Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:3161

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-12-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:3161, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.247.835/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.247.835/01Zaaknummer rechtbank : 5035451 CV EXPL 16-18909
arrest van 10 december 2019

inzake

Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,appellante,hierna te noemen: Dexia,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk (gemeente Lansingerland).

ECLI:NL:GHDHA:2019:3161:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.247.835/01Zaaknummer rechtbank : 5035451 CV EXPL 16-18909
arrest van 10 december 2019

inzake

Dexia Nederland B.V.

gevestigd te Amsterdam,appellante,hierna te noemen: Dexia,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde],advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk (gemeente Lansingerland).
1

1.1.
Bij exploot van 27 oktober 2017 is Dexia in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, sector kanton, tussen partijen gewezen vonnis van 28 juli 2017 (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven, met producties, heeft Dexia drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met één productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.
1.2.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
overwegingen

2

2.1.
De door de rechtbank in het bestreden vonnis onder 2. vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daarvan uitgaan.
korte aanduiding van de zaak

2.2.
De heer [naam], de in 2007 overleden echtgenoot van [geïntimeerde] (hierna: [de echtgenoot]), heeft in mei 2000 een effectenleaseovereenkomst met een rechtsvoorganger van Dexia (hierna ook: Dexia) ondertekend (hierna: de Overeenkomst). Op het exemplaar van Dexia van de Overeenkomst is achter de naam van [de echtgenoot] de naam van [geïntimeerde] met de hand bijgeschreven als “De ondergetekenden hierna te noemen “lessee””. Ook is met de hand bijgeschreven dat het bank- of postbankrekeningnummer van waaruit de betalingen onder de Overeenkomst moeten worden geïncasseerd, op naam van [geïntimeerde] is gesteld. Ten titel van de Overeenkomst heeft Dexia van deze betaalrekening betalingen ontvangen en er uitbetalingen op gedaan van per saldo (geïncasseerd door Dexia) € 15.450,83.
2.3.
De Overeenkomst moet worden gekwalificeerd als huurkoopovereenkomst. Een huurkoopovereenkomst die – in de voor deze zaak relevante periode – is aangegaan door een gehuwd persoon zonder schriftelijke toestemming van zijn/haar echtgeno(o)t(e), kan door die echtgeno(o)t(e) worden vernietigd (artikel 1:88 lid 3 BW in verbinding met het destijds toepasselijke artikel 7A:1576i BW)) (HR 28 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2837).
2.4.
[geïntimeerde] heeft de nietigheid van de Overeenkomst ingeroepen vanwege het ontbreken van haar toestemming daarvoor, en Dexia aangesproken tot restitutie van de ingelegde gelden.
2.5.
[geïntimeerde] heeft een opt-out verklaring uitgebracht ten aanzien van de WCAM-regeling (Hof Amsterdam 25 januari 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) (die de afwikkeling van geschillen als deze collectief regelt).
vorderingen en vonnis in eerste aanleg

2.6.
In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gevorderd, samengevat, (i) een verklaring voor recht dat de Overeenkomst is vernietigd en veroordeling van Dexia tot restitutie van wat [de echtgenoot] onder de Overeenkomst aan Dexia heeft betaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de betaaldata, (ii) veroordeling van Dexia om te bewerkstelligen dat de registratie/achterstandscodering van [geïntimeerde] bij het Bureau Kredietregistratie wordt doorgehaald/ongedaan gemaakt, en (iii) veroordeling van Dexia in de buitengerechtelijke kosten van [geïntimeerde], met veroordeling van Dexia in de kosten van het geding. Dexia heeft verweer gevoerd en een tegenvordering ingesteld die ertoe strekt, samengevat, dat voor recht wordt verklaard dat de Overeenkomst geldig is en door [geïntimeerde] ook niet kan worden aangetast.
2.7.
De kantonrechter heeft vordering (i) toegewezen, wat betreft de hoofdsom tot voormelde € 15.450,83, vordering (iii) toegewezen tot € 968,-, en vordering (ii) en de tegenvordering van Dexia afgewezen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten in zowel conventie als reconventie.
vorderingen en grieven in het hoger beroep

2.8.
Dexia vordert vernietiging van het bestreden vonnis, afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde] en toewijzing van haar eigen vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, bij arrest dat uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [geïntimeerde] concludeert tot verwerping van het hoger beroep, met veroordeling van Dexia in de kosten.
2.9.
Met haar eerste grief komt Dexia op tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] [de echtgenoot] geen toestemming heeft gegeven voor de Overeenkomst. Als nieuwe grondslag voor haar verweer voert zij verder aan dat [geïntimeerde] medecontractant is. Met haar tweede grief komt Dexia op tegen de toegewezen buitengerechtelijke kosten. Met haar derde grief bestrijdt zij de toegewezen rente, voor zover de Overeenkomst nietig mocht worden geoordeeld, voor zover die is toegewezen over de periode tot twee weken na de vernietigingsbrief van 16 maart 2004.
beoordeling van de eerste grief van Dexia

2.10.
Dexia stelt zich thans primair op het standpunt dat [geïntimeerde] medecontractant is, reeds omdat volgens haar de bijschrijvingen van de naam van [geïntimeerde] op de Overeenkomst, van [geïntimeerde] afkomstig zijn. Verder beroept Dexia zich erop dat zij er althans gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [geïntimeerde] medecontractant was, omdat zij ondanks aan [de echtgenoot] én [geïntimeerde] gerichte brieven, en betalingen vanaf de rekening van [geïntimeerde], van [de echtgenoot] geen bericht ontving dat de tenaamstelling van de Overeenkomst mede op naam van [geïntimeerde] onjuist was.
2.11.
[geïntimeerde] betwist dat zij medecontractant is. Het hof oordeelt hierover als volgt. Voor het aangaan van een huurkoopovereenkomst was onder het destijds geldende recht een akte vereist, dat wil zeggen een door de contractant ondertekend geschrift (artikel 7A:1576i lid 1 BW). Nu Dexia niet stelt dat [geïntimeerde] de door haar gestelde huurkoopovereenkomst heeft ondertekend, faalt ook haar verweer dat (zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat) [geïntimeerde] daarbij partij is.
2.12.
Subsidiair stelt Dexia zich op het standpunt dat [geïntimeerde] [de echtgenoot] toestemming heeft gegeven voor de Overeenkomst. Ook voor dit standpunt beroept Dexia zich erop dat de bijschrijvingen op de Overeenkomst volgens haar van [geïntimeerde] afkomstig zijn. Zij wijst er verder nog op dat [geïntimeerde] in 1995 en 1997 zelf effectenleaseovereenkomsten met Dexia heeft gesloten en één daarvan ook zelf – in september 2000 – heeft beëindigd, terwijl de betalingen onder deze overeenkomsten werden gedaan vanaf hetzelfde rekeningnummer van [geïntimeerde] als waarvan onder de Overeenkomst werd betaald. Hieruit blijkt volgens Dexia dat [geïntimeerde] zich in de periode waarin de Overeenkomst werd gesloten, actief met effectenleaseovereenkomsten met Dexia bemoeide. Dit maakt volgens Dexia aannemelijk– zo bedoelt Dexia klaarblijkelijk – dat zij ook voor de Overeenkomst haar toestemming heeft gegeven.
2.13.
[geïntimeerde] betwist dat de bijschrijvingen van haar naam op de Overeenkomst van haar afkomstig zijn (volgens haar heeft [de echtgenoot] die geplaatst), of dat zij anderszins toestemming voor de Overeenkomst heeft gegeven. Het hof oordeelt hierover als volgt. Voor de vraag of [geïntimeerde] [de echtgenoot] rechtens relevante toestemming heeft gegeven voor de Overeenkomst komt het er slechts op aan of zij hiervoor toestemming heeft gegeven (artikel 1:88 lid 3 BW in verbinding met het destijds toepasselijke artikel 7A:1576i lid 1 BW) (voor de toestemming is (en was) volgens eerstvermelde bepaling een handtekening niet vereist). Dexia heeft de stelling van [geïntimeerde] dat hiervan geen sprake is gemotiveerd betwist door te stellen dat de bijschrijvingen op de Overeenkomst van [geïntimeerde] afkomstig zijn. Naar het oordeel van het hof zou dat inderdaad toestemming impliceren. Dexia heeft niet geconcretiseerd dat [geïntimeerde] (mogelijk) nog op andere wijze schriftelijke toestemming heeft gegeven. Dexia suggereert in haar memorie van grieven (10, slot) dat, omdat de inleggen van haar rekening zijn afgeschreven, [geïntimeerde] daarvoor wel toestemming moet hebben gegeven. Volgens Dexia zou dat ook toestemming voor de Overeenkomst impliceren. Deze stelling is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat [geïntimeerde] op andere wijze dan door vermelding van haar naam op de Overeenkomst toestemming heeft gegeven. De Overeenkomst diende immers zelf – ook volgens de eigen stelling van Dexia (conclusie van antwoord, 21 en memorie van grieven, 9) – (reeds) als machtiging en [geïntimeerde] stelt (juist) dat zij met de Overeenkomst persoonlijk geen bemoeienis heeft gehad. Dat Dexia niet met feitelijke gebruikmaking van (de als machtiging gepresenteerde) Overeenkomst, maar bijvoorbeeld via een afzonderlijke door [geïntimeerde] getekende machtiging, of individuele overschrijvingen door de rekeninghouder van de rekening van [geïntimeerde], de inleggen heeft geïncasseerd, stelt Dexia niet.
2.14.
De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] in de periode (jaren) rond het sluiten van de Overeenkomst andere effectenleaseovereenkomsten met Dexia heeft gesloten, betaald en beëindigd, en dat ook de inleggen op de Overeenkomst van haar rekening zijn afgeschreven (geïncasseerd), maakt op zichzelf niet dat de bijschrijvingen op de Overeenkomst wel van [geïntimeerde] afkomstig (moeten) zijn
2.15.
Als de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van (de onderliggende feiten van) de door haar uitgebrachte vernietigingsverklaring, draagt [geïntimeerde] de bewijslast van haar stelling dat zij geen (schriftelijke) toestemming heeft gegeven. Uit het hiervoor in 2.13-14 overwogene volgt dat het er daarbij slechts op aankomt of de bijschrijvingen op de Overeenkomst al dan niet van haar afkomstig zijn. Naar het oordeel van het hof ligt het in de rede om een deskundigenonderzoek te gelasten naar deze kwestie. Het hof stelt de volgende vraagstelling aan een deskundige voor:Het hof heeft de heer W. de Jong (Niehoff & De Jong, Forensisch Schrift- en Documentenonderzoek), schriftkundige, bereid gevonden dit onderzoek te verrichten. Bij benoeming zal De Jong voor zijn onderzoek, uitgaande van deze vraagstelling, een voorschot in rekening brengen van € 2.000,- ex btw (er vanuit gaande dat de schriftstukken en vergelijkingsmateriaal in originele vorm beschikbaar zullen zijn). Het voorschot dient te worden voldaan door [geïntimeerde], als de partij die de bewijslast draagt van de in het deskundigenonderzoek vast te stellen feiten, en in conventie eisende partij.
arabic

Met welke mate van waarschijnlijkheid kunt u vaststellen of het handschrift van de bijschrijvingen op de Overeenkomst (niet de handtekening) niet van [geïntimeerde] afkomstig is?

Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van deze zaak van belang zouden kunnen zijn?

2.16.
Om het deskundigenonderzoek mogelijk te maken, althans te optimaliseren, dient de partij die de beschikking heeft of kan krijgen over het origineel van de Overeenkomst (met bijschrijvingen) (productie 2 bij de conclusie van antwoord), het vragenformulier Leaseproces (productie 13 bij de conclusie van repliek/antwoord in reconventie) en/of de brief van 10 september 2000 (productie 1 bij de memorie van grieven), in geval van benoeming van (een) deskundige(n), dit stuk/deze stukken ter griffie te deponeren. [geïntimeerde] dient dan tevens mede te delen of het handschrift op laatstvermelde twee stukken volgens haar van haarzelf dan wel van [de echtgenoot] (dan wel van geen van beiden) afkomstig is. [geïntimeerde] dient bij die gelegenheid verder zo mogelijk overige (zo mogelijk: originele) stukken met handschrift van haarzelf respectievelijk [de echtgenoot] (zo mogelijk ook met blokletters) over de periode circa mei 1995-mei 2005 ter griffie te deponeren, waarbij zij ook moet vermelden om wiens/wier handschrift het volgens haar gaat, en waaruit blijkt (of hoe kan worden aangetoond) dat dit zo is. Indien Dexia beschikt over (verdere) handschriften van [geïntimeerde] en/of [de echtgenoot] uit voormelde periode, dient zij die ook – zo mogelijk in origineel –, met toelichting, ter griffie te deponeren. Dit alles dient (uiterlijk) te gebeuren op een nog nader door het hof vast te stellen datum.
2.17.
Partijen zullen eerst in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen, de aard van zijn/haar/hun deskundigheid, de persoon van (de door het hof voorgestelde) deskundige(n) en de vraagstelling. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
beslissing

3

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, A.J.M.E. Arpeau en M.M. Olthof en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2019 in aanwezigheid van de griffier.

-

verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2020 voor akte aan de zijde van beide partijen voor het hiervoor in 2.17 vermelde doel; op de rolzitting van vier weken nadien mogen partijen op elkaars aktes reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.