Uitspraak ECLI:NL:GHSHE:2019:1359

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 11-04-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof 's-Hertogenbosch op 11-04-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHSHE:2019:1359, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.223.478_01 en 200.226.286_01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.223.478/01 en 200.226.286/01 zaaknummer rechtbank : C/03/222946 / FA RK 16-2401
beschikking van de meervoudige kamer van 11 april 2019

inzake

[de man]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,verweerder in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. A. van den Eshoff te Echt,
tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,verweerster in het principaal hoger beroep,verzoekster in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de vrouw,advocaat mr. H.M. van Aarsen te Maasricht.

ECLI:NL:GHSHE:2019:1359:DOC
nl

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.223.478/01 en 200.226.286/01 zaaknummer rechtbank : C/03/222946 / FA RK 16-2401
beschikking van de meervoudige kamer van 11 april 2019

inzake

[de man]

wonende te [woonplaats] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,verweerder in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de man,advocaat mr. A. van den Eshoff te Echt,
tegen

[de vrouw]

wonende te [woonplaats] ,verweerster in het principaal hoger beroep,verzoekster in het incidenteel hoger beroep,hierna te noemen: de vrouw,advocaat mr. H.M. van Aarsen te Maasricht.
1

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 12 juni 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2

2.1.
De man is op 11 september 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 12 juni 2017.
2.2.
De vrouw heeft op 27 oktober 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep en zelfstandig verzoek ingediend.
2.3.
De man heeft op 4 december 2017 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 1 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2018;- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 2 oktober 2018 met bijlagen, ingekomen op 2 oktober 2018.
2.5.
De alimentatiekwestie en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap zijn afgesplitst en ingeschreven onder de zaaknummers 200.223.478/01 (alimentatie) en 200.226.286/01 (afwikkeling huwelijksgemeenschap). De zaken zijn gevoegd behandeld.
2.6.
De mondelinge behandeling heeft op 10 oktober 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
2.7.
Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen een brief van de advocaat van de man van 22 oktober 2018 met producties 15 tot en met 21 en als reactie daarop de brief van de advocaat van de vrouw van 24 oktober 2018 met producties 15 tot en met 18.
De advocaat van de vrouw heeft in haar brief van 24 oktober 2018 bezwaar gemaakt tegen de door de advocaat van de man overgelegde producties 18 tot en met 21 en tegen de in de brief van 22 oktober 2018 gegeven toelichting op de [uitkering] -uitkering. Het hof heeft beslist dat die bijlagen en de toelichting buiten beschouwing worden gelaten, nu de toestemming van het hof niet de producties 18 tot en met 21 en de toelichting op de [uitkering] -uitkering betrof.

3

- partijen zijn op 26 juni 1998 te [plaats] , thans gemeente [gemeente] , gehuwd in de wettelijke gemeenschap van goederen;
- partijen zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;
- partijen hebben beiden de Nederlandse nationaliteit;
- partijen leven sinds oktober 2015 feitelijk gescheiden;
- op 14 oktober 2015 heeft de man een verzoek tot echtscheiding ingediend;
- bij de bestreden beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 11 augustus 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

4

4.1.
Bij de bestreden beschikking is voorts, voor zover thans van belang, - de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand bepaald op € 543,-- per maand;- de verdeling van de tussen partijen bestaand hebbende huwelijksgemeenschap vastgesteld.
4.2.
De grieven van de man betreffen de partneralimentatie, meer specifiek de lotsverbondenheid (grief 1), de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw (grief 3) en zijn draagkracht (grief 2) en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap, meer specifiek de schuld bij [instelling] (grief 4) en de door de man voor de vrouw betaalde gemeenschappelijke kosten (grief 5).
a. :
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een bedrag van € 6.500,-- uit hoofde van haar draagplicht in de door de man volledig afgeloste schuld bij [instelling] ;
de vrouw te veroordelen om aan de man te voldoen een bedrag van € 3.202,95 uit hoofde van de door de man voor de vrouw betaalde bedragen in de periode 6 oktober 2015 tot en met 20 april 2016.
De man verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

te bepalen dat de alimentatieplicht van de man jegens de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand is geëindigd;
subsidiair

te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw definitief wordt gematigd tot een bedrag van € 209,41 bruto per maand;
meer subsidiair

de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw te beperken in duur tot een termijn van vijf jaren na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
nog meer subsidiair

te bepalen dat de man € 418,82 bruto per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
4.3.
De grief en het aanvullend verzoek van de vrouw zien op de voormalige echtelijke woning.
- in het geval de echtelijke woning van partijen ten tijde van de in deze door het hof te nemen beslissing nog niet notarieel aan de man is overgedragen,te bepalen dat aan de man zullen worden toegedeeld de voormalige echtelijke woning van partijen tegen een bedrag van € 285.000,-- en de kapitaalverzekering verbonden aan deze woning tegen de contante waarde per datum indiening verzoekschrift, waarbij de man wegens overbedeling aan de vrouw dient te vergoeden de helft van de overwaarde, bestaande uit de waarde van de woning, vermeerderd met de contante waarde van de kapitaalverzekering, en verminderd met de op de datum indiening echtscheidingsverzoek openstaande hypothecaire geldlening, onder de voorwaarden:- in het geval de echtelijke woning van partijen ten tijde van de in deze door het hof te nemen beslissing al wel notarieel aan de man is overgedragen,te bepalen dat de man indien hij deze woning binnen één jaar na datum overdracht aan hem, verkoopt en levert, dan wel verkocht en geleverd zal hebben aan derden, hij de helft van het verschil tussen het bedrag waartegen de man de woning heeft overgenomen (€ 285.000,--) en het bedrag waartegen hij de woning verkoopt/levert dan wel verkocht en geleverd heeft aan derden, bij helfte verdeeld wordt tussen partijen en de man derhalve de helft van deze winst dient te voldoen aan de vrouw en wel bij datum notariële overdracht van de woning door de man aan derden, dan wel binnen 10 dagen na het schriftelijke verzoek daartoe, per aangetekende post door de vrouw aan de man gedaan, indien de woning al zal zijn verkocht en geleverd aan derden voorafgaand aan de door het hof in deze te nemen beslissing.Een en ander onder de verplichting van de man de vrouw voorafgaand aan de notariële overdracht door de man van deze woning aan derden in te lichten en haar alle relevante informatie hieromtrent te verschaffen, onder oplegging van een dwangsom van € 500,-- per dag aan de man voor iedere dag dat hij hiermede in gebreke blijft, te rekenen vanaf de datum van notariële overdracht van deze woning aan derden, dan wel te rekenen vanaf de datum dat de vrouw de man hieromtrent per aangetekende post aanschrijft, alsmede onder de bepaling dat de man de wettelijke rente over het aan de vrouw verschuldigde bedrag dient te voldoen aan de vrouw, te rekenen vanaf de datum van notariële overdracht van deze woning door de man aan derden.
De vrouw verzoekt in principaal hoger beroep de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven, dan wel deze te verwerpen of af te wijzen. In incidenteel appel en als zelfstandig verzoek, verzoekt de vrouw de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende,

− dat de vrouw zal worden ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake de aan deze woning verbonden hypothecaire geldlening(en);− dat de man, wanneer hij de voormalige echtelijke woning van partijen binnen 1 jaar na datum overdracht van de woning aan hem, doorverkoopt en levert aan derden, de helft van het verschil tussen het bedrag waartegen de man de woning heeft overgenomen (€ 285.000,--) en het bedrag waartegen hij de woning verkoopt/levert aan derden, bij helfte verdeeld wordt tussen partijen en de man derhalve de helft van deze winst dient te voldoen aan de vrouw en wel bij datum notariële overdracht van de woning door de man aan derden;
4.4.
Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.
beslissing

5

Partneralimentatie

Gehoudenheid; lotsverbondenheid (grief 1 van de man)

5.1.
De betoogt door middel van grief 1 dat de uitermate grievende gedragingen van de vrouw een onherroepelijk einde hebben gemaakt aan de lotsverbondenheid tussen partijen, waardoor van de man in redelijkheid niet, althans niet ten volle kan worden gevergd bij te dragen aan het levensonderhoud van de vrouw. De gedragingen van de vrouw hebben er toe geleid dat er sinds oktober 2015 geen (fatsoenlijke) omgang meer tussen hem en [minderjarige] heeft kunnen plaatsvinden en dat er sinds januari 2016 zelfs helemaal geen contact meer tussen hen is. De vrouw is op geen enkele wijze bereid om een einde te maken aan haar strijd met de man. Zij spant zich geenszins in om het conflict op te lossen. Zij weigert gerechtelijke uitspraken na te komen, weigert mee te werken aan een traject bij een kindbehartiger, weigert een mediationtraject en weigert gesprekken met de Raad voor de Kinderbescherming of Bureau Jeugdzorg. De vrouw overlegt niet met de man omtrent zaken die [minderjarige] aangaan noch informeert zij de man daarover. De man kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw probeert hem helemaal uit het leven van [minderjarige] te weren. Zij verstoot de man in zijn rol als ouder, hetgeen voor de man zeer schrijnend en kwetsend is. De man functioneert hierdoor niet meer naar behoren op zijn werk.
In de hoop dat de ondertoezichtstelling de vrouw zou bewegen haar medewerking te verlenen aan het contactherstel tussen hem en [minderjarige] , heeft de man het voorgaande niet eerder in de procedure naar voren heeft gebracht. Inmiddels is evenwel gebleken dat ook de ondertoezichtstelling niet tot een gedragsverandering bij de vrouw heeft geleid.

5.2.
De heeft het volgende verweer gevoerd. Het is niet zo dat zij elk contact tussen de man en [minderjarige] tegenhoudt, maar zij kan [minderjarige] niet tot contact met de man bewegen. Bij [minderjarige] is er veel weerstand jegens de man. Door meerdere professionals is geconstateerd dat de man daar zelf debet aan is. Het feit dat de man als gevolg van de echtscheiding en de strijd tussen partijen geen contact meer heeft met [minderjarige] , betekent niet dat de lotsverbondenheid daardoor is komen te vervallen en de man geen partneralimentatie meer aan de vrouw verschuldigd is.
5.3.
Het stelt voorop dat de rechter bij het vaststellen van de alimentatieplicht rekening kan houden met omstandigheden van niet financiële aard; in uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de gewezen echtgenoot een (volledige) bijdrage in het levensonderhoud te verlangen (vgl. HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2058 ( [link 1] ) en HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695 ( [link 2] )).
5.4.
Bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, dient terughoudendheid te worden betracht. Bedacht moet worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties.
5.5.
Voor zover de man heeft aangevoerd dat het grievend gedrag van de vrouw een onherroepelijk einde heeft gemaakt aan de lotsverbondenheid tussen hen, overweegt het hof dat het ‘afnemen’ of ‘vervallen’ van de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten geen grond kan zijn voor beëindiging van de alimentatieverplichting, ook niet in samenhang met andere omstandigheden, aangezien de door het huwelijk in het leven geroepen lotsverbondenheid wel als een grondslag voor het ontstaan van de alimentatieverplichting kan worden beschouwd, maar het voortduren van die verplichting niet op het voortduren van de lotsverbondenheid berust (vgl. HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:695, rov. 3.3.5.).
5.6.
Het hof begrijpt de stellingen van de man daarom aldus dat de vrouw zich zodanig grievend jegens hem heeft gedragen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat zij van de man een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verlangt. Het grievend gedrag zou, samengevat, daarin bestaan dat de vrouw het contact tussen de man en [minderjarige] frustreert. Het hof oordeelt hierover als volgt.
5.7.
Uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken.In het kader van de procedure over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht om een onderzoek in te stellen en te adviseren omtrent de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige] en is (bij beschikking van 1 augustus 2016) een bijzondere curator benoemd. Deze bijzondere curator rapporteert in haar brief van 23 september 2016 (onder meer) als volgt:
“De weerstand bij [minderjarige] tegen het contact met vader is naar mijn idee oprecht en authentiek. Er zijn tussen de ouders de nodige heftige zaken voorgevallen die [minderjarige] heeft meegekregen. Beide ouders zijn daar debet aan en beide ouders dienen de verantwoordelijkheid te nemen om verdere beschadigingen van [minderjarige] te voorkomen.”

Het rapport van de raad van 11 oktober 2016 vermeldt het volgende:

“De gevoelens m.b.t. de ex-partnerproblematiek zitten erg diep en beide ouders zijn erg strijdend. Er hebben veel procedures plaatsgevonden m.b.t. omgang, alimentatie en verzoek OTS. Moeder geeft aan dat het de keuze van [minderjarige] is dat hij geen contact wil, ze kan hierin onvoldoende haar eigen aandeel zien en ze lijkt zich weinig te beseffen dat haar houding naar en visie over de man van invloed is op [minderjarige] . Moeder voelt zich op vele fronten slachtoffer en [minderjarige] krijgt veel mee van moeders verdriet en frustratie. Met name de vrouw lijkt haar eigen gevoelens t.a.v. de echtscheiding nog niet te hebben verwerkt. Ze is negatief over vader en ze kan hierdoor de omgang tussen [minderjarige] en vader emotioneel (nog) niet ondersteunen.” (…)Vader zal op zijn beurt de gebeurtenissen niet moeten bagatelliseren en zich dienen aan te sluiten bij de beleving en inmiddels gerezen weerstand van [minderjarige] . Het is van belang dat de man [minderjarige] de ruimte en de tijd geeft, aansluit bij de ontwikkeling en behoeftes van [minderjarige] en [minderjarige] ’s weerstand niet puur toeschrijft aan moeder. Vader zal op een laagdrempelige manier contact moeten zoeken, geen omgang moeten willen forceren en begrip moeten hebben voor de klempositie van [minderjarige] .De weerstand van [minderjarige] is mogelijk voortgekomen door onbegrip of onvoldoende inleving van vader in der moeilijke positie van [minderjarige] . Verder zal vader ook in de toekomst rekening dienen te houden met de verschillende loyaliteiten van [minderjarige] en met respect over moeder praten. Beide ouders zitten nog tezeer gevangen in hun eigen emoties/frustratie ten opzichte van hun ex-partner dat ze daardoor belemmerd worden in het handelen vanuit hun ouderrol en (nog) onvoldoende vanuit de belangen van [minderjarige] kunnen denken.”.
Omdat partijen en [minderjarige] er in het vrijwillig kader niet in zijn geslaagd de contacten tussen [minderjarige] en de vader te herstellen – ook niet na uitdrukkelijk daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld bij beschikking van 1 november 2016 – is [minderjarige] bij beschikking van 6 februari 2017 voor de duur van 12 maanden onder toezicht gesteld. De kinderrechter heeft daartoe (onder meer) overwogen dat met de name de vrouw:

“het inzicht [dient] te krijgen wat haar opstelling richting [minderjarige] en richting vader voor invloed heeft op het gedrag en de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat inzicht heeft moeder, ondanks alle interventies van de raad en de bijzondere curator, nog niet getuige onder meer het feit dat moeder op zitting zegt dat vader het zelf met [minderjarige] moet oproepen (hof: bedoeld zal zijn oplossen) en gewoon aan zijn school moet gaan staan om met [minderjarige] in contact te komen”.

In de (eind)beschikking ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van 1 februari 2018 overweegt de rechtbank onder meer als volgt:

“De raad heeft op 14 december 2017 aanvullend geadviseerd. Hoewel de raad en de gezinsvoogdijwerker van oordeel zijn dat contactherstel tussen [minderjarige] en de vader absoluut in het belang van [minderjarige] is, ziet de raad momenteel geen mogelijkheden om tot dit contactherstel te komen. [minderjarige] kan en wil de vader niet toelaten. [minderjarige] heeft een zeer negatief vaderbeeld en wordt door de moeder onvoldoende gestimuleerd en in de gelegenheid gesteld dat beeld bij te stellen. Zowel moeder als [minderjarige] staan momenteel geheel niet open voor contactherstel. Dit blijkt onder meer uit het gegeven dat aan de moeder door de gezinsvoogdijwerker een schriftelijke aanwijzing is gegeven medewerking te verlenen aan begeleide contacten tussen [minderjarige] en de vader via [omgangshuis] , maar dat de moeder die aanwijzing naast zich neerlegt. Deze schriftelijke aanwijzing is door de kinderrechter bij beschikking van 21 september 2017 bekrachtigd, waarbij aan de moeder tevens een dwangsom werd opgelegd. Desondanks heeft de moeder tot op heden geen medewerking verleend.”En: “De raad acht persoonlijke hulpverlening voor de moeder noodzakelijk, maar ook daar staat de moeder niet voor open.”
De rechtbank komt vervolgens tot een afwijzing van het verzoek van de vader tot vaststelling van een zorg- en contactregeling. De rechtbank overweegt daartoe onder meer het volgende:

“Gebleken is dat, ondanks pogingen van de gezinsvoogdijwerker daartoe, de moeder niet wil meewerken aan het opstarten van begeleide contacten tussen de vader en [minderjarige] via [omgangshuis] . Hoewel de moeder zich op het standpunt stelt dat zij niet tegen contacten tussen de vader en [minderjarige] is, geeft zij geen enkel blijk van het motiveren of stimuleren van [minderjarige] tot contact met zijn vader. De moeder biedt daarin geen opening. Hierdoor is [minderjarige] niet in staat om een eigen beeld van de vader te vormen, dan wel het beeld dat hij van de vader heeft en dat negatief is, bij te stellen.”

5.8.
Het hof begrijpt dat in de nasleep van de echtscheiding beide partijen hun aandeel hebben gehad in de verstoorde verstandhouding van de man met [minderjarige] , zoals ook blijkt uit (onder meer) hiervoor genoemd citaat van de bijzondere curator. In zoverre zijn de gedragingen van de vrouw (evenals die van de man) te zien in het licht van de als zeer ernstig te kwalificeren echtscheidingsproblematiek van partijen, die voor ieder van hen hevige gemoedsbewegingen tot gevolg heeft. Het aanhoudend en structureel weigeren van medewerking tot herstel van het contact tussen [minderjarige] en de man door de vrouw, zonder objectieve grond, gaat evenwel naar het oordeel van het hof de gebruikelijke strijd tussen partijen na een echtscheiding te buiten. Dat hiervan sprake is, is het hof genoegzaam gebleken. Immers, hoewel door de betrokken professionals (raad en gezinsvoogd) is geconcludeerd dat (herstel van) contact van [minderjarige] met de man in het belang van [minderjarige] is en ondanks de op dit contact gerichte interventies, waaronder de ondertoezichtstelling, blijft de vrouw het contact tussen [minderjarige] en de man frustreren, rechterlijke uitspraken en een schriftelijke aanwijzing negerend. Zij beroept zich er daarbij slechts op dat het [minderjarige] zelf is die geen contact wil met de man. Dat zij daarin een rol speelt, waarop zij, zo blijkt uit de overgelegde stukken, bij herhaling door de betrokken professionals is gewezen, pakt zij niet op. Evenmin geeft zij er blijk van, ook niet ter zitting van het hof in hoger beroep, (al was het maar in het belang van [minderjarige] ) dat zij haar houding in dezen wil wijzigen of aanpassen. Zo heeft de vrouw ter zitting van het hof verklaard dat zij heeft afgezien van psychologische hulp voor [minderjarige] , omdat zij daar “€ 80,-- per uur voor moest betalen”, zonder daarbij te stellen dat zij dat bedrag niet kon betalen en zonder aan te geven dat zij zich op enigerlei wijze heeft ingespannen om die hulp toch voor [minderjarige] in te kunnen zetten.
Het op deze wijze zonder objectieve rechtvaardiging niet meewerken aan contact(herstel) tussen [minderjarige] en de man acht het hof een schending van het recht van de man op contact/omgang met [minderjarige] en zijn recht op family life. De man wordt door het gedrag van de vrouw ook de mogelijkheid ontnomen om aan zijn vaderschap een reële en betekenisvolle invulling te geven. In die situatie is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw van de man een bijdrage in haar levensonderhoud verlangt. Het hof zal het daartoe strekkende verzoek van de vrouw daarom alsnog afwijzen. De eerste grief van de man slaagt.

Voor zover de man vanaf 11 augustus 2017 tot heden heeft bijgedragen in het levensonderhoud van de vrouw en/of er bijdragen op hem zijn verhaald, kan van de vrouw, gelet op haar financiële situatie en het feit dat een dergelijke bijdrage van maand tot maand pleegt te worden verbruikt, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij dit terugbetaalt.

Het voorgaande betekent dat het hof niet toekomt aan een beoordeling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man (grief 3 respectievelijk grief 2 van de man).

Afwikkeling van de huwelijksgemeenschap

Schuld bij [instelling] (grief 4 van de man)

5.9.
Ter zitting van het hof heeft de advocaat van de man verklaard dat de grief met betrekking tot de schuld bij [instelling] is achterhaald, nu de vrouw haar aandeel in deze schuld inmiddels volledig heeft voldaan. Deze grief behoeft derhalve geen bespreking.
Gemeenschappelijke kosten (grief 5 van de man)

5.10.
Grief 5 van de man betreft de volgende (gemeenschappelijke) kosten(posten);- gebruikerslasten;- aanzuivering debetstand Postbankrekening: € 1.250,--;- opgenomen bedragen.
Het hof zal genoemde kosten afzonderlijk bespreken.

Gebruikerslasten

5.11.
De stelt dat hij op grond van een door hem met de vrouw gesloten overeenkomst recht heeft op betaling door haar van de door hem betaalde gebruikerslasten. Ter toelichting voert hij het volgende aan. In de periode van 6 oktober 2015 tot en met 20 april 2016 zijn van de gezamenlijke Postbankrekening van partijen gebruikerslasten voldaan van € 1.173,45 in totaal. De man heeft de debetstand van deze rekening op 14 december 2015 aangezuiverd. In de periode van 9 november 2015 tot en met 11 april 2016 zijn van de op naam van de man staande Rabobank betaalrekening gebruikerslasten voldaan van € 483,31 in totaal. Conform de door partijen bij hun uiteengaan gemaakte afspraak dat ieder van hen de eigen lasten zou voldoen, dienen de gebruikerslasten evenwel voor rekening van de vrouw te komen. De man verwijst naar een aan hem gerichte brief van de vrouw (overgelegd bij beroepschrift als productie 12) en naar confraternele correspondentie tussen de advocaat van de vrouw en zijn voormalige advocaat mr. [voormalige advocaat] van 4 februari 2016 (overgelegd als productie 20), waaruit deze afspraak zou blijken.
5.12.
De heeft daartegen het volgende verweer gevoerd. Het is weliswaar de bedoeling van partijen geweest dat de vrouw de gebruikerslasten van de woning zou voldoen, maar zij had daartoe onvoldoende middelen. Van een weloverwogen afspraak hierover van haar kant is dan ook geen sprake geweest. Dat zij niet de middelen had om de gebruikerslasten te voldoen, had de man ook kunnen of moeten begrijpen. Zo er al een duidelijke afspraak/overeenkomst tussen partijen zou bestaan, dan beroept de vrouw zich op dwaling, misbruik van omstandigheden en de artikelen 1:81, 1:82 en 1:84 BW.
5.13.
Het overweegt als volgt. Uit de door de man in het geding gebrachte (confraternele) correspondentie (producties 12 en 20) blijkt dat over de gebruikerslasten schriftelijk afspraken zijn gemaakt. Daartegenover heeft de vrouw onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat van wilsovereenstemming geen sprake is geweest. Ook voor een beroep op een wilsgebrek heeft de vrouw onvoldoende gesteld. De door haar genoemde artikelen 1:81, 1:82 en 1:84 BW ten slotte kunnen geen afbreuk doen aan de door partijen gemaakte afspraak. In zoverre slaagt grief 5.
Opgenomen bedragen

5.14.1.
De voert aan dat de vrouw van de gezamenlijke Postbankrekening van partijen zonder zijn toestemming op 6 oktober 2015 een bedrag van € 850,-- heeft opgenomen en voor zichzelf behouden en dat hij zelf van diezelfde rekening op dezelfde dag een bedrag van € 570,-- heeft opgenomen en voor zichzelf behouden. Het totaal door partijen op 6 oktober 2015 opgenomen bedrag bedroeg derhalve € 1.420,-- en behoorde toe aan de gemeenschap van partijen. Partijen hebben dit bedrag aan de gemeenschap onttrokken. Zij hadden ieder recht op de helft van dit bedrag, derhalve had ieder recht op een bedrag van 710,--. Aldus heeft de vrouw een bedrag van € 140,-- te veel aan zichzelf toegedeeld. Dit bedrag dient de vrouw aan de man te vergoeden.
5.14.2.
De voert daartegen het volgende aan. Er is geen grond voor toewijzing van deze vordering. Het door de vrouw op 6 oktober 2015 van de gezamenlijke rekening opgenomen bedrag van € 850,-- betreft haar WW-uitkering, die op deze rekening is gestort en door haar is opgenomen om te kunnen voorzien in haar levensonderhoud. De opname is voorafgaand aan de peildatum van 14 oktober 2015 gedaan en partijen hebben de saldi van hun bankrekeningen in onderling overleg verdeeld.
5.14.3.
Het overweegt als volgt. Op grond van art. 1:94 BW geldt als uitgangspunt dat alle goederen en schulden van de echtgenoten deel uitmaken van de wettelijke gemeenschap van goederen. Het maakt bij tot die huwelijksgemeenschap behorende bankrekeningen niet uit of het gaat om een bankrekening ten name van één echtgenoot of van beide echtgenoten. Het uitgangspunt is dat het saldo op deze bankrekeningen op de peildatum het vorderingsrecht is (van beide echtgenoten of van een van hen) jegens de bank en dat dit saldo bij helfte verdeeld dient te worden. De hoogte van dat vorderingsrecht wordt bepaald op die datum (het saldo). Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap kan niet worden afgeweken van het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding, ook niet op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid (HR 20 december 2013 ECLI:NL:HR:2013:2050). Vaststaat dat de gemeenschap van partijen is ontbonden op 14 oktober 2015, de datum waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank. Tussen partijen is niet in geschil dat de saldi van de bankrekeningen, waaronder de gezamenlijke Postbankrekening, op 14 oktober 2015 bij helfte zijn verdeeld. Waar de man betoogt dat hij nog een vordering heeft op de vrouw ter zake van opnames vóór 14 oktober 2015, ontbreekt daarvoor de juridische grondslag. In zoverre faalt de grief van de man.
Aanzuivering debetstand Postbankrekening: € 1.250,--

5.15.1.
De voert aan dat hij op 14 december 2015 (dus na de peildatum) de gemeenschappelijke Postbankrekening waarmee de kosten van de huishouding werden voldaan, heeft aangezuiverd. De man heeft een bedrag van € 2.500,-- op de rekening gestort onder vermelding van “tijdelijke aflossing roodstand rekening door [voornaam van de man] ”. Volgens hem was het de bedoeling van partijen “dat het aandeel van de vrouw in deze roodstand later met de man verrekend zou worden”, waardoor hem de helft van € 2.500,--, derhalve een bedrag van € 1.250,-- toekomt.
5.15.2.
De heeft daartegen het volgende aangevoerd. Van een debetsaldo op de Postbankrekening was geen sprake. Omdat de storting van de man dateert van na de peildatum en partijen de saldi al in onderling overleg hadden verdeeld, bestaat voor toewijzing van de vordering aangaande het aanzuiveren van het debetsaldo geen grond.
5.15.3.
Het overweegt als volgt. De man heeft tegenover de betwisting van de vrouw niet aangetoond dat hij met het overgemaakte bedrag het debetsaldo van de gemeenschappelijke rekening heeft aangezuiverd, in die zin dat de vrouw de helft daarvan aan de man dient terug te betalen. Ook in zoverre faalt de grief van de man.
Conclusie

5.16.
Het hof zal de vrouw veroordelen om aan de man te voldoen een bedrag van (1.173,45 + 483,31 =) € 1.656,76 uit hoofde van de door de man voor de vrouw betaalde gebruikerslasten.
De voormalige echtelijke woning (grief van de vrouw).

5.17.1.
Voor zover de grief van de vrouw ziet op haar ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire geldlening, behoeft deze grief geen bespreking, nu dit ontslag inmiddels (op 1 oktober 2017) heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat deze grief uitsluitend nog bespreking behoeft voor zover de vrouw heeft verzocht te bepalen dat bij verkoop van de woning door de man binnen één jaar de mééropbrengst tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld. De man heeft de woning op 12 juni 2018 voor € 5.000,-- meer doorverkocht aan de gegadigde die eerder een bod van € 285.000,-- op de woning heeft uitgebracht. De vrouw vindt het redelijk dat de helft van het meerbedrag aan haar toekomt.
5.17.2.
De heeft verweer gevoerd. Volgens hem is er geen enkele (juridische) grond voor toewijzing van het verzoek van de vrouw.
5.17.3.
Het overweegt als volgt.Het standpunt van de vrouw kan niet worden aanvaard. De rechtbank heeft de woning aan de man toegedeeld tegen een waarde van € 285.000,-- per datum indiening echtscheidingsverzoek. Inherent aan een verdeling per peildatum is, dat een stijging of daling van de waarde ná de peildatum ten voordele of ten nadele strekt van degene aan wie het desbetreffende vermogensbestanddeel is toegedeeld. De grief van de vrouw faalt. Haar verzoek zal worden afgewezen.
beslissing

6

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking gedeeltelijk vernietigen en beslissen als volgt.
6.2.
Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw en de afwikkeling van de huwelijksgemeenschap betreft.
beslissing

7

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, van 12 juni 2017, voor zover het de partneralimentatie betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie;

met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 11 augustus 2017 tot heden heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;

veroordeelt de vrouw om aan de man te voldoen een bedrag van € 1.656,76 uit hoofde van de door de man voor de vrouw betaalde gebruikerslasten in de periode van 6 oktober 2015 tot en met 20 april 2016;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en M.A. Ossentjuk, bijgestaan door mr. C.M.H.M. van Lent als griffier, en is op 11 april 2019 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.