Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:2447

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 13-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:2447, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 2200179819


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:2447:DOC
nl

Rolnummer: 22-001798-19 Parketnummer: 09-852184-18 Datum uitspraak: 13 september 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 19 april 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:

[NAAM],
geboren te [geboorteplaats] (Angola) op [dag] 1986,thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 30 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met daaraan verbonden de algemene en bijzondere voorwaarden zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Voorts zijn er beslissingen genomen ter zake van de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2017 te Hillegom, met [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten:

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de motivering daarvan.

Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan. Voor het overige zal het bestreden vonnis – dus ook wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen – worden bevestigd.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op een uitgaansavond schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder begrepen seksueel binnendringen, met het slachtoffer van destijds vijftien jaar oud. De verdachte was op dat moment eenendertig jaar oud, zodat sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil.

De strafwet beschermt (de belangen van) jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen. De verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer in ernstige mate geschonden. Handelingen zoals verricht door de verdachte worden in het algemeen door de slachtoffers als zeer ingrijpend ervaren en veroorzaken vaak langdurige en ernstige nadelige psychische schade. Dat dit in het onderhavige zaak ook het geval is, kan worden opgemaakt uit de slachtofferverklaring van het slachtoffer en (de onderbouwing van) haar vordering als benadeelde partij.

Evenals de rechtbank neemt het hof het de verdachte zeer kwalijk dat hij zich niet wezenlijk heeft bekommerd om het slachtoffer en de gevolgen die zijn handelen voor haar zouden kunnen hebben.

De opmerking van het slachtoffer die avond, dat zij pas ontmaagd wilde worden als zij iemand zou tegenkomen die van haar hield en die zij vertrouwde, is door de verdachte terzijde geschoven. Hij heeft zich daarbij uitsluitend laten leiden door zijn eigen lustgevoelens. Dat rekent het hof de verdachte ernstig aan. Ten slotte is het uiterst laakbaar dat de verdachte geen condoom heeft gebruikt, terwijl het slachtoffer daarover ook nog een opmerking tegen hem heeft gemaakt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2019, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, doch niet voor soortgelijke feiten. Zijn strafblad zal het hof de verdachte dan ook niet in negatieve zin aanrekenen.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies van 29 maart 2019 dat door Reclassering Nederland is opgesteld. De Reclassering schat de kans op recidive in als matig-hoog. Zij adviseert de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandeling, een contactverbod met het slachtoffer, aanmelding bij het zedenconvenant en het verschaffen van toestemming om referenten te raadplegen.

De raadsman heeft gesteld dat met een straf, zoals opgelegd door de rechtbank, geen strafdoelen (meer) worden gediend. De raadsman heeft het hof derhalve verzocht te volstaan met een forse taakstraf, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als door de reclassering geadviseerd.

Het hof is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het feit niet kan worden volstaan met het opleggen van een straf als door de raadsman verzocht en enkel de oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Een taakstraf acht het hof in het geheel niet passend in het onderhavige geval.

Het hof heeft zich wat betreft de hoogte van de op te leggen straf georiënteerd op straffen die in min of meer vergelijkbare zedenzaken met minderjarige slachtoffers zijn opgelegd. Daarbij speelt onder meer een belangrijke strafbepalende rol hoe lang het misbruik heeft geduurd, de hoeveelheid slachtoffers, de leeftijd van het slachtoffer en de aard van de relatie van de dader ten opzichte van het slachtoffer. Gelet daarop is het hof tot de conclusie gekomen dat mede uit een oogpunt van landelijke eenheid van straftoemeting de door de rechter in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf te hoog is. Daarom zal het hof aan de verdachte een (aanzienlijk) lagere straf opleggen dan gevorderd.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Aan het voorwaardelijke strafdeel zullen onder meer de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, met uitzondering van de voorwaarde met betrekking tot het verschaffen van toestemming voor referenteninformatie. Het opleggen van genoemde voorwaarde acht het hof in het onderhavige geval niet noodzakelijk.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

- het duwen/brengen van zijn tong in de mond en/of - het duwen/brengen van zijn vinger(s) in de vagina en/of - het likken van de vagina, althans het brengen van zijn tong in de vagina en/of - het duwen/brengen en/of op en neer bewegen van zijn penis in de vagina van die [slachtoffer].

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de gevangenisstraf en de motivering daarvan en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als dat de veroordeelde gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen - direct of indirect - met aangeefster [slachtoffer], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Stelt als dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland (Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag) op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

Stelt als dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke ambulante forensische zorgverlener, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, en zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die deze instelling geeft voor de behandeling;

Stelt als dat de veroordeelde wordt aangemeld bij het zedenconvenant en meewerkt aan het convenant tussen reclassering en politie, dat onder meer inhoudt dat hij door de wijkagent bezocht kan worden in zijn huis of omgeving;

Geeft opdracht

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, mr. C.H.M. Royakkers en mr. W.M. Limborgh, in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 september 2019.