Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:432

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 28-02-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 12-03-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:432, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.216.223/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.216.223/01

Rolnummer rechtbank : 3884183 RL EXPL 15-5136

arrest van 12 maart 2019

inzake

ECLI:NL:GHDHA:2019:432:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.216.223/01

Rolnummer rechtbank : 3884183 RL EXPL 15-5136

arrest van 12 maart 2019

inzake

1

2. [appellant 2],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],appellanten in het principaal appel,geïntimeerden in het incidenteel appel,hierna te noemen: [appellant],advocaat: mr. A.H.M. van den Steenhoven te Den Haag,
tegen

1

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],geïntimeerden in het principaal appel,appellanten in het incidenteel appel,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. J-F. Grégoire te Den Haag.
1

Voor de gang van zaken tot 7 augustus 2018 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum. Na dit arrest heeft [appellant] een akte met producties genomen, gevolgd door een akte van [geïntimeerde], eveneens met producties. [geïntimeerde] heeft daarbij zijn eis gewijzigd. Vervolgens hebben beide partijen een antwoordakte genomen waarbij zij op elkaars akten hebben gereageerd. Daarbij heeft [appellant] nog een productie overgelegd. Ten slotte is arrest gevraagd.

overwegingen

2

2.1.
In het tussenarrest van 7 augustus 2018 heeft het hof beslist dat de vorderingen van [geïntimeerde] in het incidenteel appel, met betrekking tot de verwijdering van beplantingen in de tuin van [appellant] en de verwijdering van een dakrand van de woning van [appellant], ongegrond zijn. In het principaal appel vordert [appellant] vernietiging van de door de kantonrechter in zijn vonnis van 20 februari 2017 uitgesproken veroordeling van [appellant] om het aantal door hem gehouden honden te beperken tot twee. Met betrekking tot deze vordering heeft het hof beslist dat de honden van [appellant] onrechtmatige hinder veroorzaken, en dat het [appellant] zal veroordelen tot het treffen van een maatregel ter beperking van de overlast van de honden, die naar keuze van [appellant] kan bestaan uit ofwel het terugbrengen van het aantal honden tot twee, ofwel de muur tussen de woningen van partijen van doelmatige geluidsisolatie voorzien. Alvorens een concrete veroordeling uit te spreken, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de geschikte norm voor de geluidsisolatie van de desbetreffende muur.
2.2.
[appellant] heeft een brief en twee notities van de firma [X] te [plaats] (hierna: [X]) overgelegd. Volgens [X] zou met de te treffen geluidsisolerende maatregelen een geluidsreductie van tenminste 5,5 dB moeten worden bereikt voor verblijfsruimten grenzend aan de muur tussen de woningen van partijen. Een dergelijke geluidsreductie is volgens [X] gelijk aan de geluidsreductie die zou worden bereikt door het aantal honden terug te brengen van het huidige aantal van zeven naar twee. Daarbij hanteert [X] als uitgangspunt dat bij identieke geluidsbronnen een verdubbeling van het aantal bronnen leidt tot een toename van het geluidsniveau met 3 dB. Hiervan uitgaande heeft [X] met behulp van een formule het terugbrengen van het aantal honden van zeven naar twee omgerekend naar een geluidsreductie van 5,5 dB. Op grond van de adviezen van [X] stelt [appellant] voor om in de verblijfsruimten die grenzen aan de muur tussen de woningen van partijen aan zijn zijde geluidsisolerende maatregelen te treffen waarmee een reductie van het geluidsniveau van tenminste 5,5 dB zal worden bereikt.
2.3.
[geïntimeerde] heeft een rapport laten uitbrengen door de firma Kenniscentrum Geluidsisolatie te Amsterdam (hierna: KGI). Isolatie van de muur tussen de woningen van partijen zal volgens KGI onvoldoende effect hebben, als gevolg van geluidslekken of flankerende geluidsoverdracht. Daarom dienen volgens [geïntimeerde] aanvullende geluidsisolerende maatregelen te worden getroffen ter bestrijding van deze geluidslekken of flankerende geluidsoverdracht. Met het oog op zulke maatregelen heeft [geïntimeerde] zijn eis uitgebreid met een veroordeling van [appellant] om zijn woning voor zijn rekening zodanig te isoleren dat geluidslekken en flankerende geluidsoverdracht niet langer tot onrechtmatige hinder leiden, een en ander volgens NEN normen NEN-EN 12354-1 (geluidsisolatie tussen ruimten) en NEN-EN 12354-2 (contactgeluidsisolatie tussen ruimten). Volgens [geïntimeerde] dienen de geluidsisolerende maatregelen te worden getroffen in combinatie met het terugbrengen van het aantal honden tot twee. [geïntimeerde] onderschrijft overigens het uitgangspunt dat als het aantal geluidsbronnen twee keer zo groot wordt, het geluidsniveau met 3 dB toeneemt, onder verwijzing naar een door hem overgelegde uitgave van de Nederlandse Vereniging voor Audiologie.
2.4.
Het hof heeft reeds beslist dat het [appellant] de keuze zal laten tussen het terugbrengen van het aantal honden tot twee en het aanbrengen van geluidsisolatie. Het hof komt daarvan niet terug. Het hof tekent hierbij aan dat [geïntimeerde] in de memorie van grieven in incidenteel hoger beroep geen grief heeft geformuleerd tegen de afwijzing door de kantonrechter van zijn vordering om [appellant] te veroordelen tot beide. Het enkele herhalen c.q. handhaven van deze vordering in die memorie is daartoe onvoldoende. De bezwaren die [geïntimeerde] in dit opzicht in zijn aktes ná die memorie nog heeft geformuleerd zijn tardief (in strijd met de tweeconclusieregel). Het gaat in dit stadium van de procedure dus nog uitsluitend over de vraag welke norm bij het treffen van de geluidsisolerende maatregelen moet worden gehanteerd. Volledigheidshalve overweegt het hof nog dat het onderkent dat de optie van geluidsisolatie in de woning niet tegemoet komt aan mogelijke geluidsoverlast van de zeven honden wanneer die in de tuin zijn, maar [geïntimeerde] heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat deze overlast en de frequentie waarmee deze zich voordoet op zichzelf zodanig zijn dat van onrechtmatige hinder moet worden gesproken.
2.5.
Het hof verwerpt de stelling van [appellant] dat de uitbreiding van de eis van [geïntimeerde] met de vordering ter zake van geluidslekken en flankerende geluidsoverdracht in strijd is met de goede procesorde. Naar aanleiding van het tussenarrest van het hof hebben beide partijen nader onderzoek laten doen naar de noodzakelijke geluidsisolatie. Uit het onderzoek dat [geïntimeerde] heeft laten uitvoeren is naar voren gekomen dat geluidsisolerende maatregelen ook gericht zouden moeten zijn op het tegengaan van geluidslekken en flankerende geluidsoverdracht. Vervolgens heeft [geïntimeerde] in het eerste daarvoor in aanmerking komende processtuk zijn vordering in overeenstemming gebracht met dit nieuwe inzicht. Met de uitbreiding van de eis wordt dus beoogd de eis aan te passen aan feiten die eerst nu aan het licht zijn gekomen. In die omstandigheden is een eiswijziging niet in strijd met de goede procesorde.
2.6.
Aan de zorg van [geïntimeerde] wordt echter tegemoet gekomen als het voorstel van [appellant] wordt gevolgd om een bepaalde geluidsreductie te realiseren. Om die voorgestelde reductie te bewerkstelligen acht het hof het noodzakelijk, zoals kennelijk ook door [X] wordt voorgesteld in de notitie van 7 november 2018 waarop [appellant] zich beroept, dat eerst wordt vastgesteld wat de hoogte van het geluidsniveau is in de woning van [geïntimeerde] als gevolg van het hondengeblaf. Aan de hand daarvan wordt bepaald welke geluidsisolerende maatregelen getroffen moeten worden om een bepaalde geluidsreductie te realiseren. Die maatregelen worden vervolgens getroffen. Eventuele geluidslekken en flankerende geluidsoverdracht worden daarin vanzelf meegenomen. Met betrekking tot de noodzakelijke omvang van de geluidsreductie volgt het hof de stelling van [appellant 1] dat tenminste 5,5 dB volstaat, nu een reductie van een dergelijke omvang het equivalent vormt van het terugbrengen van het aantal honden van zeven naar twee. Het daaraan ten grondslag liggende uitgangspunt dat een verdubbeling van het aantal bronnen leidt tot een toename van het geluidsniveau met 3 dB is door [geïntimeerde] onderschreven, en de op basis van dat uitgangspunt gemaakte berekening van [X] van het verschil in geluid tussen zeven en twee honden is door [geïntimeerde] niet bestreden.
2.7.
Hiervan uitgaande zal het hof in het principaal appel het vonnis van de kantonrechter vernietigen, voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om het aantal door hem te houden honden te beperken en beperkt te houden tot twee, en opnieuw rechtdoende, [appellant] veroordelen om, naar zijn keuze, het aantal door hem te houden honden te beperken en beperkt te houden tot twee, dan wel de muur tussen de woningen van partijen aan de zijde van [appellant] van zodanige geluidsisolatie te voorzien dat het maximale geluidsniveau in de woning van [geïntimeerde] als gevolg van het hondengeblaf met in ieder geval 5,5 dB wordt verminderd. Daarbij is ook de voorwaarde opgenomen dat in de laatste optie, het aantal honden tot zeven wordt beperkt. Partijen hebben zich niet uitgelaten over de termijn waarbinnen deze maatregelen zouden moeten worden getroffen. Het hof zal deze termijn bepalen op zes maanden. Het hof zal de gevorderde dwangsom matigen en maximeren zoals hierna in het dictum vermeld. Verder gaat het hof ervan uit dat [geïntimeerde] zijn medewerking zal verlenen aan het realiseren van de tweede optie, met name aan het uitvoeren van de noodzakelijke geluidsmetingen in zijn woning. De compensatie van de proceskosten in eerste aanleg zal het hof in stand laten. Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten in het principaal appel worden veroordeeld. De vorderingen van [geïntimeerde] in het incidenteel appel zal het hof afwijzen, op grond van de overwegingen in het tussenarrest, behoudens de dwangsom waarmee [geïntimeerde] in hoger beroep zijn eis heeft vermeerderd. Als de in het incidenteel appel hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] in de kosten in het incidenteel appel worden veroordeeld. De kosten in het incidenteel appel zullen worden begroot op de helft van de kosten van het principaal appel tot aan het tussenarrest van 7 augustus 2018, waarbij met uitzondering van de gevorderde dwangsom op het incidenteel appel is beslist.
- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter van 20 februari 2017, voor zover [appellant] daarin is veroordeeld om het aantal door hem te houden honden te beperken en beperkt te houden tot twee, en,
- veroordeelt [appellant], naar zijn keuze, ofwel (i) het aantal door hem gehouden honden te beperken en beperkt te houden tot twee, ofwel (ii) het aantal door hem gehouden honden te beperken en beperkt te houden tot zeven, en door de firma [X] te [plaats] of een gelijkwaardige deskundige op het gebied van geluidswerende voorzieningen, metingen te laten verrichten van het geluidsniveau in de woning van [geïntimeerde] als gevolg van het geblaf van de zeven thans door [appellant] gehouden honden, en aan de hand van deze metingen zodanige geluidsisolerende maatregelen te (laten) treffen aan de zijde van [appellant] van de muur tussen de woningen van partijen, dat het maximale geluidsniveau in de woning van [geïntimeerde] als gevolg van het hondengeblaf met tenminste 5,5 dB wordt gereduceerd; de honden van [appellant] zullen bij nul- en eindmeting op gelijke wijze moeten worden gestimuleerd om te blaffen en ook deuren en ramen in beide woningen zullen op gelijke wijze geopend/gesloten moeten zijn;
- veroordeelt [appellant] tot betaling van een dwangsom van € 100,- per dag voor iedere dag dat hij na zes maanden na betekening van dit arrest in gebreke blijft hieraan volledig te voldoen, met een maximum van € 25.000,-;
- veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 313,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris voor de advocaat;
- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.074,- aan salaris voor de advocaat;
- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Beslissing

Het hof:

in zoverre opnieuw rechtdoende, in het principaal en het incidenteel appel:

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, J.J. van der Helm en J.W. Frieling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.