Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2020:65

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 24-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 22-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2020:65, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.269.292


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2020:65:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer: 200.269.292/01
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken van 22 januari 2020

inzake het verzoek tot wraking van:

Mobelli Contract Seating B.V.,
gevestigd te Oldenzaal,verzoekster,hierna te noemen: Mobelli,advocaat: mr. C.G. Mensink te Borne.
Het geding

Mobelli heeft op 30 december 2019 een schriftelijk verzoek (met bijlagen) tot wraking gedaan van mr. J.E.H.M. Pinckaers, rolraadsheer en raadsheer-commissaris in de op 29 november 2019 gehouden comparitie na aanbrengen (hierna: de comparitie) in de procedure in hoger beroep (spoedappel) tussen Mobelli als appellante en Dura Vermeer Bouw Heyma B.V. (hierna: Dura Vermeer) als geïntimeerde.

De wrakingskamer heeft de mondelinge behandeling van het verzoek bepaald op woensdag 15 januari 2020, om 13:30 uur, en Mobelli, mr. Pinckaers, alsmede Dura Vermeer van de behandeling op de hoogte gebracht.

De wrakingskamer heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek (met bijlagen) van mr. Pinckaers ontvangen gedateerd 9 januari 2020 en van Mobelli een brief gedateerd 13 januari 2020, met als bijlage een schriftelijke verklaring van [directeur], algemeen directeur van Mobelli.

Ter zitting van 15 januari 2020 zijn mr. Mensink en mr. Pinckaers verschenen en gehoord, waarbij mr. Mensink het wrakingsverzoek heeft toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen, die hij heeft overgelegd.

De beoordeling van het wrakingsverzoek

1. De gronden van het wrakingsverzoek van Mobelli zien, kort weergegeven, op:( i) de uitlatingen van mr. Pinckaers tijdens de comparitie, waarmee hij een ‘voorzet’ heeft gegeven aan Dura Vermeer;
2. Mr. Pinckaers stelt zich op het standpunt dat uit hetgeen tijdens de comparitie is besproken – onder meer omtrent de mogelijkheid tot herstel van het geleverde –, zoals ook is vastgelegd in het proces-verbaal van de comparitie, juist blijkt dat hij van oordeel was dat er was geleverd door Mobelli. Van een voorzet aan Dura Vermeer om het standpunt te betrekken dat Mobelli niet heeft geleverd, is geen sprake. Dura Vermeer heeft in de inmiddels genomen memorie van antwoord ook niet het standpunt ingenomen dat Mobelli niet heeft geleverd (maar dat sprake is van een gebrekkige levering).
3. De wrakingskamer overweegt als volgt.
(ii) de onterechte, althans onvoldoende gemotiveerde weigering van de akte van Mobelli d.d. 3 december 2019;(iii) de omstandigheid dat Dura Vermeer door de weigering van de akte is bevoordeeld omdat zij nog (bij memorie van antwoord) kon reageren op hetgeen tijdens de comparitie is voorgevallen;(iv) de gewijzigde motivering voor het weigeren van de akte nadat Mobelli om verduidelijking vroeg.Mobelli stelt zich daartoe op het standpunt dat tijdens de comparitie is gediscussieerd tussen haar advocaat en mr. Pinckaers of er geleverd is aan Dura Vermeer en of er een betalingsverplichting is van Dura Vermeer jegens Mobelli. Mr. Pinckaers heeft daarbij gezegd, althans gesuggereerd, dat Mobelli niet zou hebben geleverd aan Dura Vermeer. Daaruit zou de conclusie kunnen worden getrokken dat Dura Vermeer geen betalingsverplichting heeft jegens Mobelli. Dura Vermeer heeft zelf niet eerder de stelling betrokken dat Mobelli niet zou hebben geleverd. Door de uitlatingen van mr. Pinckaers leek in ieder geval sprake te zijn van de schijn voor partijdigheid en vooringenomenheid. Mobelli heeft ter comparitie niet direct naar het middel van wraking willen grijpen – hoewel zij toen wel expliciet haar bedenkingen heeft uitgesproken over de rol van mr. Pinckaers – en heeft bij akte willen reageren op hetgeen ter comparitie is voorgevallen en met name op de ‘voorzet’ die mr. Pinckaers aan Dura Vermeer heeft gegeven.De akte die Mobelli op de rol van 3 december 2019 wilde nemen, werd echter geweigerd en het daartegen ingediende bezwaar bij brief van 19 december 2019 werd afgewezen met als motivering (in het roljournaal): Mobelli heeft daarop bij e-mailbericht van 27 december 2019 om verduidelijking van de weigering verzocht. Daarop heeft (de griffie van) het hof per e-mail op 30 december 2019 geantwoord met als toelichting: Mobelli stelt zich op het standpunt dat met deze laatste motivering wordt teruggekomen van de eerdere motivering en dat deze ‘ommezwaai’ niet nader is toegelicht. Mobelli kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de eerste motivering kennelijk niet sterk genoeg werd bevonden voor het weigeren van de akte en dat vervolgens naar een andere motivering is gezocht. Het voorgaande – in onderlinge samenhang bezien – en vooral het wijzigen van de motivering voor het weigeren van de akte is voor Mobelli aanleiding geweest om het verzoek tot wraking van mr. Pinckaers in te dienen.
Evenmin is juist dat Mobelli niet meer zou kunnen reageren op hetgeen is besproken ter zitting en Dura Vermeer wel, waardoor zij een procesvoordeel zou hebben. Mobelli kan immers om een mondelinge behandeling of een schriftelijke toelichting verzoeken. De door Mobelli aangevoerde gronden die zien op (de motivering van) het weigeren van de akte, kunnen geen grond vormen voor wraking, aangezien het om rechterlijke beslissingen gaat.Van een ‘ommezwaai’ in de motivering voor het weigeren van de akte is geen sprake. De akte is steeds geweigerd omdat het procesreglement het nemen daarvan na de memorie van grieven en vóór de memorie van antwoord niet toestaat. De aangevoerde gronden kunnen noch afzonderlijk noch in onderling verband leiden tot de conclusie dat sprake is van (objectieve vrees voor althans de schijn van) partijdigheid, aldus mr. Pinckaers.
3.1
Een rechter die een zaak behandelt, kan op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (art. 36 Rv). Volgens vaste rechtspraak is uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter jegens een partij vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.2
Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413) volgt dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. De motivering van die (tussen)beslissing kan evenmin grond vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie rov. 3.3 en 3.4 van genoemd arrest).
3.3
Deze uitspraak brengt in dit geval mee dat de beslissingen van mr. Pinckaers in zijn hoedanigheid van rolraadsheer met betrekking tot het weigeren van de akte van Mobelli, geen grond voor wraking kunnen vormen. Ditzelfde geldt voor de motivering van deze beslissing en de de daarna gegeven toelichting naar aanleiding van het verzoek om verduidelijking van de reden voor de weigering. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan niet worden gezegd dat de motivering/toelichting van de beslissingen, in het licht van de door Mobelli aangevoerde en gebleken omstandigheden en naar objectieve maatstaven gemeten, niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van mr. Pinckaers, ook niet bezien in samenhang met de uitlatingen van mr. Pinckaers gedaan tijdens de comparitie. Dat mr. Pinckaers tijdens de comparitie heeft gezegd dat Mobelli niet heeft geleverd, in de betekenis die Mobelli daaraan toekent, namelijk dat er helemaal niet is geleverd, is niet aannemelijk geworden. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt niet dat mr. Pinckaers dat heeft gezegd. Bovendien is levering een voor meerdere uitleg vatbaar begrip. Voor de veronderstelling dat mr. Pinckaers met zijn uitlatingen een voorzet heeft willen geven aan de wederpartij van Mobelli bestaat geen enkele aanwijzing; de wrakingskamer ziet evenmin in de aangevoerde omstandigheden een objectieve rechtvaardiging voor het bestaan van de vrees voor een dergelijke vooringenomenheid bij mr. Pinckaers.
3.4
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat geen van de door Mobelli aangedragen gronden voor de wraking, noch op zichzelf noch in onderling verband, slaagt. Het verzoek tot wraking zal daarom worden afgewezen.
beslissing

Beslissing

- wijst het verzoek tot wraking af;
- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de advocaat van) Mobelli, mr. Pinckaers en (de advocaat van) Dura Vermeer.
De wrakingskamer:

Deze beslissing is gegeven door mrs. H.J. van Kooten, W.J. van Boven en C.M. Warnaar, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.