaardelijk vordert hoeft het hof daarover geen oordeel te geven omdat niet aan de voorwaarde is voldaan waaronder de vordering is ingesteld. Ten aanzien van het onvoorwaardelijk deel van de oorspronkelijke vordering (tot een bedrag van € 38.083, -) heeft te gelden dat van een eiswijziging geen sprake is, zodat het bezwaar van de vrouw in zoverre niet opgaat.
6.13.
De man heeft ten aanzien van het onvoorwaardelijke deel van zijn vordering (tot een bedrag van € 38.083, -) aangevoerd dat het gaat om vorderingen die niet vallen onder de schikkingsovereenkomst van 19 december 2013 omdat ze zijn ontstaan ná de totstandkoming van de schikkingsovereenkomst. De vrouw heeft dit niet bestreden, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.Het bedrag van € 38.083, - omvat de volgende posten:
-

aanschafkosten persoonlijke eigendommen: € 2.500, -;

inkomensschade: € 22.902, -;

boete wegenbelasting: € 396-;

kosten golfvaardigheidsbewijs: € 750,-;

bankkosten in verband met door de vrouw gelegd beslag: € 105,-;

beleggingsschade in verband met door de vrouw gelegd beslag: € 11.430, -.

Het hof zal de voormelde posten hierna achtereenvolgens beoordelen.
6.14.1.
Wat betreft aanschafkosten persoonlijke eigendommen ten bedrage van € 2.500, - heeft de man bij gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg verklaard dat het gaat om de kosten van aanschaf van gereedschap. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw deze kosten aan hem moet vergoeden omdat zij de afspraak dat hij zijn persoonlijke eigendommen (waaronder het gereedschap) zou kunnen ophalen bij haar, niet is nagekomen. Volgens de man had hij het gereedschap nodig met het oog op de verbouwing van de woning die hij na het uiteengaan van partijen had betrokken en heeft hij nieuw gereedschap moeten aanschaffen.De vrouw heeft deze stellingen weersproken. Zij stelt dat zij slechts enig huis- tuin en keukengereedschap van de man in bezit heeft dat ongeschikt is om te gebruiken bij een verbouwing. Zij wijst er voorts op dat de man zelf heeft verklaard (productie 16 bij CvA in reconventie) dat hij gereedschap van zijn vader heeft geleend. De vrouw betwist dat de man genoodzaakt is geweest persoonlijke eigendommen nieuw aan te schaffen.
6.14.2.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet vast komen staan dat de man door toedoen van de vrouw schade heeft geleden in die zin dat hij nieuw gereedschap heeft moeten aanschaffen. Bewijs voor die stelling ontbreekt, evenals een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt.
6.15.1.
Wat betreft de vordering van de man ter zake van inkomensschade ten bedrage van € 22.902, - heeft hij aangevoerd dat de vrouw geweigerd heeft bedrijfsmiddelen, die hij nodig had voor zijn bedrijfsuitoefening, aan hem af te geven. Daardoor heeft hij inkomensschade geleden die hij begroot op de hoogte van de bedrijfswinst in 2008 (het jaar voordat partijen gingen samenwonen).De vrouw betwist dat zij bedrijfsmiddelen van de man heeft achtergehouden die van belang waren voor zijn bedrijfsvoering. Zij wijst erop dat de man heeft erkend dat hij bij gelegenheid van het uiteengaan van partijen zijn telefoon, zijn computer en zijn administratie heeft meegenomen (randnummer 51 CvA/CvE). Zij betwist dat de man inkomensschade heeft geleden.
6.15.2.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende. De man was ten tijde van het uiteengaan van partijen werkzaam als zelfstandig gedragstherapeut. Naar het oordeel van het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet vast komen staan dat de man door toedoen van de vrouw inkomensschade heeft geleden. Bewijs voor die stelling ontbreekt, evenals een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt

6.16.1.
De man stelt dat hij door toedoen van de vrouw een boete ter zake van wegenbelasting voor een Peugeot heeft moeten betalen ten bedrage van € 396-. Ter onderbouwing stelt hij dat de vrouw, na het uiteengaan van partijen, nalatig is geweest met het doorsturen van zijn post en dat hij als gevolg daarvan een boete heeft moeten betalen.De vrouw heeft deze stelling weersproken. Zij stelt dat zij geen post, bestemd voor de man, ter zake van wegenbelasting heeft ontvangen.
6.16.2.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet vast komen staan dat de man door toedoen van de vrouw schade heeft geleden in die zin dat hij door toedoen van de vrouw een boete ter zake van wegenbelasting heeft moeten betalen. Bewijs voor die stelling ontbreekt, evenals een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt.

6.17.1.
De man stelt dat hij door toedoen van de vrouw schade heeft geleden doordat hij kosten zal moeten maken voor het verkrijgen van een nieuw golfvaardigheidsbewijs. Hij stelt dat de vrouw in het bezit was van zijn oude bewijs en dat zij, ondanks verzoeken zijnerzijds, geweigerd heeft het golfvaardigheidsbewijs aan hem af te geven, waardoor het is verlopen. De kosten voor het verkrijgen van een nieuw golfvaardigheidsbewijs zullen, volgens schatting van de man, € 750,- bedragen.De vrouw heeft de stellingen van de man betwist. Zij ontkent dat het oude golfvaardigheidsbewijs van de man in haar bezit is. Bovendien betwist zij dat het voor de man niet mogelijk was een kopie van het oude golfvaardigheidsbewijs op te vragen. Tenslotte wijst zij erop dat de man, in de periode waarin partijen samen waren, nimmer heeft gegolfd, zodat ook om die reden niet valt in te zien dat hij schade heeft geleden. Ook de hoogte van het bedrag is door de vrouw betwist.
6.17.2.
Naar het oordeel van het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, niet vast komen staan dat de man door toedoen van de vrouw schade heeft geleden in die zin dat hij een nieuw golfvaardigheidsbewijs zal moeten aanvragen en dat dit € 750,- zou moeten kosten. Bewijs voor zijn stellingen ontbreekt, evenals een voldoende gespecificeerd bewijsaanbod op dit punt.
6.18.1.
De man stelt dat de ABN-AMRObank een bedrag van € 105,- aan bankkosten in rekening gebracht in verband met een door de vrouw in 2015 gelegd conservatoir beslag op zijn bankrekeningen. Ten bewijze van deze stelling heeft hij bij zijn CvA/CvE in eerste aanleg als productie 25 een brief van de ABN-AMRObank in het geding gebracht.De vrouw betwist niet dat de bank een bedrag van € 105,- bij de man in rekening heeft gebracht in verband met het gelegde beslag, maar zij stelt dat het beslag rechtmatig was zodat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.
6.18.2.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.Zoals overwogen dient het vonnis van de rechtbank in conventie te worden bekrachtigd. Dit betekent dat de vordering van de vrouw slechts toewijsbaar is wat betreft de afgifte van enkele roerende zaken en dat van een geldvordering van de vrouw jegens de man geen sprake is. Dit betekent dat het beslag op de bankrekeningen ten onrechte is gelegd.Ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad handelt degene die een beslag legt op eigen risico en dient, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien blijkt dat het beslag ten onrechte is gelegd (onder meer: HR 13 januari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1608).Dit betekent dat de vordering van de man ter zake van beslagkosten ad € 105,-, toewijsbaar is.
6.19.1.
De man vordert beleggingsschade in verband met het door de vrouw – volgens de man ten onrechte - gelegde beslag op zijn beleggingstrekening. Hij stelt dat hij ten tijde van de beslaglegging een optieportefeuille had met een waarde van € 12.230, - Ten bewijze hiervan verwijst de man naar de bijlage bij zijn productie 25 bij zijn CvA/CvE. Hij stelt dat hij als gevolg van het gelegde beslag slechts vijf opties met een totale waarde van € 800,- heeft kunnen verzilveren en dat hij als gevolg van het beslag de overige opties niet heeft kunnen verzilveren op de expiratiedatum. Hij stelt daardoor een schade te hebben geleden van (€ 12.230, - min € 800,- =) € 11.430, -.De vrouw betwist niet dat de man ten tijde van het beslag onder de bank een optieportefeuille had en dat de man de opties als gevolg van het beslag niet heeft kunnen verzilveren (op vier stuks na), maar zij betwist de hoogte van de door de man gestelde schade.
6.19.2.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.Zoals overwogen is het conservatoir beslag door de vrouw ten onrechte gelegd. Niet betwist is dat de man als gevolg van het beslag de opties niet heeft kunnen verzilveren (op vier stuks na). Aannemelijk is dat hij hierdoor schade heeft geleden. De omvang van de schade staat echter niet vast. Immers: blijkens de bijlage bij productie 25 bij CvA/CvE gaat de man voor de berekening van zijn schade uit van de aankoopwaarde van de opties. Niet gesteld of gebleken is echter dat hij de opties op de expiratiedatum voor de aankoopwaarde had kunnen verzilveren. De informatie van de bank in de bijlage bij de voormelde productie 25 wijst op het tegendeel.Voor het berekenen van de beleggingsschade die de man heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag is een nader onderzoek nodig. Het hof ziet aanleiding om de zaak daartoe te verwijzen naar de schadestaatprocedure.
6.20.
Het hof zal ook in hoger beroep de proceskosten compenseren, dit gelet op de aard van de procedure. De compensatie van proceskosten geldt zowel het principaal als het incidenteel beroep.
7

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover gewezen in conventie;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover gewezen in reconventie en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw om aan de man een bedrag van € 105,- te voldoen ter zake van bankkosten wegens door haar ten onrechte gelegd beslag op de bankrekeningen van de man;

veroordeelt de vrouw om aan de man de schade te vergoeden die hij heeft geleden als gevolg van het door haar ten onrechte gelegde beslag op zijn optieportefeuille, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat;

wijst het meer of anders door de man gevorderde af;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 mei 2019

griffier rolraad

.