Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:262

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 12-02-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 12-02-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:262, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.240.488/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:262:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.240.488/01Zaaknummer rechtbank : 6503982 RP VERZ 17-50651
Beschikking van 12 februari 2019 (bij vervroeging)

inzake:

[verzoeker],
wonende te [woonplaats],verzoeker in hoger beroep,hierna te noemen: [verzoeker],advocaat: mr. J.P. Hellinga te Capelle aan den IJssel,
tegen:

wonende te [woonplaats],verweerders in hoger beroep,hierna te noemen: [verweerder 1] respectievelijk [verweerster 2] en gezamenlijk: [verweerder 1] c.s. (in enkelvoud),advocaat: mr. P. Rijpstra te Den Haag.
wonende te [woonplaats],
1. [verweerder 1],2. [verweerster 2],
Het verloop van het geding

1. Bij beroepschrift, bij het hof binnengekomen op 7 juni 2018, heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 7 maart 2018 zoals aangevuld op 12 juli 2018 (hierna: de beschikking). In het beroepschrift (met bijlagen) heeft [verzoeker] één grief tegen de beschikking aangevoerd. [verweerder 1] c.s. heeft de grief bij verweerschrift (met bijlagen) bestreden. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019 bij welke gelegenheid partijen hun standpunten hebben laten toelichten door hun advocaten (zonder pleitnotities). Van de zitting is proces-verbaal opgemaakt.

overwegingen

Beoordeling van het hoger beroep

2.1
Zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil tussen partijen om het volgende.
2.2
[verzoeker], [verweerder 1] en [verweerster 2] zijn ieder afzonderlijk eigenaar van een appartement in het pand aan de [adres] te [plaats] en uit dien hoofde lid van de Vereniging van Eigenaars [adres] te [plaats] (hierna: de VVE).
2.3
In de splitsingsakte van 23 mei 1977 (hierna: de splitsingsakte) is bepaald (p. 7-8):
a. als reglement (…) zal (…) gelden het Reglement van splitsing van eigendom (…) vastgesteld bij akte op twee en twintig februari negentienhonderd drie en zeventig voor Mr. J. Schrijner (…);

b. (…) in afwijking van de bepalingen van het onder a gemelde reglement - naar de artikelen waarvan hieronder wordt verwezen - zal gelden het volgende:

(…)

15. Artikel 36, lid 4: vervalt en wordt vervangen door een nieuw lid 4, luidende:
In een vergadering, waarin niet het in artikel 33 lid 3 bedoelde maximum aantal

stemmen wordt uitgebracht, kunnen geen geldige besluiten worden genomen.
(…)

17. Artikel 37 lid 5: de eerste alinea vervalt en wordt vervangen door een nieuwe alinea, luidende:
“Besluiten door de vergadering tot het doen van uitgaven die een bedrag van vijftig

gulden (f 50,-) per appartementsrecht te boven gaan, kunnen slechts genomen worden in een vergadering waarin alle eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd zijn. In een vergadering waarin niet alle eigenaars tegenwoordig of vertegenwoordigd zijn, kan geen geldig besluit genomen worden.”

Het onder a. genoemde reglement wordt hierna aangeduid als: het Modelreglement 1973.

2.4
Bij besluit van de vergadering van de VVE gedateerd 25 augustus 2013 is [verzoeker] benoemd tot administrateur tevens bestuurder van de VVE.
2.5
Na de benoeming van [verzoeker] tot bestuurder van de VVE heeft e-mailcorrespondentie tussen partijen plaatsgehad over het houden van een VVE vergadering. Bij e-mails van 25 maart 2014, 21 maart 2015, 29 maart 2015 en 13 april 2015 heeft [verzoeker] tot dan toe geplande VVE vergaderingen om uiteenlopende redenen afgelast.
2.6
[verweerder 1] heeft [verzoeker] bij e-mail van 15 april 2015 onder meer bericht:
“(…) Vergaderen op 29 April om 19:30 uur is goed voor mij en ook voor (…) mevrouw [verweerster 2]. Graag ontvangen wij van jou de agendapunten zsm.

Ook wil ik graag op de agenda punten dat besproken word de feit dat elke keer word de VVE vergadering verschuif. Dit kan echt niet. Er is door jou 3 keer dit jaar verschuif met de vergaderingen en sinds de VVE onder jou beheer is hebben we niet meer vergaderd (…)”

Bij e-mail van 28 april 2015 heeft [verweerder 1] [verzoeker] gevraagd of de voor de volgende dag geplande vergadering nog doorgaat omdat hij niets van [verzoeker] heeft gehoord en geen agenda heeft ontvangen.

2.7
Bij e-mail van 19 november 2015 heeft [verweerder 1] aan [verzoeker] bericht
“(…) u antwoord ons telefoon niet en u neemt ook geen contact met ons. We hebben ook geprobeert bij u langs te komen, maar u was niet te bereiken, hebben we besloten om zelf een vve vergadering te plannen. De vergadering is gepland voor 2 Decemebr om 19:30 uur. Als bijlage ontvang je de agenda punten. (…)”

2.8
Bij brief met bijlagen van 22 april 2016 aan de VVE heeft de kamer van koophandel meegedeeld dat, naar aanleiding van een bezwaarschrift van [verzoeker], is beslist dat inschrijvingen die op 27 januari 2016 in het register betreffende de VVE zijn gedaan (de inschrijving van bestuurder/administrateur VVE Beheer WijSamen B.V. per 2 december 2015 en de uittreding van [verzoeker] als bestuurder per die datum) worden teruggedraaid.
2.9
Bij e-mail van 21 augustus 2017 heeft [verweerder 1] c.s. [verzoeker] verzocht om een VVE vergadering te plannen met als agendapunten (onder meer) de benoeming van een nieuwe bestuurder en voorzitter, het onderhoud van het pand en nietigverklaring van de in de splitsingsakte weergegeven artikelen 36 lid 4 en 37 lid 5 “omdat het niet werkbaar is”. Wegens het uitblijven van een reactie op dit verzoek heeft [verweerder 1] [verzoeker] per e-mail en bij aangetekende brief van 25 oktober 2017 uitgenodigd voor een VvE-vergadering op 31 oktober 2017 met dezelfde agendapunten. [verweerder 1] en [verweerster 2] hebben op 31 oktober 2017 vergaderd. Zij hebben ingestemd met alle agendapunten. [verzoeker] is niet verschenen.
De procedure in eerste aanleg

3.1
[verweerder 1] c.s. heeft een verzoekschrift ex artikel 5:140 lid 1 jo. artikel 5:139 BW bij de kantonrechter ingediend met het verzoek - voor zover in hoger beroep nog van belang - om een vervangende machtiging voor wijziging van de splitsingsakte in die zin dat de daarin opgenomen afwijkingen van artikel 36 lid 4 en artikel 37 lid 5 van het Modelreglement komen te vervallen. Daartoe is kort gezegd het volgende aangevoerd. [verzoeker] reageert niet op verzoeken om een ledenvergadering te houden en verschijnt niet op door [verweerder 1] c.s. georganiseerde vergaderingen. Feitelijk wordt er niets gedaan in de VVE. Deze situatie wordt in stand gehouden omdat de in de splitsingsakte gewijzigde artikelen 36 lid 4 en 37 lid 5 de aanwezigheid van alle eigenaren vereist voor het nemen van een rechtsgeldig besluit. Sinds [verzoeker] bestuurder is van de VVE heeft [verweerder 1] c.s. geen inzicht meer in de jaarrekening en weet hij niet wat er gebeurt met het reservefonds. Ook moet er een onderhoudsplan komen en moet de maandelijkse bijdrage worden gewijzigd.
3.2
[verzoeker] is in eerste aanleg niet verschenen. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen.
De beoordeling in hoger beroep

4.1
[verzoeker] komt in hoger beroep op tegen de door de kantonrechter verleende vervangende machtiging. Hij voert onder meer aan dat uit de door [verweerder 1] c.s. overgelegde correspondentie blijkt dat hij wel degelijk reageert op verzoeken tot het houden van een vergadering van de VVE, dat hij tot nu toe alle kosten voor zijn rekening heeft genomen en dat hij niet rechtsgeldig is opgeroepen voor de vergadering van 31 oktober 2017. Ook maakt hij bezwaar tegen de voorgestelde wijziging van de splitsingsakte.
4.2
De vervangende toestemming voor de beoogde wijziging van de splitsingsakte kan worden verleend indien [verzoeker] zonder redelijke grond weigert daaraan zijn toestemming of medewerking te verlenen (artikel 5:140 j.o. 139 BW). Naar het oordeel van het hof doet die situatie zich hier voor, gelet op het volgende.
4.3
Uit de met stukken onderbouwde stellingen van [verweerder 1] c.s., die niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, blijkt het volgende. [verzoeker] heeft kort na zijn benoeming tot bestuurder enkele keren een VVE vergadering gepland maar die geplande vergaderingen steeds weer afgelast. Hij heeft ondanks verzoeken van de zijde van [verweerder 1] c.s. uiteindelijk geen VVE vergadering laten plaatsvinden. Na medio april 2015 heeft [verzoeker] niets meer van zich laten horen, ook niet na verzoeken en voorstellen aan de zijde van [verweerder 1] c.s. Sinds het aantreden van [verzoeker] als bestuurder - al ruim vijf jaar geleden - heeft dus geen VVE vergadering meer plaatsgehad. Door de houding van [verzoeker] functioneert de VVE feitelijk niet; er kan geen rechtsgeldig besluit door de VVE worden genomen, ook niet over belangrijke en gangbare onderwerpen zoals verzekering, (achterstallig) onderhoud en financiën. Deze situatie dient te worden doorbroken en de beoogde wijziging van de splitsingsakte voorziet in die doorbreking. Het thans geldende vereiste van unanimiteit geldt na die wijziging immers niet meer.
4.4
Het bezwaar van [verzoeker] dat [verweerder 1] c.s. na de beoogde statutenwijziging met een meerderheid van stemmen besluiten kan nemen die nadelig voor [verzoeker] zijn, is op zichzelf juist, maar in de gegeven situatie geen redelijke grond voor weigering, omdat de VVE zonder de beoogde wijziging in het geheel niet functioneert en dit aan [verzoeker] is te wijten. Verder neemt het hof in aanmerking dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat [verweerder 1] c.s. onredelijke besluiten zou willen nemen en dat [verzoeker] in ieder geval de mogelijkheid heeft om besluiten van de VVE ter vernietiging voor te leggen aan de kantonrechter.
4.5
De door [verzoeker] in hoger beroep opgeworpen vraag of de oproeping voor de vergadering van de VVE op 31 oktober 2017 gebrekkig is, behoeft geen beantwoording. [verweerder 1] c.s. beroept zich immers niet op in die vergadering genomen besluiten. Het niet-functioneren van de VVE houdt ook geen verband met die vergadering maar is gelegen in het feit dat [verzoeker] - nota bene bestuurder van de VVE - geen medewerking verleent aan het tot stand brengen van enige vergadering, laat staan enig besluit van de VVE.
4.6
De door [verzoeker] overgelegde vaststellingsovereenkomst van partijen van 25 augustus 2013 behoeft geen bespreking. Wat er ook zij van de stelling van [verzoeker] dat hij de daarin neergelegde afspraken (over onder meer door hem uit te voeren achterstallig onderhoud) is nagekomen, dat neemt niet weg dat [verzoeker] zonder redelijke grond zijn medewerking c.q. toestemming aan de gevraagde wijziging onthoudt. Om dezelfde reden gaat het hof niet in op de stelling van [verzoeker] dat hij alles voor de VVE betaalt, welke stelling overigens niet is onderbouwd en door [verweerder 1] c.s. is betwist.
4.7
De conclusie is dat de grief faalt en dat de beschikking van de kantonrechter dient te worden bekrachtigd. Deze beschikking moet zo worden verstaan dat aan [verweerder 1] c.s. vervangende machtiging wordt verleend om de splitsingsakte te wijzigen in die zin dat de daarin opgenomen afwijkingen van artikel 36 lid 4 en artikel 37 lid 5 van het Modelreglement 1973 komen te vervallen.
4.8
Het hof gaat voorbij aan het aanbod van [verzoeker] om te bewijzen dat er (na zijn benoeming tot bestuurder) wel VVE vergaderingen zijn gehouden. [verzoeker] heeft voldoende gelegenheid gehad voor het indienen van schriftelijk bewijs en aan getuigenbewijs komt het hof bij gebrek aan een gemotiveerde betwisting niet toe.Het hof zal [verzoeker] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep.
beslissing

Beslissing

- bekrachtigt de beschikking van 7 maart 2018 zoals aangevuld op 12 juli 2018 van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag;
- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de kant van [verweerder 1] c.s. begroot op € 318,- aan griffierecht en € 2.148,- aan salaris advocaat;
- verklaart deze beschikking ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad.
Het hof:

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.E. Honée, A. Dupain en H.J. Rossel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.