Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2020:213

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 25-02-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2020:213, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.242.368-01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2020:213:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.242.368/01Zaaknummer rechtbank : 6022532 CV EXPL 17-18460
in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:

[appellante] ,
wonende te [woonplaats] ,appellante,nader te noemen: [appellante] , advocaat: mr. A. Maaskant te Hellevoetsluis,
tegen:

Stichting Maasdelta Groep,
gevestigd te Spijkenisse, gemeente Nissewaard,geïntimeerde,hierna te noemen: MDG ,advocaat: mr. R.W.F. Heijmeriks te Spijkenisse.
Het geding

- het procesdossier van eerste aanleg, waaronder het op 16 maart 2018 tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, zitting houdende te Rotterdam (hierna: het bestreden vonnis),- de dagvaarding in hoger beroep van 11 juni 2018,- het tussenarrest van 4 september 2018, waarbij een comparitie na aanbrengen is gelast,- het proces-verbaal van de comparitie van 18 oktober 2018,- de memorie van grieven (met een productie),- de memorie van antwoord, tevens houdende memorie tot niet-ontvankelijkverklaring, althans afwijzing van vordering tot schadevergoeding.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken, waarvan het hof kennis heeft kennis genomen:

Beoordeling van het hoger beroep

De feiten

arabic

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis (in rov. 2.1 tot en met 2.16) een aantal feiten vastgesteld. Deze feiten zijn in hoger beroep niet betwist. Daarom gaat ook het hof daarvan uit.

Kort gezegd gaat het om het volgende.(2.1) [appellante] huurt sinds [datum] 2011 van MDG een woning aan de [adres 1] (hierna: de woning of het gehuurde). De partner van [appellante] , genaamd [naam partner appellante] (hierna: [naam partner appellante] ), verblijft bij [appellante] in de woning.(2.2) Bezien vanaf de straatzijde bevindt zich rechts van het gehuurde de woning aan de [adres 2] (hierna ook: de woning rechts). De woning rechts werd achtereenvolgens voor korte tijd door de volgende huurders van MDG bewoond: - [buurvrouw 1] : tot eind 2014, begin 2015- [buurvrouw 2] : van 2015 tot in 2016.- [buurvrouw 3] : van december 2016 tot eind 2017. Zij woonde daar met haar partner ( [naam partner buurvrouw 3] ) en kinderen van respectievelijk [verschillende leeftijden] .(2.3) Bezien vanaf de straatzijde links van het gehuurde bevindt zich de woning [adres 3] (hierna ook: de woning links). Sinds 2015 wordt deze woning bewoond door [buurvrouw 4] , ook een huurster van MDG.(2.4) De bewoners van de woningen rechts en links hebben allemaal bij herhaling bij MDG geklaagd over [appellante] en haar partner [naam partner appellante] . Het ging daarbij steeds over geluidsoverlast, intimidatie en bedreiging, dit laatste met name door [naam partner appellante] . (2.5) MDG heeft [appellante] herhaaldelijk uitgenodigd om hierover te spreken. [appellante] heeft hierop schriftelijk gereageerd met de mededeling dat zij zich aan de regels hield en dat een gesprek niet nodig was (zie bestreden vonnis 2.7 en 2. [leeftijd] .). Ook de gemeente heeft [appellante] uitgenodigd om in hierover in gesprek te gaan (zie bestreden vonnis 2.12). Dit heeft niet tot een gesprek geleid. MDG heeft bij brieven van 25 maart 2016 en 23 februari 2017 [appellante] geconfronteerd met een aantal klachten (bestreden vonnis 2.9 en 2.11). In laatstgenoemde brief heeft MDG [appellante] in gebreke gesteld.(2.6) Op verzoek van MDG hebben diverse voorlopige getuigenverhoren plaatsgevonden, telkens in aanwezigheid van [appellante] , bijgestaan door haar toenmalige advocaat. De kantonrechter heeft de getuigen [buurvrouw 3] , [naam partner buurvrouw 3] en [naam maatschappelijk werkster] gehoord, de (tegen)getuige [A] en de getuigen [B] , [C] , [buurvrouw 4] en [D] .

MDG heeft, uitvoerbaar bij voorraad, op grond van zeer aanzienlijke overlast die [appellante] en [naam partner appellante] de buren aandoen, de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gevorderd. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen. Daartoe heeft de kantonrechter, kort gezegd, als volgt overwogen: (i) Ook bij de vorige woning van [appellante] is door buren geklaagd over het woongedrag van [appellante] . Daarbij ging het om soortgelijke klachten, maar de kantonrechter heeft de huurovereenkomst toen niet ontbonden omdat ook de toenmalige buren soortgelijk gedrag vertoonden. Al met al waren de tekortkomingen van [appellante] (en haar partner) op dat moment ontoereikend om de huurovereenkomst te ontbinden. (ii) Blijkens de geloofwaardige verklaringen van de huidige getuigen/de buren [buurvrouw 3] en [naam partner buurvrouw 3] en de onbestreden schriftelijke verklaringen van de maatschappelijk werkster [naam maatschappelijk werkster] en de senior woonconsulente [C] is opnieuw sprake van een patroon van intimiderend en bedreigend gedrag door [naam partner appellante] jegens de buren. De verklaringen van [buurvrouw 4] en haar zoon [D] bevestigen deze conclusie.(iii) Het langdurig en stelselmatig bedreigen en intimideren van de buren door [naam partner appellante] is een ernstige tekortkoming waarvoor [appellante] aansprakelijk is. [appellante] heeft zich jegens MDG niet gedragen als goed huurder in de zin van artikel 7:213 BW door haar partner [naam partner appellante] de gelegenheid te beiden zich te gedragen zoals hij deed en dat niet te voorkomen of te ontmoedigen. (iv) De tekortkomingen zijn zodanig ernstig dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Het verweer ‘dat het eigenlijk allemaal wel meevalt’ wordt verworpen.

[appellante] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Volgens [appellante] in grief I had de vordering niet mede in het licht van de eerdere zaak beoordeeld mogen worden.Met grief II stelt [appellante] dat de kantonrechter ten onrechte mee heeft laten wegen (in rov. 2.7 tot en met 2.12) dat [appellante] niet is ingegaan op uitnodigingen om een gesprek.In grief III klaagt [appellante] erover dat de kantonrechter de schriftelijke verklaring van de maatschappelijk werkster [naam maatschappelijk werkster] bij zijn beoordeling mee heeft laten wegen. Grief IV bevat als klacht dat de kantonrechter ten onrechte aan de getuigenverklaringen van de buren gewicht heeft toegekend omdat deze onbetrouwbaar zijn.

Daarnaast heeft [appellante] in hoger beroep aan schadevergoeding gevorderd een bedrag van € 20.000,-- wegens gederfd woongenot en € 990,-- voor opslag, omdat het gehuurde kort na het bestreden vonnis is ontruimd waarbij [appellante] slechts een korte tijd werd gegund voor de ontruiming van haar woning.

MDG heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Aan de orde is met name of er sprake is van zodanige tekortkomingen van [appellante] als huurster dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Het hof vindt dat dit het geval is, zoals ook de kantonrechter al heeft geoordeeld. Hierna zal dit worden toegelicht.

Diverse getuigen hebben in de voorlopige getuigenverhoren als buren onder ede getuigenverklaringen afgelegd bij de kantonrechter. Deze verklaringen hebben op grond van artikel 192 lid 1 Rv dezelfde bewijskracht als die, welke op gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd. Alle partijen waren immers bij de verhoren aanwezig.

De buren aan beide kanten van [appellante] (van de woningen rechts en links) hebben gedetailleerde verklaringen afgelegd over de gedragingen van [appellante] en met name over die van haar partner [naam partner appellante] , voor wie [appellante] op grond van artikel 7:219 BW aansprakelijk is. Naast geluidsoverlast vanuit het gehuurde en gedragingen van [appellante] zelf, wordt geklaagd over veelvuldig intimiderend en (ernstig) bedreigend gedrag van [naam partner appellante] . De buren hebben allemaal verklaard zich hierdoor onveilig te voelen. Een aantal buren is inmiddels, naar hun zeggen juist hierom, verhuisd. Getuige [buurvrouw 3] heeft onder meer over [naam partner appellante] verklaard dat hij op dreigende toon heeft gezegd: Getuige [buurvrouw 4] heeft verklaard dat ze al anderhalf jaar druk en spanning ervaart als gevolg van gedragingen van voornamelijk de partner van mevrouw [appellante] . De woonconsulente [B] heeft als getuige verklaard over het voortijdige vertrek van (voormalige) bewoners van woning rechts (nummer [...] ), te weten [buurvrouw 1] en [buurvrouw 2] , terwijl [buurvrouw 3] met partner en kinderen in 2017 een aantal maanden heeft ingewoond bij een familielid in Spijkenisse omdat ze bang was en haar dochtertje van [leeftijd] er niet tegen kon. Getuige [B] heeft voorts verklaard dat ze zelf heeft gezien dat [appellante] bij [buurvrouw 1] (nr. [...] ) over de kapotte schutting stapte met een steen in haar hand. De woonconsulente [C] heeft als getuige verklaard over haar bezoek aan de woning links bij [buurvrouw 4] (van nummer [...] ). Toen ze daar was heeft ze naar haar zeggen [appellante] horen schelden, onder meer: Ook hoorde ze een hoop gebonk en geschreeuw vanuit de woning van [appellante] . De zoon van [buurvrouw 4] vertelde daarna dat [naam partner appellante] weer over de schutting hing, aldus nog steeds [C] .

[appellante] heeft hier nauwelijks iets tegenover gesteld. Zij heeft niet veel meer gedaan dan te ontkennen, te zeggen dat ze geen eerlijke kans heeft gehad van MDG en dat MDG haar meldingen van geluidsoverlast door de buren niet serieus nam. Dit laatste wordt bestreden door MDG. In dit verband is bovendien van belang dat MDG keer op keer heeft geprobeerd om hierover met [appellante] te praten, maar dat [appellante] hier niet op in is gegaan. Er zijn geen concrete aanwijzingen voor (geluids)overlast van de buren (van [...] en [...] ). Voor zover daar al sprake van is, doet dit niet af aan de geluidsoverlast, bedreigingen en intimidaties van de zijde van [appellante] en haar partner. In ieder geval is er geen reden om de verklaring van de buren onbetrouwbaar te achten, zoals [appellante] stelt. Zeker niet nu deze verklaringen gedetailleerd en consistent zijn en worden ondersteund door getuigenverklaringen van woonconsulenten [B] en [C] omtrent eigen waarnemingen. Bovendien vormen de diverse verhuizingen vanuit nummer [...] een feitelijke aanwijzing voor de door diverse buren beschreven angst voor [appellante] en met name [naam partner appellante] . Dit wordt ondersteund door de maatschappelijk werkster [naam maatschappelijk werkster] , die als getuige heeft verklaard dat [buurvrouw 3] haar heeft verteld dat ze bang was van haar buren [appellante] en [naam partner appellante] .

Al met acht het hof bewezen dat er sprake is van zodanig herhaald luidruchtig, intimiderend en bedreigend gedrag van [appellante] en [naam partner appellante] richting buren dat geoordeeld moet worden dat [appellante] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen als huurster (om zich te gedragen als een goed huurster). Daarom is ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde gerechtvaardigd. Voor zover [appellante] haar verweer omtrent de geringe ernst van de tekortkoming heeft gehandhaafd, wordt dit verweer verworpen. Het hof acht het ernstig wanneer buren bang worden van het optreden van [appellante] en [naam partner appellante] en zich daarom onveilig voelen in hun woning. Andere (bijzondere) omstandigheden waarom hierover anders geoordeeld zou moeten worden, zijn niet naar voren gekomen.

Ten overvloede overweegt het hof nog als volgt. Gelet op de vele klachten over [appellante] als huurster van de woning en haar huisgenoot [naam partner appellante] , is er wel degelijk aanleiding de vergelijkbare klachten over het gedrag van [appellante] en [naam partner appellante] bij de voorgaande woning hierbij te betrekken, juist omdat dit de geloofwaardigheid van de getuigenverklaringen in de huidige zaak vergroot. Echter dit heeft in deze zaak niet de doorslag gegeven. Dat is hetgeen hiervoor is overwogen.

[appellante] is niet-ontvankelijk in haar aanvullende schadevordering. Het is niet mogelijk voor het eerst in hoger beroep een eis in reconventie (een tegenvordering) in te stellen. Dit volgt uit artikel 353 lid 1 Rv. Het hof komt dus niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering.

De grieven worden verworpen. Zij hoeven verder niet meer afzonderlijk te worden besproken. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] worden veroordeeld in de proceskosten.

beslissing

Beslissing

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, D. Aarts en J.I. de Vreese-Rood en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2020 in aanwezigheid van de griffier.
Het hof:

-

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van MDG tot op heden begroot op € 726,-- aan verschotten en € 2.148,-- aan salaris advocaat;

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar schadevordering.

Arrest van 25 februari 2020