Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:267

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-02-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 08-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:267, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 000168-19


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:267:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Zaaknummer : 000168-19Rolnummer hoofdzaak : 22-003082-15
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakings- en verschoningsverzoeken

inzake het schriftelijk verzoek tot wraking, als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering in de strafzaak van het Openbaar Ministerie tegen:

[Verzoeker]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],adres: [adres],verzoeker,raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam.
arabic

In de strafzaak tegen verzoeker onder genoemd rolnummer heeft op 29 januari 2019 en op 4 februari 2019 een terechtzitting van de meervoudige strafkamer van dit hof plaatsgevonden in de samenstelling mr. C.G.M. van Rijnberk, voorzitter, mr. A.E.A.M. van Waesberghe en mr. A.J.P. van Essen, leden.

Bij brief van 4 februari 2019 heeft de raadsman namens verzoeker een verzoek tot wraking van genoemde raadsheren gedaan (hierna ook: het verzoek).

De raadsheren hebben in een schriftelijke reactie d.d. 5 februari 2019 medegedeeld niet in de wraking te berusten en hebben kenbaar gemaakt dat zij aanwezig zullen zijn bij de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 6 februari 2019 ter terechtzitting behandeld. Op de terechtzitting is gehoord de raadsman van verzoeker, mr. C.F. Korvinus. Tevens zijn gehoord genoemde raadsheren. Mr. Korvinus heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. De advocaat-generaal mr. A.J.M. Paulus heeft haar standpunt uiteengezet, mede aan de hand van een schriftelijk betoog dat is overgelegd.
Het wrakingsverzoek

Het wrakingsverzoek is, zakelijk weergegeven en zoals bevestigd bij de mondelinge behandeling, gebaseerd op het volgende. De verdediging heeft, nadat op 29 januari 2019 het onderzoek opnieuw was aangevangen wegens een gewijzigde samenstelling van de strafkamer, een aantal onderzoekswensen ingediend en het hof verzocht in verband daarmee de inhoudelijke behandeling van de strafzaak aan te houden. Het hof heeft echter bij beslissing van 4 februari 2019 alle beslissingen met betrekking tot het horen van getuigen en het verrichten van onderzoekshandelingen aangehouden tot aan de eindbeslissing in de strafzaak of zoveel eerder tot het hof tot een beslissing kan komen. Hiermee loopt het hof vooruit op een volledige afwijzing van de onderzoekswensen van de verdediging. In feite sluit het hof op voorhand uit dat toe- of afwijzing van enige onderzoekswens van invloed kan zijn op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak en op de eindbeslissing. Gelet op het bepaalde in artikel 311 Sv en verder dient het hof voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling een beslissing te nemen aangaande de door de verdediging ingediende onderzoekswensen. Dit alles is onbegrijpelijk in het licht van de gemotiveerde onderzoekswensen van de verdediging. Daarmee is bij verzoeker de objectief gerechtvaardigde vrees gerezen dat het hof niet zonder vooringenomenheid de zaak zal behandelen.

Mrs. C.G.M. van Rijnberk, A.E.A.M. van Waesberghe en A.J.P. van Essen (hierna ook: de raadsheren) hebben zich in hun schriftelijke reactie d.d. 5 februari 2019 en ook bij de mondelinge behandeling op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek, getoetst aan de daarvoor geldende criteria, ongegrond is. Een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig kan nimmer grond vormen voor wraking. Zelfs een verzuim te beslissen of een gebrekkige, onjuiste of ontbrekende motivering van een dergelijke beslissing kan geen grond zijn voor toewijzing van een dergelijk verzoek, aldus de raadsheren. Voorts geldt dat dit wrakingsverzoek in totaal het vijfde wrakingsverzoek is in dit omvangrijke dossier, en het derde wrakingsverzoek dat in essentie is gegrond op onvrede met beslissingen van het hof met betrekking tot onderzoekswensen. Tegen die achtergrond geven de raadsheren de wrakingskamer in overweging om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De advocaat-generaal heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het verzoek wegens misbruik van het wrakingsmiddel buiten beschouwing dient te worden gelaten, zonder verdere inhoudelijke behandeling van dit verzoek. Subsidiair heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek ongegrond dient te worden verklaard. Het hof heeft op geen enkele wijze blijk gegeven van vooringenomenheid. De advocaat-generaal verzoekt de wrakingskamer op grond van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen dat een volgend verzoek niet in behandeling zal worden genomen.
Beoordeling van het wrakingsverzoek

Op grond van artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan op verzoek van de verdachte elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

Volgens vaste jurisprudentie dient de rechter uit hoofde van zijn aanstelling te worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.

10. De wrakingskamer stelt voorop dat de wettelijke mogelijkheid van wraking niet bedoeld is als een - verkapt rechtsmiddel tegen - de verzoeker onwelgevallige - (processuele) beslissingen van de zittingsrechter. Het behoort tot de normale taak van de zittingsrechter om, gaande de procedure, (tussen)beslissingen te nemen. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van een (tussen)beslissing noch over een verzuim te beslissen. Wat betreft de motivering van een (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven (zie HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413).11. In dit geval is het wrakingsverzoek in de kern gebaseerd op de stelling dat de betreffende strafkamer heeft nagelaten nu al te beslissen op de onderzoekswensen van de verdediging. Zoals uit voorgaande recente uitspraak van de Hoge Raad blijkt, levert ook het verzuim om te beslissen op zich geen grond op voor wraking. Gelet op alle omstandigheden van het geval kan het oordeel van de strafkamer om in een later stadium (van de inhoudelijke behandeling) te zullen beslissen op de onderzoekswensen niet worden verstaan als blijk van vooringenomenheid in vorenbedoelde zin. Nog los van het feit dat het door de verzoeker genoemde artikel 311 Sv niet dwingend voorschrijft dat voorafgaande aan de inhoudelijke behandeling op alle onderzoekswensen van de verdediging moet worden beslist (zeker niet omtrent het horen van niet-verschenen getuigen), is anders dan verdediging stelt niet op voorhand door de strafkamer uitgesloten dat toe- of afwijzing van enige onderzoekswens van invloed kan zijn op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak en op de eindbeslissing. Deze conclusie van de raadsman deelt de wrakingskamer niet.12. Naar het oordeel van de wrakingskamer is geen sprake van een uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de raadsheren jegens de verzoekster een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij de verzoekster dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
13. De conclusie van het voorgaande is dat het verzoek tot wraking zal worden afgewezen.
14. De wrakingskamer ziet - mede gelet op de eerdere beslissingen in deze strafzaak van de wrakingskamer gedateerd 28 september 2017 en 2 januari 2019 - een patroon van wrakingen in deze strafzaak, te weten de herhaalde wrakingen wanneer door de strafkamer niet aanstonds of afwijzend op onderzoekswensen van de verdediging wordt beslist.In dat licht bezien is in deze sprake van misbruik van recht. Dit vormt reden om toepassing te geven aan het (zware) middel van artikel 515 vierde lid Sv.
beslissing

Beslissing

- bepaalt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan (de raadsman van) verzoeker, genoemde raadsheren en de advocaat-generaal.
Het hof:

Deze beslissing is gegeven op 8 februari 2019 door mrs. I.E. de Vries, M.A.F. Tan-de Sonnaville en H. Wiersinga, in aanwezigheid van de griffiers mrs. T.E.J. Bruinen en L.A. Haas.

-

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt op de voet van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;