Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2020:31

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 20-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 28-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2020:31, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.232.400/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.232.400/01

Rol- en zaaknummer rechtbank : C/09/524319 HA ZA 16-1436

Arrest van 28 januari 2020

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats],appellant,hierna te noemen: [appellant],advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.

ECLI:NL:GHDHA:2020:31:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.232.400/01

Rol- en zaaknummer rechtbank : C/09/524319 HA ZA 16-1436

Arrest van 28 januari 2020

inzake

[appellant]

wonende te [woonplaats],appellant,hierna te noemen: [appellant],advocaat: mr. T. Venneman te Den Haag,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [woonplaats],geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. M. de Boorder te Den Haag.
1

1.1
Bij exploot van 17 januari 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een door de Rechtbank Den Haag tussen partijen gewezen vonnis van 8 november 2017. Bij memorie van grieven (hierna: MvG) heeft [appellant] vier grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Bij akte van 23 oktober 2018 heeft [appellant] gereageerd op de producties van [geïntimeerde].Bij akte van 20 november 2018 heeft [geïntimeerde] op deze akte gereageerd.Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2

2.1
Het gaat in dit hoger beroep kort gezegd om gelden waarvan [geïntimeerde] stelt dat zij die aan [appellant] heeft geleend, en die [appellant] niet aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald. De door de rechtbank in het vonnis van 8 november 2017 vastgestelde feiten zijn, voor zover zij nog van belang zijn in dit hoger beroep, niet bestreden, op r.o. 2.6 van het bestreden vonnis na. Met inachtneming van deze feitenvaststelling en in aanvulling daarop kan in dit hoger beroep van het volgende worden uitgegaan. Het hof zal hierna onder 5.21 e.v. ingaan op de grief die zich richt tegen r.o. 2.6 van het bestreden vonnis.

2.2
Partijen hebben elkaar in 2011 via een datingsite leren kennen, waarna een vriendschappelijke relatie ontstond. Van juli 2011 tot september 2013 is [appellant] geregeld samen met [geïntimeerde] in de eigen woning van [geïntimeerde] te [woonplaats] verbleven.
2.3
[appellant] leed ten tijde van de betrokken feiten al langere tijd aan een zware alcoholverslaving. Hij is daarvoor in 2010 en 2011 opgenomen geweest in afkickklinieken. Ten tijde van de eerste aanleg studeerde [appellant] rechten en had hij een WAO-uitkering van € 866 per maand. Er was toen beslag gelegd op zijn uitkering in verband met een schuld aan DUO.
2.4
In 2012 had [appellant] in het kader van zijn toenmalige Engelse onderneming dringend behoefte aan financiële middelen om schulden van die onderneming te voldoen. Hij heeft zich toen gewend tot [geïntimeerde] met de vraag of zij hem kon helpen. Daarop heeft [geïntimeerde] diverse bedragen aan [appellant] overgemaakt.
2.5
Op 22 februari 2012 hebben partijen een stuk ondertekend met als opschrift: "OVEREENKOMST VAN GELDLENING" (hierna: de eerste akte), waarin het volgende staat:
1. [geïntimeerde] heeft aan [appellant] geleend een bedrag van EUR 68.000,- (zegge: achtenzestigduizend euro) voor de duur van zes weken, welk bedrag [appellant] verklaart van [geïntimeerde] ontvangen te hebben.

2. De rentevoet bedraagt 5% per zes weken.

3. (…)

4. (…)

5. [appellant] verklaart zich bereid na ontvangst van een bij aangetekend schrijven verzonden eerste verzoek daartoe bij een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris en dag een pand/hypotheekrecht te vestigen ten gunste van [geïntimeerde] op door [geïntimeerde] aan te wijzen aan [appellant] toebehorende (on)roerende zaken ter meerdere zekerheid van deze en andere door [geïntimeerde] aan [appellant] verstrekte geldleningen dan wel overige (geld)schulden.

2.6
[geïntimeerde] heeft ook een stuk in het geding gebracht met als opschrift "OVEREENKOMST VAN GELDLENING", gedateerd 1 mei 2013 (hierna: de tweede akte), waarin het volgende staat:
1. [geïntimeerde] heeft aan [appellant] geleend een bedrag van EUR 310.000,- (zegge: driehonderdtienduizend euro) voor de duur van 6 maanden, welk bedrag [appellant] verklaart van [geïntimeerde] ontvangen te hebben.

2. De rentevoet bedraagt 6,0% per jaar.

3. (...)

4. (...)

5. [appellant] verklaart zich bereid na ontvangst van een bij aangetekend schrijven, verzonden eerste verzoek daartoe bij een door [geïntimeerde] aan te wijzen notaris en dag een pand/hypotheekrecht te vestigen ten gunste van [geïntimeerde] op door [geïntimeerde] aan te wijzen aan [appellant] toebehorende (on)roerende zaken ter meerdere zekerheid van deze en andere door [geïntimeerde] aan [appellant] verstrekte geldleningen dan wel overige (geld)schulden.

De tweede akte is getekend door [geïntimeerde]. Bij de naam van [appellant] staat ook een handtekening.
2.7
[geïntimeerde] heeft in de periode tussen 30 maart 2012 en 29 juli 2013 vanuit een rekening courant op haar naam bij de ING bank (hierna: de ING-rekening) een aantal rechtstreekse betalingen verricht aan een rekening waarvan de houder op de betrokken rekeningafschriften is aangeduid als “[naam en woonplaats appellant]”.

2.8
[geïntimeerde] heeft in de periode tussen 5 oktober 2011 en 9 juli 2013 vanuit een rekening courant op haar naam bij de Rabobank (hierna: de Rabobank-rekening) een aantal rechtstreekse betalingen verricht aan rekeningen die op de betrokken rekeningafschriften worden aangeduid als “[cijferreeks 1] [appellant]” en “[cijferreeks 2]. [appellant]”. Tussen deze betalingen bevindt zich een betaling van € 20.000,- met als rentedatum 23 februari 2012 en als omschrijving “[cijferreeks 2]. [appellant] Spoedopdracht 22 februari 2012”.

2.9
[appellant] heeft de door [geïntimeerde] aan hem betaalde bedragen niet terugbetaald.
3

3.1
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, gevorderd dat [appellant], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zou worden veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van € 310.000,- op grond van lening, te vermeerderen met € 69.411,36 aan rente tot 15 oktober 2016 en met de wettelijke rente vanaf die datum. Zij heeft ook andere vorderingen ingesteld die het hof hierna buiten beschouwing zal laten omdat de rechtbank die vorderingen heeft afgewezen zonder dat [geïntimeerde] daartegen in hoger beroep is gekomen. Ten slotte heeft [geïntimeerde] veroordeling gevorderd in de proceskosten, met nakosten.
3.2
Aan haar vordering op grond van lening heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat zij het betrokken bedrag aan [appellant] heeft uitgeleend krachtens: - een eerste leningsovereenkomst voor een bedrag van € 68.000,- (hierna: de eerste leningsovereenkomst) die is vastgelegd in de eerste akte; en - een tweede leningsovereenkomst voor een totaalbedrag van € 310.000,- (hierna: de tweede leningsovereenkomst) die is vastgelegd in de tweede akte, waarbij sprake was van schuldvernieuwing ten opzichte van de eerste leningsovereenkomst. Het in de tweede akte vermelde bedrag van € 310.000,- omvatte dus volgens [geïntimeerde] de in de eerste akte al genoemde hoofdsom van € 68.000,-, de daarover tussentijds verschuldigde rente en een nieuwe, na de eerste leningsovereenkomst geleende hoofdsom.
3.3
[appellant] heeft het bestaan van beide leningsovereenkomsten betwist.

3.4
De rechtbank heeft daar als volgt over geoordeeld.- [geïntimeerde] heeft in de betrokken periode in totaal € 156.957,- rechtstreeks overgemaakt op bankrekeningen van [appellant] (r.o. 4.2).- De eerste akte moet worden aangemerkt als een leningsovereenkomst (r.o. 4.3-4.5). Deze is niet vernietigbaar wegens misbruik van omstandigheden (r.o. 4.6-4.8) of dwaling (r.o. 4.9), waardoor [appellant] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 68.000,- verschuldigd is (r.o. 4.10).- Wegens de betwisting door [appellant] van de echtheid van zijn handtekening onder de tweede akte kan de rechtbank niet zonder meer uitgaan van de juistheid van die akte (r.o. 4.12), maar [appellant] moet desalniettemin het totaalbedrag van € 156.957,- aan rechtstreeks van [geïntimeerde] ontvangen betalingen terugbetalen, omdat uit de omstandigheden van het geval is gebleken dat [geïntimeerde] al deze betalingen ten titel van lening had gedaan (r.o. 4.13-4.14).- [geïntimeerde] heeft na betwisting door [appellant] onvoldoende onderbouwd dat zij aan [appellant] meer dan € 156.957 had geleend (r.o. 4.15). - Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld over de over beide leningscomponenten te rekenen rente (r.o. 4.16-4.17).
3.5
Voor zover in hoger beroep relevant heeft de rechtbank daarom, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 71.400,-, en een bedrag van € 88.957,-, vermeerderd met rente en proceskosten.

4

4.1
In hoger beroep vordert [appellant] kort gezegd vernietiging van het bestreden vonnis en afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.- Grief I bestrijdt de feitelijke vaststelling van de rechtbank in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis.- Grief II bestrijdt het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2 van het bestreden vonnis dat [geïntimeerde] in totaal € 156.957,- rechtstreeks aan [appellant] heeft overgemaakt.- Grief III richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] uit hoofde van de eerste leningsovereenkomst € 68.000,- verschuldigd is aan [geïntimeerde].- Grief IV richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] uit hoofde van de eerste en tweede leningsovereenkomst in totaal € 156.957,- verschuldigd is aan [geïntimeerde].
4.2
[geïntimeerde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het hoger beroep, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

overwegingen

5

De eerste leningsovereenkomst

5.1
Het hof ziet aanleiding te beginnen met de Grieven II t/m IV. Met zijn Grief III, die het hof als eerste zal behandelen, komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de eerste leningsovereenkomst. Het hof zal de diverse onderdelen van die grief afzonderlijk behandelen.-
5.2
[appellant] betoogt dat hij in de periode 2011-2013 een vriendschappelijke relatie had met [geïntimeerde] en dat hij in die periode weleens geld van haar heeft gekregen, maar dat deze bedragen voor diverse doeleinden zijn gebruikt, bijvoorbeeld vakanties, en dat hij nooit met [geïntimeerde] heeft afgesproken dat zij die bedragen als lening had verstrekt.

5.3
In r.o. 4.3 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de eerste akte, waarvan [appellant] de authenticiteit niet heeft betwist, behoudens tegenbewijs tegen hem dwingend bewijs oplevert van hetgeen daarin is verklaard. In r.o. 4.5 heeft zij de betwisting van [appellant] met de strekking dat sprake was van een schenking als onvoldoende onderbouwd verworpen. Daarmee heeft zij geoordeeld dat de eerste akte een leningsovereenkomst heeft opgeleverd. Geen van de genummerde grieven uit de MvG richt zich tegen dat oordeel, en ook buiten die genummerde grieven om valt in hetgeen [appellant] daarin aanvoert geen (onderbouwde) klacht te lezen die erop neer komt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een leningsovereenkomst. De enkele stelling (zonder nadere onderbouwing) dat hier sprake was van een schenking is onvoldoende om als tegenbewijs te kunnen dienen tegen de dwingende bewijskracht van de eerste akte. Daarom moet de met de eerste akte geschapen rechtsverhouding worden aangemerkt als een leningsovereenkomst.
-

5.4
[appellant] betoogt in punt 10 MvG dat de eerste akte niet juist kan zijn, daar waar zij bepaalt dat [geïntimeerde] op 22 februari 2012 reeds een bedrag van € 68.000,- aan [appellant] zou hebben betaald. Uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte specificaties blijkt immers dat [geïntimeerde] op dat moment nog niet dat bedrag aan [appellant] had betaald.

5.5
[geïntimeerde] heeft als productie 4 bij memorie van antwoord een overzicht in het geding gebracht van alle betalingen waarvan zij in eerste aanleg heeft gesteld dat zij direct of indirect ten gunste van [appellant] zijn verricht en die tot 22 februari 2012 hebben plaatsgevonden. De in die periode gedane betalingen tellen volgens [geïntimeerde] op tot een bedrag van € 76.821,58. Bij dat overzicht betrekt [geïntimeerde] een betaling van € 20.000,- aan [appellant] die als rentedatum 23 februari 2012 heeft, maar waarvoor [geïntimeerde] al op 22 februari 2012 opdracht had gegeven, of waarvan althans op die datum bekend was dat zij zou worden gedaan.

5.6
[appellant] heeft bij akte houdende reactie op producties aangevoerd dat het onjuist is om uit te gaan van zowel de directe als de indirecte betalingen van [geïntimeerde], omdat de rechtbank hier alleen de betalingen in aanmerking heeft genomen die [geïntimeerde] rechtstreeks aan hem heeft gedaan. Daarnaast bewijst de overboeking van € 20.000,- aan [appellant] met als rentedatum 23 februari 2012 juist dat [appellant] op 22 februari 2012 nog niet € 68.000,- van [appellant] had ontvangen.

5.7
Het hof oordeelt als volgt. Krachtens artikel 157 lid 2 Rv levert de eerste akte dwingend bewijs op jegens [appellant] met betrekking tot het bedrag dat hij op 22 februari 2012 van [geïntimeerde] te leen heeft ontvangen. [appellant] kan weliswaar tegenbewijs leveren, maar heeft daartoe zijn betwisting van de stellingen van [geïntimeerde] onvoldoende toegelicht. Ook het door [geïntimeerde] overgelegde overzicht is onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarbij geldt voorts het volgende.
- Dat [geïntimeerde] bij het overgelegde overzicht niet alleen haar rechtstreekse betalingen aan [appellant] in aanmerking heeft genomen, maar ook de door haar gestelde indirecte betalingen, is terecht: dat onderscheid is immers niet relevant voor de vraag of [appellant], zoals vastgelegd in artikel 1 van de eerste akte, op 22 februari 2012 inderdaad € 68.000,- van [geïntimeerde] heeft geleend én ontvangen. Het geleende bedrag kan immers in de onderlinge verhouding tussen partijen zeer wel mede hebben bestaan uit indirecte betalingen.
- Dat [geïntimeerde] bij deze berekeningen ook de betaling van € 20.000,- met rentedatum 23 februari 2012 betrekt, is eveneens terecht. [geïntimeerde] stelt in dat kader dat zij de betrokken opdracht op 22 februari 2012 heeft gegeven, of dat op die datum althans bekend was dat die betaling zou worden gedaan, en dat dit reden te meer was om de lening in de eerste overeenkomst vast te leggen. [appellant] betwist dat de betaling op die datum zou zijn gegeven, omdat dat nergens uit zou blijken, en voert aan dat de betaling met rentedatum 23 februari 2012 juist bewijst dat hij op 22 februari 2012 het totaalbedrag van € 68.000,-, waarvan die betaling deel zou moeten uitmaken, nog niet volledig had ontvangen. Zoals [geïntimeerde] echter terecht opmerkt, staat op het bankafschrift bij de betrokken betaling juist “Spoedopdracht 22 februari 2012”. Daarnaast heeft [appellant] niet de stelling van [geïntimeerde] betwist dat in elk geval al op 22 februari 2012 voor partijen bekend was dat die betaling zou worden gedaan. Ten slotte geldt dat ook indien [appellant] het betrokken bedrag pas met rentedatum 23 februari 2012 overgeboekt heeft gekregen, partijen er op 22 februari 2012 zeer wel van uit konden gaan dat dat bedrag op die dag of onmiddellijk daarna zou worden ontvangen door [appellant], en daarom het hele bedrag van € 68.000,- in artikel 1 van de eerste akte hebben kunnen vastleggen. -
5.8
[appellant] betoogt dat uit het feit dat hij op 22 februari 2012 nog niet een bedrag van € 68.000,- kan hebben ontvangen volgt dat hij, althans beide partijen, bij het aangaan van de eerste leningsovereenkomst hebben gedwaald omtrent dat bedrag.

5.9
Uit datgene wat het hof hiervoor onder 5.7 heeft overwogen volgt echter dat het op 22 februari 2012 voor [appellant] dan wel voor beide partijen geen onjuiste voorstelling van zaken was om vast te leggen dat [appellant] toen reeds € 68.000,- van [geïntimeerde] had geleend én ontvangen, waardoor die loutere vastlegging niet wijst op dwaling. Ook anderszins heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat en waarom hier is voldaan aan de vereisten voor een beroep op dwaling. Dat beroep faalt daarom.-
5.10
[appellant] betoogt dat uit het feit dat [geïntimeerde] op 22 februari 2012 nog niet een bedrag van € 68.000,- aan hem zou hebben overgemaakt ook blijkt dat sprake is van misbruik van omstandigheden door [geïntimeerde], omdat zij [appellant] heeft gedwongen om gedurende een heftige alcoholverslaving de eerste overeenkomst met een onjuiste inhoud te tekenen.

5.11
Ook hier geldt echter dat uit overweging 5.7 volgt dat het op 22 februari 2012 voor partijen geen onjuiste voorstelling van zaken was om vast te leggen dat [appellant] toen reeds € 68.000,- van [geïntimeerde] had geleend én ontvangen, waardoor die loutere vastlegging niet wijst op misbruik van omstandigheden. Daarnaast heeft [appellant] in hoger beroep onvoldoende gesteld om zijn beroep op misbruik van omstandigheden te doen slagen. De enkele stelling dat [appellant] bij het aangaan van de eerste lening leed aan een heftige alcoholverslaving zegt nog niets over de vraag of hij zich bij dat aangaan in een bijzondere omstandigheid van noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid bevond en of hij op diezelfde datum door die omstandigheid is bewogen tot het aangaan van de eerste overeenkomst. Ook het beroep op misbruik van omstandigheden faalt daarom.
-

5.12
Om deze redenen faalt Grief III in al zijn onderdelen. [geïntimeerde] kan van [appellant] een hoofdsom van € 68.000,- opeisen uit hoofde van de eerste leningsovereenkomst.
De tweede leningsovereenkomst

-

5.13
Met zijn Grief IV komt [appellant] op tegen r.o. 4.13. en 4.14. van het bestreden vonnis, waarin de rechtbank het bestaan heeft aangenomen van een leningsverhouding die verder is gegaan dan de eerste overeenkomst, en op grond waarvan de rechtbank [appellant] heeft veroordeeld tot terugbetaling aan [geïntimeerde] van het volledige bedrag van € 156.957,- aan rechtstreekse betalingen van [geïntimeerde] aan [appellant] uit de betrokken periode, dat wil zeggen € 88.957,- boven op het op grond van de eerste overeenkomst al toegewezen bedrag van € 68.000,-. In zijn toelichting bij de grief klaagt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de feiten en omstandigheden erop wijzen dat [geïntimeerde] geld aan [appellant] heeft geleend omdat hij haar in de waan heeft gelaten dat hij haar snel en met rente zou terugbetalen. Volgens [appellant] heeft hij juist uitdrukkelijk aangegeven dat hij de ontvangen geldbedragen nooit als lening heeft beschouwd. [appellant] klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte haar oordeel heeft gebaseerd op door [geïntimeerde] overgelegde Whatsapp-gesprekken. Ook betoogt [appellant] dat van elke individuele overschrijving zou moeten worden aangetoond dat het om een lening ging, te meer geen van die overschrijvingen in de omschrijving als zodanig is aangeduid.

5.14
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor bij de behandeling van Grief III is geoordeeld, is tussen partijen sprake geweest van een leningsovereenkomst voor een bedrag van € 68.000,-. Dat [appellant], zoals hij betoogt, helemaal niets heeft geleend, is dus niet juist. Daarnaast heeft [appellant] in eerste aanleg erkend dat hij de ontvanger is van de rechtstreekse betalingen die zijn beschreven in de bankafschriften (proces-verbaal van comparitie, mr. Venneman, onder 13). Ook erkent [appellant] dat het daarbij gaat om een bedrag van in ieder geval € 154.257,-, dat wil zeggen minimaal € 86.257,- boven het bedrag van € 68.000,- dat in de eerste akte is genoemd (zie Grief II). [appellant] heeft daarbij niet afzonderlijk de stelling betwist dat hij na de eerste leningsovereenkomst nog méér heeft geleend, maar heeft volstaan met een herhaling van zijn niet nader onderbouwde betwisting van het bestaan van een tweede leningsovereenkomst. In het licht van de eerste leningsovereenkomst had het echter op zijn weg gelegen om bij die betwisting te onderbouwen waarom [geïntimeerde] hem eerst een bedrag van € 68.000,- zou hebben uitgeleend om hem vervolgens een bedrag van € 88.957,- te schenken. Dat er na een lening een veel groter bedrag wordt geschonken is immers onwaarschijnlijk. Die onderbouwing heeft [appellant] echter niet gegeven, waardoor hij het bestaan van een tweede leningsovereenkomst onvoldoende gemotiveerd heeft betwist.

5.15
Op grond van het voorgaande neemt het hof als vaststaand aan dat [geïntimeerde] boven het bedrag van € 68.000,- uit hoofde van de eerste leningsovereenkomst ook een bedrag van € 88.957,- aan [appellant] heeft uitgeleend uit hoofde van een tweede leningsovereenkomst. Uit de motivering in de voorgaande alinea volgt dat daarvoor niet relevant is of bij de betalingen van [geïntimeerde] aan [appellant] stond vermeld dat het (elke keer) om leningen ging en of voor elke betaling een afzonderlijke leningsovereenkomst kan worden aangewezen. De echtheid van de door [geïntimeerde] overgelegde Whatsapp-gesprekken kan met die motivering in het midden blijven. Om deze redenen faalt Grief IV.
- Wat is het totaalbedrag dat [geïntimeerde] rechtstreeks heeft overgemaakt aan [appellant]? (Grief II)

5.16
Met zijn Grief II komt [appellant] op tegen de berekening door de rechtbank in r.o. 4.2 van het bestreden vonnis van het totaal aan rechtstreeks door [geïntimeerde] aan [appellant] betaalde bedragen als zijnde € 156.957,-. Volgens [appellant] blijkt uit de bijlagen die door [geïntimeerde] zijn overgelegd dat het om een bedrag van € 154.257,- gaat, zodat de rechtbank een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

5.17
[geïntimeerde] bestrijdt dit en legt eigen berekeningen over die het totaalbedrag van € 156.957,- bevestigen.

5.18
Het hof oordeelt als volgt. [geïntimeerde] heeft als productie 1 bij akte van 6 september 2017 in eerste aanleg onder andere de volgende stukken in het geding gebracht.
- Ten eerste een digitaal overzicht van alle overboekingen van de ING-rekening aan “[naam en woonplaats appellant]” voor de periode 2 mei 2011 t/m 1 september 2013. Het totaalbedrag van deze overboekingen is volgens [geïntimeerde] € 16.007. Dit totaalbedrag staat ook rechtsboven het digitale overzicht van de ING-rekening dat [geïntimeerde] in eerste aanleg in het geding heeft gebracht. [appellant] heeft in eerste aanleg erkend dat hij de ontvanger is van deze betalingen (proces-verbaal van comparitie, mr. Venneman, onder 13). Hij heeft in zijn akte houdende uitlating producties in hoger beroep de betrokken berekening ook niet betwist.
- Ten tweede kopieën van papieren bankafschriften van de Rabobank-rekening voor de periode 28 juni 2011 t/m 11 december 2013 waarin [geïntimeerde] alle mutaties onleesbaar heeft gemaakt, behalve die waarvan zij heeft gesteld dat zij direct of indirect ten gunste van [appellant] zijn geweest. Tussen de niet onleesbaar gemaakte mutaties bevinden zich (onder andere) rechtstreekse overboekingen naar “[cijferreeks 1] [appellant]” en “[cijferreeks 2]. [appellant]”. [geïntimeerde] heeft als productie 3 bij memorie van antwoord een optelling in het geding gebracht van alle rechtstreekse betalingen vanuit haar Rabobank-lening naar [appellant], voor een totaal van € 140.950,-. [appellant] heeft in eerste aanleg erkend dat hij de ontvanger is van deze betalingen (proces-verbaal van comparitie, mr. Venneman, onder 13). Hij heeft in zijn akte houdende uitlating producties in hoger beroep de betrokken berekening ook niet betwist.
5.19
Voornoemde bedragen opgeteld komt het hof net als de rechtbank tot een totaal aan rechtstreekse betalingen van [geïntimeerde] aan [appellant] van € 156.957,-. Om deze redenen faalt Grief II.-
5.20
[geïntimeerde] kan van [appellant] een totale hoofdsom van € 156.957,- opeisen uit hoofde van de tweede leningsovereenkomst (met deels schuldvernieuwing ten opzichte van de eerste leningsovereenkomst).
Grief I - De vaststelling in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis

5.21
Met zijn Grief I komt [appellant] op tegen de vaststelling in r.o. 2.6 van het bestreden vonnis dat [appellant] het plan had opgevat om ook in Nederland een bedrijf te beginnen en dat [geïntimeerde] de bankpasjes en creditcard van de onderneming aan [appellant] heeft afgegeven.

5.22
Deze grief faalt omdat r.o. 2.6 van het bestreden vonnis slechts betrekking had op feiten die relevant waren voor een vordering van [geïntimeerde] die de rechtbank heeft afgewezen zonder dat [geïntimeerde] daar in hoger beroep tegen is opgekomen, en hof die feiten ook niet heeft betrokken bij zijn beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] die in hoger beroep nog wel voorlagen.
Slotsom

5.23
De slotsom van het voorgaande is dat alle grieven falen en dat het hof het bestreden vonnis daarom zal bekrachtigen. Omdat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, komt het hof aan bewijslevering niet toe, zodat het bewijsaanbod van [appellant] zal worden gepasseerd.

5.24
Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van de kosten van [geïntimeerde] voor de procedure in hoger beroep.
beslissing

6

- bekrachtigt het bestreden vonnis;
- veroordeelt [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van de kosten in hoger beroep, tot op vandaag aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 1.649,- aan griffierecht en € 3.161,- aan kosten advocaat.
Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. E.M. Dousma-Valk, M.P.J. Ruijpers en H.M.H. Speyart van Woerden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020 in aanwezigheid van de griffier.