Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1447

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 16-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:1447, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.223.146_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.223.146/01

arrest van 16 april 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,
tegen

Stichting Stadlander,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Stadlander,advocaat: mr. J. Mikes te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 juli 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer 5740429/17-1041 gewezen vonnis van 2 augustus 2017.

ECLI:NL:GHSHE:2019:1447:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team Handelsrecht
zaaknummer 200.223.146/01

arrest van 16 april 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] , appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. L.E. Swart te Roosendaal,
tegen

Stichting Stadlander,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als Stadlander,advocaat: mr. J. Mikes te Rotterdam,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 31 juli 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer 5740429/17-1041 gewezen vonnis van 2 augustus 2017.

5

- het tussenarrest van 31 juli 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

overwegingen

6

6.1.
In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.
6.1.1.
[appellant] als huurder en Stadlander als verhuurder hebben op 6 juli 2015 een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde).
6.1.2.
In de huurovereenkomst is bepaald dat deze is aangegaan voor een onbepaalde tijd, dat de huurprijs en het voorschot voor servicekosten € 573,07 per maand bedraagt en dat dit bedrag maandelijks bij vooruitbetaling vóór de eerste van elke maand zal worden voldaan.
6.1.3.
De huurprijs bedroeg uiteindelijk € 578,77 per maand.
6.1.4.
Door problemen met de uitkering van [appellant] is een huurachterstand ontstaan.
6.2.1.
Stadlander heeft in de procedure bij de kantonrechter, na wijziging van eis, ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd, en gevorderd om [appellant] te veroordelen tot betaling van:- € 3.220,59 aan huur, rente en incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - € 578,77 per maand vanaf 10 juni 2017 tot de datum van ontruiming; met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
6.2.2.
Stadlander heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [appellant] bij herhaling een huurachterstand heeft laten ontstaan. De gemachtigde van Stadlander heeft geprobeerd om met [appellant] tot een betalingsregeling te komen, maar dat is niet gelukt. Stadlander heeft haar vordering aangevuld met een tweede grondslag. [appellant] zou volgens haar structureel overlast veroorzaken. Op grond van deze aan [appellant] toerekenbare tekortkomingen kan van Stadlander niet langer worden gevergd dat zij [appellant] nog langer in het genot van het gehuurde laat.
6.2.3.
[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, hierna aan de orde komen.
6.2.4.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 2 augustus 2017 de huurovereenkomst ontbonden, de vordering tot ontruiming toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van: - € 1.136,64 aan huur en rente, vermeerderd met wettelijke rente zoals in het vonnis vermeld; - € 578,77 per maand vanaf juli 2017 tot de ontruiming van het gehuurde; en [appellant] is veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer gevorderde is afgewezen.
6.3.
[appellant] heeft in hoger beroep in een incident ex art. 351 Rv gevorderd om de tenuitvoerlegging van het vonnis te schorsen totdat in hoger beroep is beslist. [appellant] heeft deze vordering ingetrokken omdat hij het gehuurde op 26 september 2017 heeft verlaten, zodat dit incident niet langer aan de orde is.
6.4.1.
[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot afwijzing van de vorderingen van Stadlander, met veroordeling van Stadlander in de proceskosten.
6.4.2.
De grieven I tot en met III lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Door middel van deze grieven betoogt [appellant] dat de vordering tot ontbinding en ontruiming had moeten worden afgewezen. Volgens [appellant] had Stadlander in moeten gaan op de voorstellen die hij voortdurend heeft gedaan om de kwestie op te lossen en had de kantonrechter meer rekening moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden. Door een ongelukkige samenloop van omstandigheden is een betalingsachterstand ontstaan, die ten tijde van de comparitie van partijen op 30 juni 2017 slechts twee maanden bedroeg. Verder wegen de belangen van [appellant] zwaarder dan die van Stadlander, zeker gezien de persoonlijke situatie van hem, zijn (ex) partner en haar drie minderjarige kinderen, aldus [appellant] .
6.5.1.
Het hof stelt het volgende voorop. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (art. 6:265 BW).
6.5.2.
Vast staat dat [appellant] een huurachterstand heeft laten ontstaan. Dat betekent dat hij tekort is geschoten in een verplichting op grond van de huurovereenkomst. Stadlander is in beginsel bevoegd de huurovereenkomst te laten ontbinden.
6.5.3.
[appellant] heeft zich erop beroepen dat de oorzaak van de huurachterstand, de problemen met zijn uitkering, niet aan hem te wijten is. Hij is voortdurend op zoek geweest naar financiële middelen om de huur te betalen. Dit kan [appellant] echter niet baten. Dat er problemen met zijn uitkering waren, is een omstandigheid die in de verhouding met de verhuurder voor zijn rekening komt. Bovendien geldt dat ontbinding van een overeenkomst ook mogelijk is als de tekortkoming waarop de ontbinding is gebaseerd niet aan [appellant] kan worden toegerekend.
6.5.4.
Al in 2016 was een huurachterstand ontstaan, waarna op 12 december 2016 een betalingsregeling tussen [appellant] en Stadlander is afgesproken. [appellant] is de afgesproken betalingsregeling meteen al niet nagekomen. De huurachterstand is in 2017 tijdens het incassotraject tweemaal opgelopen. De huurachterstand bedroeg tijdens de comparitie van partijen twee maanden omdat [appellant] kort voor de zitting met hulp van familie € 1.737,- had betaald. Uit het bestreden vonnis blijkt echter dat [appellant] tijdens die zitting heeft erkend dat de huur van juli 2017 niet tijdig kon worden betaald en de huurachterstand dus weer zou oplopen. Dat betekent dat [appellant] meerdere keren tekort is geschoten in zijn belangrijke verplichting tot (tijdige) betaling van de huur. Niet kan worden gezegd dat deze ernstige tekortkoming van [appellant] de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen, waaronder begrepen de ontruimingstermijn van vier weken na betekening van het vonnis, niet rechtvaardigt. Dat [appellant] na het bestreden vonnis in overleg met zijn familie alsnog een betalingsregeling van € 150,- per maand zou hebben voorgesteld, neemt de tekortkoming niet weg.
6.5.5.
Bij dit oordeel heeft het hof de persoonlijke situatie van [appellant] betrokken. Hoewel de ex-partner van [appellant] aanvankelijk ook huurder was van het gehuurde, is zij sinds 22 november 2016 geen huurder meer. Dat haar drie minderjarige kinderen, die destijds in een pleeggezin en een leefgroep verbleven, op advies van de Raad voor de Kinderbescherming naar het gehuurde zouden komen, is bovendien niet gebleken. [appellant] heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat hij, nadat hij het gehuurde had verlaten, bij zijn ex-partner heeft gewoond en haar nu niet meer ziet. Dat hij nog steeds belang heeft bij het in stand houden van de huurovereenkomst omdat hij bij zijn zus woont en nog geen andere zelfstandige woonruimte heeft gevonden, maakt het voorgaande niet anders.
6.5.6.
Dit betekent dat de grieven I tot en met III falen. [appellant] heeft geen voor bewijs vatbare feiten aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden leiden. Bewijslevering is dus niet aan de orde. Of sprake was van overlast, zoals Stadlander heeft aangevoerd en [appellant] heeft betwist, kan ook in hoger beroep in het midden blijven. Het voorgaande betekent dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij terecht in de proceskosten in eerste aanleg is veroordeeld. Grief IV, die zich richt tegen die proceskostenveroordeling, faalt dus ook.
6.6.
Het vonnis van 2 augustus 2017 zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.
7

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Stadlander op € 716,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.F.M. Pols, M.E. Smorenburg en A.L. Bervoets en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 april 2019.

griffier rolraadsheer