Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:14

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 08-01-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 08-01-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:14, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.218.054_01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.218.054/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. A.J.W. Vugs te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 februari 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

ECLI:NL:GHSHE:2019:14:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.218.054/01

arrest van 8 januari 2019

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna aan te duiden als [appellant] ,advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,advocaat: mr. A.J.W. Vugs te Tilburg,
op het bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 8 februari 2017, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2

Het verloop van de procedure blijkt uit:

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

-

de dagvaarding in hoger beroep;

de akte uitlating comparitie na aanbrengen van [geïntimeerde] ;

de memorie van grieven tevens houdende akte vermindering van eis;

de memorie van antwoord met producties;

het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

overwegingen

3

3.1.
In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld.
3.1.1.
Op [datum 1] 2008 is overleden de heer [vader] (hierna: vader), gehuwd in algehele gemeenschap van goederen met mevrouw [moeder] (hierna: moeder). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, zijnde partijen.
3.1.2.
Bij testament van 12 februari 1980 heeft vader een ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 (oud) BW gemaakt, waarbij hij alle tot zijn nalatenschap behorende goederen heeft toebedeeld aan moeder, onder de last om alle tot zijn nalatenschap behorende schulden en kosten voor haar rekening te nemen en aan de kinderen schuldig te blijven een bedrag dat overeenkomt met de waarde van de erfdelen bij versterf.
3.1.3.
Bij het overlijden van vader stonden de navolgende bankrekeningen op zijn naam:- een rekening bij [bank 1] met nummer [nummer 1] (hierna: “ [nummer 1] ”),- een rekening bij [bank 1] met nummer [nummer 2] (hierna: “ [nummer 2] ”), - een rekening bij [bank 1] met nummer [nummer 3] (hierna: “ [nummer 3] ”), - een rekening bij [bank 1] met nummer [nummer 4] ,- een betaalrekening bij [bank 2] met nummer [nummer 5] , - een spaarrekening bij [bank 2] met nummer [nummer 6] .
3.1.4.
Na het overlijden van vader zijn voornoemde [bank 2 rekeningen] op naam van moeder gesteld.
3.1.5.
Op [datum 2] 2013 is moeder overleden. Zij heeft laatstelijk bij testament van 30 september 2009 over haar nalatenschap beschikt. Partijen zijn de enige erfgenamen van moeder, ieder voor de helft. [geïntimeerde] is tot executeur benoemd.
3.1.6.
Partijen hebben de nalatenschap van moeder beneficiair aanvaard. Er is geen ‘ruimschoots voldoende-verklaring’ afgegeven. De vereffening van de nalatenschap van moeder heeft nog niet plaatsgevonden. De verhoudingen tussen partijen zijn verstoord geraakt.
3.2.1.
[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat en na vermindering van eis, gevorderd:- primair [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag van € 171.352,32, vermeerderd met wettelijke rente in te brengen in de nalatenschap van moeder; dan wel - subsidiair [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen omtrent de kasopnames betreffende de Belgische bankrekeningen en de betaalrekening bij de [bank 2] zoals in de dagvaarding genoemd; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.
3.2.2.
[appellant] heeft aan zijn vordering, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft onrechtmatig jegens hem als mede-erfgenaam van moeder gehandeld door zich na het overlijden van vader gelden toe te eigenen, die stonden op bankrekeningen op naam van vader en later, na het overlijden van vader, op naam van moeder. [geïntimeerde] is daarom gehouden deze gelden in te brengen in de nalatenschap van moeder dan wel over de geldopnames rekening en verantwoording aan hem af te leggen, aldus [appellant] .
3.2.3.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.2.4.
In het vonnis van 8 februari 2017 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.3.
[appellant] heeft in hoger beroep twee grieven aangevoerd en zijn eis opnieuw gewijzigd. Hij vordert thans, samengevat en na vermindering van eis, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad: - primair [geïntimeerde] te veroordelen een bedrag van € 163.852,32, vermeerderd met wettelijke rente over € 146.602,32 en € 17.250,00 in te brengen in de nalatenschap van moeder; en - subsidiair [geïntimeerde] op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen omtrent de geldopnames betreffende de Belgische bankrekeningen en de betaalrekening bij de [bank 2] ; met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
3.4.
[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Bij de verdere beoordeling zal dan ook worden uitgegaan van de gewijzigde eis.
3.5.
Grief I richt zich tegen de afwijzing van de primaire vordering van [appellant] , inhoudende dat [geïntimeerde] veroordeeld dient te worden om de geleden schade aan de nalatenschap te vergoeden.
3.5.1.
[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] zich, door wederrechtelijk gelden aan het vermogen van moeder te onttrekken, schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad jegens moeder en jegens [appellant] als toekomstig erfgenaam. Hij heeft in dat kader het volgende aangevoerd. Ten tijde van het overlijden van vader was het saldo van de rekening bij [bank 1] met nummer [nummer 1] € 146.263,06. Na het overlijden van moeder was dit saldo (nagenoeg) nihil. Uit kopieën van bankafschriften bleek dat door moeder en [geïntimeerde] kasopnames zijn gedaan:
Verder is van de betaalrekening bij de [bank 2] in de periode van 20 januari 2010 tot en met 2 oktober 2013 een bedrag van € 24.750,-, althans € 17.250,- opgenomen. De opgenomen gelden zijn niet bij moeder aangetroffen. Moeder heeft de gelden niet besteed aan levensonderhoud of aanschaf van luxegoederen. [geïntimeerde] heeft deze gelden aan het vermogen van moeder onttrokken, aldus [appellant] .
- op 27 augustus 2008 € 3.000,-- op 10 oktober 2008 € 15.000,-- op 24 oktober 2008 € 50.000,-- op 3 december 2008 € 20.000,-, derhalve in totaal € 88.000,-. Het restant is overgeschreven naar twee rekeningen bij [bank 1] met de nummers [nummer 2] en [nummer 3] . Moeder en [geïntimeerde] hebben in februari 2009 de gelden van deze rekeningen per kas opgenomen.
3.5.2.
Het hof volgt [appellant] hierin niet. Het hof overweegt daartoe als volgt.
3.5.3.
[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de rekeningen bij [bank 1] erkend dat voornoemde transacties hebben plaatsgevonden, maar zij heeft betwist dat zij zelf de betreffende bedragen heeft opgenomen. [geïntimeerde] heeft na het overlijden van vader een briefje aan [bank 1] geschreven om te regelen dat [appellant] en zij alleen gezamenlijk geld van de bankrekeningen konden halen, maar zij heeft hier nooit gebruik van gemaakt. Volgens haar zijn alle opnames gedaan door moeder. [geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat zij op 24 oktober 2008, samen met moeder en [appellant] , bij [bank 1] is geweest. Moeder heeft toen € 50.000,- opgenomen, waarvan [geïntimeerde] € 27.500,- heeft gekregen en [appellant] , door verrekening van een openstaande lening, € 22.500,- heeft ontvangen. [geïntimeerde] heeft verder ook wel eens voor vervoer gezorgd als moeder naar de bank in België wilde, maar zij weet niet wat moeder daar heeft gedaan. Volgens [geïntimeerde] heeft moeder het geld van de Belgische bankrekeningen voor het overige zelf opgemaakt. Zij kan niet aantonen waar moeder haar geld aan heeft besteed, omdat moeder in staat was om zelfstandig te handelen en dat ook deed. Moeder heeft voor zover zij kon leuk geleefd, ging regelmatig uit eten en op vakantie, al dan niet met haar, aldus [geïntimeerde] .
3.5.4.
[geïntimeerde] heeft met betrekking tot de betaalrekening bij de [bank 2] erkend dat zij gelden van deze rekening heeft opgenomen, volgens haar gaat het om een bedrag van € 16.250,-. [geïntimeerde] heeft betwist dat zij een machtiging had om over deze betaalrekening te beschikken. Zij had wel een pinpas en het andere pasje had moeder zelf. Moeder vond het makkelijk dat [geïntimeerde] geld voor haar pinde en als moeder dat vroeg, dan deed zij dat. Moeder was op de hoogte van de opnames die door [geïntimeerde] , op verzoek van moeder, werden gedaan omdat zij overzicht had over haar financiën. De [bank 2] verzond alle bankafschriften naar moeder, zodat moeder deze kon controleren. [geïntimeerde] heeft de hele administratie (van december 2009 tot en met januari 2014) reeds op 24 januari 2014 aan [appellant] verschaft. Hieruit blijkt dat nagenoeg alleen de vaste lasten van moeder werden afgeschreven, zoals de huur, Brabant Water, KPN, zorgverzekering en Ziggo. De dagelijkse uitgaven, bijvoorbeeld voor boodschappen, kleding en ontspanning, werden contant betaald. Zo is in 2010 slechts drie keer gepind (Agrimarkt, C1000 en Blokker) en uitgaande van het feit dat moeder zelfstandig woonde, moet het overige contant zijn betaald, aldus [geïntimeerde] .
3.5.5.
In het hiertegenover door [appellant] gestelde ziet het hof geen, althans onvoldoende aanwijzingen dat [geïntimeerde] geld zou hebben opgenomen bij [bank 1] en de door hem gestelde bedragen wederrechtelijk aan het vermogen van moeder zou hebben onttrokken. [appellant] heeft naar voren gebracht dat hij vanaf 13 december 2008 tot enige dagen voor het overlijden van moeder geen contact met haar heeft gehad. Hij kan daarom niet beoordelen of moeder zicht had op haar financiën en of zij in staat was om haar wil te bepalen.
3.5.6.
Het voorgaande wordt niet anders als daarbij de stelling van [appellant] wordt betrokken dat moeder, kort na het overlijden van vader, tegen hem en zijn echtgenote heeft verteld dat zij het geld van de Belgische rekeningen zou afhalen en ter bewaring in de kluis van [geïntimeerde] zou laten leggen. Al zou dit zo zijn geweest dan nog volgt hieruit niet dat moeder de gelden op enig moment daadwerkelijk in de kluis van [geïntimeerde] heeft laten bewaren. [geïntimeerde] heeft dit ook weersproken. Zij weet niet of het juist is of moeder een dergelijk voornemen heeft geuit richting [appellant] , maar wel dat er nooit geld van moeder in haar kluis heeft gelegen. heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep nog gesteld dat moeder op zaterdagochtend voor haar overlijden in haar ziekbed heeft gezegd “Ik had het zo niet moeten doen”. Volgens [appellant] heeft moeder hiermee bedoeld dat ze het geld van de Belgische bankrekeningen niet bij [geïntimeerde] in de kluis had moeten laten stoppen. Het hof acht deze nieuwe stelling, gelet op het stadium van de procedure, tardief. Gesteld noch gebleken is dat er reden is voor het maken van een uitzondering op de twee-conclusieregel. Ook is er sprake van strijd met de eisen van goede procesorde. Aan deze nieuwe stelling gaat het hof daarom voorbij.
3.5.7.
Alles overwegende is het hof van oordeel dat [appellant] onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld. Bewijslevering is niet aan de orde.
3.5.8.
Hieruit volgt dat grief I faalt.
3.6.
Grief II richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet gehouden kan worden tot het doen van rekening en verantwoording over voornoemde geldopnames.
3.6.1.
Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een zodanige verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht. Aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer: (i) de redenen waarom het beheer is gevoerd, (ii) de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende, (iii) hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was, (iv) de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen, en (v) de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (HR 9 mei 2014 ECLI:NL:HR:2014:1089).
3.6.2.
In het onderhavige geval is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] geld zou hebben opgenomen bij [bank 1] of deze bedragen wederrechtelijk aan het vermogen van moeder zou hebben onttrokken. Dat betekent dat in zoverre geen rechtsverhouding bestaat op grond waarvan een verantwoordingsplicht dient te worden aangenomen.
3.6.3.
[geïntimeerde] beschikte over een pinpas van de betaalrekening van de [bank 2] . Het was haar kennelijk toegestaan om in opdracht van moeder geld voor haar te pinnen. Vast staat dat [geïntimeerde] ook daadwerkelijk geld van deze betaalrekening heeft opgenomen. [appellant] heeft niet gesteld dat moeder tijdens haar leven wilsonbekwaam was, onder bewind stond of op een andere manier beperkt was om haar financiën te voeren. Gesteld noch gebleken is dat moeder op enig moment om rekening en verantwoording heeft gevraagd met betrekking tot voornoemde geldopnames.
3.6.4.
Uit het voorgaande volgt dat er vanuit moet worden gegaan dat moeder steeds in staat was om de handelingen van [geïntimeerde] te overzien en zij haar handelingen heeft goedgekeurd. Van het voeren van beheer als bedoeld in de wet door [geïntimeerde] van de financiën van moeder is dan ook geen sprake. [appellant] heeft dit, gelet op het verweer van [geïntimeerde] , onvoldoende onderbouwd. De familierechtelijke relatie tussen moeder en [geïntimeerde] bracht kennelijk mee dat geen afzonderlijke boekhouding over de door [geïntimeerde] van de betaalrekening bij de [bank 2] opgenomen gelden werd gevoerd, maar dat in vertrouwen werd gehandeld. Onder deze omstandigheid bestaat er naar het oordeel van het hof voor [geïntimeerde] geen verplichting tot het doen van rekening en verantwoording over deze bedragen.
3.6.5.
Grief II faalt eveneens.
3.7.
Nu alle grieven falen, zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
4

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.J. Henzen, M.E. Smorenburg en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 januari 2019.

griffier rolraadsheer