Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:3154

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 29-11-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 02-12-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:3154, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 22-003799-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:3154:DOC
nl

Rolnummer: 22-003799-19 Parketnummer: 09-827225-17 Datum uitspraak: 2 december 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest


- [ naam zoon] (geboren op [geboortedatum]) en/of
- [ naam zoon] (geboren op [geboortedatum]) en - [ naam dochter] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag, immers heeft verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder meegenomen naar Egypte en Soedan en het Verenigd Koninkrijk en daarmee die minderjarigen feitelijk buiten de invloedssfeer en het gezag van de moeder gebracht en gehouden terwijl verdachte tot en met 13 januari 2008 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen, waarna per 14 januari 2008 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag.


gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 juli 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,[adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 18 november 2019.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist over de vordering van de benadeelde partij als weergegeven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2005 tot en met 18 mei 2016 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland en/of Egypte en/of Soedan en/of het Verenigd Koninkrijk, opzettelijk de minderjarigen, te weten

– [naam dochter] (geboren op [geboortedatum]), die toen de leeftijd van 12 jaar nog niet hadden bereikt, heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarigen gestelde gezag of aan het opzicht van degene die dat gezag desbevoegd over die minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte die minderjarigen opzettelijk zonder toestemming van de moeder overgebracht/meegenomen naar Egypte en/of Soedan en/of het Verenigd Koninkrijk en/of (daarmee) die minderjarigen (feitelijk) buiten de invloedssfeer en/of het gezag van de moeder gebracht en gehouden (terwijl verdachte tot en met 13 januari 2008 gezamenlijk was belast met het gezag over die minderjarigen waarna per 14 januari 2008 alleen de moeder is belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag).
Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt en om reden van doelmatigheid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 25 februari 2005 tot en met 18 mei 2016 te 's-Gravenhage en elders in Nederland en Egypte en Soedan en het Verenigd Koninkrijk, opzettelijk de minderjarigen, te weten

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaar oud is, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van 11 jaren zijn minderjarige dochter en zoon onttrokken aan het wettig gezag van hun moeder. Toen de moeder op 25 februari 2005 haar kinderen van school ging halen, waren zij er niet en uiteindelijk bleken zij door hun vader, de verdachte, naar Egypte te zijn meegenomen. Op dat moment waren de kinderen respectievelijk 3 jaar en 7 jaar oud. De verdachte is tussentijds met de kinderen naar Soedan gegaan, heeft hun namen veranderd en heeft hun moeder, ook toen zij weer terug gingen naar Egypte en daarna naar Groot-Brittannië verhuisden, niet op de hoogte gebracht van hun gewijzigde verblijfsplaats. Aldus heeft de verdachte het de moeder lange tijd onmogelijk gemaakt om haar kinderen te zien. Nadat het de moeder uiteindelijk in 2016 is gelukt om de verblijfplaats van de kinderen te achterhalen, is het contact tussen haar en de kinderen maar op zeer beperkte schaal tot stand gekomen. Geconstateerd moet daarom helaas worden dat de omstandigheid dat de kinderen elf jaar lang volledig op hun vader aangewezen waren en de moeder geen enkele rol heeft kunnen spelen in hun leven er toe heeft geleid dat van een volwaardige ouder-kindrelatie geen sprake is. Gevreesd moet worden dat deze situatie in de toekomst niet wezenlijk meer zal veranderen. Het hof acht het schrijnend dat de verdachte de kinderen aldus hun beider moeder heeft ontnomen, en de moeder haar kinderen. Dat zij haar kinderen niet heeft zien opgroeien moet hartverscheurend voor haar zijn geweest.
Het hof acht het zeer kwalijk dat de verdachte naar aanleiding van vragen van het hof er blijkt van geeft dat hij van mening is dat het mede de eigen schuld van zijn ex-vrouw is dat zij de kinderen al die tijd niet heeft gezien. Daarmee lijkt hij geen echt besef te hebben van hetgeen hij – en hij alleen - de kinderen en hun moeder heeft aangedaan. Blijkens door de verdediging overgelegde brieven van de kinderen nemen zij het hun moeder zelfs kwalijk dat hun vader naar aanleiding van hun moeders aangifte strafrechtelijk is vervolgd. Dat tekent nog eens de ernst van de gedragingen van de verdachte en de droevige gevolgen daarvan. Strafverminderend kan dat niet werken. Het hof onderstreept dat het strafrechtelijk verwijt hem en hem alleen treft, en heeft zich bij het bepalen van de straf uitsluitend gebaseerd op het strafwaardige gedrag van de verdachte; zijn beslissing om de zeer jonge kinderen in 2005 mee te nemen naar Egypte en zijn keuze om de kinderen – onder andere door de naamsverandering – gedurende een zeer lange periode voor de moeder onvindbaar te laten zijn.Uit de schriftelijke slachtofferverklaring van de moeder blijkt dat zij haar kinderen in mei 2016 voor de eerste keer na de ontvoering weer heeft gezien. Het contact hield daarna niet lang stand, omdat de kinderen haar verweten hun gezin kapot te hebben gemaakt. Elk jaar wordt zij geconfronteerd met het gemis van haar kinderen: bijvoorbeeld op de verjaardagen van de kinderen, tijdens kerst en jaarwisseling. Naar aanleiding van deze situatie heeft de moeder psychische klachten ontwikkeld waarvoor zij onder behandeling is bij een psycholoog. Door toedoen van de verdachte is er ook een enorme kloof geslagen tussen de band die een moeder met haar kinderen doorgaans heeft.
Het hof heeft in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 31 oktober 2019 niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

De ernst van het bewezen verklaarde feit rechtvaardigt naar het oordeel van het hof geen andere sanctie dan een langdurige gevangenisstraf. Gelet op de zeer lange periode van de onttrekking aan het gezag en de grote gevolgen daarvan voor zowel de moeder als de kinderen, acht het hof de door de eerste rechter en door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden passend en geboden.

Het hof houdt geen rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg (met drie maanden), zoals door de verdediging bepleit, nu de zaak in hoger beroep zeer voortvarend is behandeld en de totale duur van berechting geen overschrijding van de redelijke termijn meer oplevert. Voorts ziet het hof geen aanleiding om rekening te houden met het door de verdachte in Engeland ondergane ‘electronic curfew’ (elektronisch huisarrest) gedurende de nachtelijke uren. Onder deze voorwaarden was het mogelijk de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen en hem in staat te stellen bij zijn gezin in Engeland te verblijven en daar arbeid te verrichten. De Nederlandse wet verplicht bovendien niet tot een aftrek op deze basis.

Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer]

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 15.332,38, bestaande uit een bedrag van 332,38 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2018 (de datum van indiening van het verzoek) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde.

De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2010 (circa halverwege de bewezen verklaarde periode) tot aan de dag der algehele voldoening.
Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 15.332,38 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 57 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor
de duur van .
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 26 juni 2018 en van de immateriële schade op 25 september 2010 (zijnde een datum gelegen in ongeveer het midden van de bewezen verklaarde periode).

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. A.S.I. van Delden en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. C.E. Koppelaars.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 december 2019.