Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:2345

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:2345, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.252.359/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:2345:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.252.359/01

Zaak-, rolnummer rechtbank : C/09/560086/KG ZA 18/968

arrest van 10 september 2019

inzake

[naam] ,
wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. L.J.H. Kortz te Utrecht,
tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid),
zetelend te Den Haag,geïntimeerde,hierna te noemen: de Staat,advocaat: mr. L. Sieverink te Den Haag.
Het geding

Bij exploot van 27 november 2018 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van 30 oktober 2018 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met één productie heeft de Staat de grieven bestreden. Vervolgens zijn de stukken overgelegd en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

9. [appellant] vorderde in eerste aanleg (samengevat) om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
10. Aan zijn vorderingen heeft [appellant] het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [appellant] is de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf onrechtmatig, omdat bij de overdracht van de executie van de gevangenisstraf de WETS is toegepast. Het Duitse vonnis is echter van eerdere datum dan het moment waarop de WETS in Nederland in werking is getreden. Dit betekent volgens [appellant] dat (de omzettingsprocedure van) de WOTS moet worden toegepast op de overname van de executie van de gevangenisstraf. Toepassing van de WOTS is voor [appellant] gunstiger, omdat op grond van de WOTS in Nederland een nieuwe inhoudelijke behandeling kan plaatsvinden, in die zin dat zijn straf kan worden omgezet naar Nederlandse maatstaven. De Staat heeft gemotiveerd geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.
11. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Zij heeft hiertoe kort gezegd overwogen dat in Nederland op grond van art. 28, eerste lid ,van het Kaderbesluit rechtshulpverzoeken die ontvangen zijn na 5 december 2011 moeten worden behandeld conform de WETS. Op grond van art. 28, tweede lid, van het Kaderbesluit kan dit eventueel anders zijn voor rechtshulpverzoeken met betrekking tot uitspraken die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden. Aangezien het Duitse vonnis op 24 oktober 2012 onherroepelijk is geworden, is deze uitzonderingsbepaling in deze zaak niet van toepassing. Nu Duitsland op 25 juli 2015 de maatregelen heeft getroffen om aan het Kaderbesluit te voldoen en het rechtshulpverzoek in deze zaak dateert van 9 oktober 2017 is de WETS hierop van toepassing. Dat op de datum waarop het Duitse vonnis onherroepelijk is geworden door Nederland en Duitsland nog niet alle maatregelen waren getroffen om aan het Kaderbesluit te voldoen, maakt dit volgens de voorzieningenrechter niet anders.
14. Het hof oordeelt als volgt. Artikel 28 Kaderbesluit betreft een overgangsbepaling die voorschrijft op welke gevallen de op het Kaderbesluit gebaseerde wettelijke regeling (in Nederland de WETS) van toepassing is.Artikel 28, eerste lid, Kaderbesluit geeft als hoofdregel dat de datum van ontvangst van het rechtshulpverzoek bepalend is voor de toepasselijke regelgeving. Indien het verzoek tot overname vóór 5 december 2011 is ontvangen, moet dit verzoek volgens de bestaande rechtsinstrumenten (in Nederland de WOTS) worden behandeld. Wordt het verzoek na die datum ontvangen, dan wordt het behandeld volgens de voorschriften die de lidstaten op grond van dit Kaderbesluit aannemen (in Nederland de WETS).
De feiten die het hof aan de beslissing ten grondslag legt

Vordering in eerste aanleg en de beslissing van de rechtbank

- te bepalen dat de in gang gezette WETS-procedure/executie wordt stopgezet en te bepalen dat [appellant] in aanmerking komt voor de omzettingsprocedure op grond van de WOTS en de WOTS-procedure van toepassing te verklaren;- stopzetting van alle verdere executiemogelijkheden;- veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure.
De grieven

12. [appellant] vordert in hoger beroep dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en zijn vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van de Staat in de proceskosten van beide instanties.12. [appellant] voert drie grieven aan tegen het bestreden vonnis. De grieven klagen in de kern genomen alle drie dat op het rechtshulpverzoek de WOTS had moeten worden toegepast, omdat op het moment dat het Duitse vonnis onherroepelijk werd, Nederland en Duitsland nog niet de maatregelen ter implementatie van het Kaderbesluit hadden getroffen.
Beoordeling grieven

Artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit geeft een lidstaat de mogelijkheid om door een verklaring een uitzondering op deze hoofdregel te maken voor vonnissen die vóór 5 december 2011 onherroepelijk zijn geworden. Op grond hiervan heeft Nederland de (tot 1 juni 2018 geldende) verklaring gedaan, dat in gevallen waarin het onherroepelijke vonnis eerder dan drie jaar na de datum van inwerkingtreding van het Kaderbesluit is gegeven, Nederland de rechtsinstrumenten inzake de overbrenging van gevonniste personen welke vóór dit Kaderbesluit van toepassing waren, zal blijven toepassen. Artikel 5:2, eerste lid, WETS bepaalt dat de WETS in de plaats treedt van de WOTS in relatie tot de lidstaten van de Europese Unie. Artikel 5:2, tweede lid, WETS bepaalt dat de WETS niet in de plaats treedt van de WOTS indien en voor zolang als de andere lidstaat nog niet de maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan het Kaderbesluit. De WETS is in werking getreden op 1 november 2012. In Duitsland heeft de implementatie plaatsgevonden op 25 juli 2015.
15. Het verzoek van de Duitse autoriteiten met betrekking tot de gevangenisstraf van [appellant] is op 9 oktober 2017 ontvangen, ruim twee jaar na de implementatie van het Kaderbesluit door Duitsland en bijna vijf jaar na de implementatie door Nederland. Dat betekent dat - gelet op het bepaalde in artikel 5:2, eerste en tweede lid, WETS, alsmede artikel 28, eerste lid, Kaderbesluit - de datum waarop het verzoek is ontvangen beslissend is (de hoofdregel). Het betoog van [appellant] dat de uitzonderingbepaling van artikel 28, tweede lid, Kaderbesluit van toepassing is, moet worden verworpen, reeds omdat er geen sprake is van een Duits vonnis dat vóór 5 december 2011 onherroepelijk is geworden. De omstandigheid dat op het moment van het onherroepelijk worden van het vonnis de WETS nog niet in werking was getreden (was geïmplementeerd), maakt dit niet anders, gelet op voormelde inhoud van het Kaderbesluit en de WETS. De conclusie is dat de WETS van toepassing is op de overname van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf die in dit geding aan de orde is. De Duitse autoriteiten hebben het verzoek dan ook terecht gebaseerd op het Kaderbesluit, waarna de Minister terecht heeft beslist dat de WETS van toepassing is. Hier stuiten alle grieven op af. 15. Het voorgaande betekent dat de grieven falen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld. Zoals gevorderd door de Staat zal het hof bepalen dat bij niet-betaling over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest. Conform de vordering van de Staat zal de proceskostenveroordeling voorts uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
arabic

De feiten die door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis zijn genoemd, zijn niet in geschil. Met inachtneming daarvan, en van hetgeen verder aannemelijk is geworden, gaat het in deze zaak om het volgende.

[appellant] is bij vonnis van 21 februari 2012 in Duitsland (hierna: het Duitse vonnis) veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden (hierna: de gevangenisstraf). Het Duitse vonnis is op 24 oktober 2012 onherroepelijk geworden.

Bij e-mail van 12 april 2017 heeft de (voormalige) advocaat van [appellant] de Nederlandse autoriteiten verzocht te bewerkstelligen dat de gevangenisstraf met toepassing van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) wordt omgezet, zodat hij zijn straf in Nederland uit kon zitten.

De Nederlandse autoriteiten hebben de Duitse autoriteiten op 16 mei 2017 verzocht een formeel verzoek tot strafoverdracht toe te zenden. [appellant] is hierover op dezelfde datum geïnformeerd. Hierbij is ook medegedeeld dat de verwachting is dat het verzoek volgens de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemede en voorwaardelijke sancties (hierna: WETS) zal worden behandeld.

Bij brief van 9 oktober 2017 hebben de Duitse autoriteiten verzocht de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf over te nemen. Dit is gedaan onder verwijzing naar het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit).

De penitentiaire kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 29 januari 2018 conform artikel 2:11, derde lid, WETS geoordeeld dat er geen gronden zijn om de erkenning van het Duitse vonnis te weigeren.

Bij besluit van 2 maart 2018 heeft de Minister voor Rechtsbescherming overeenkomstig artikel 2:12, eerste lid, WETS het Duitse vonnis erkend en beslist dat de gevangenisstraf volgens de bepalingen van de WETS in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden.

Bij brief van 10 augustus 2018 is [appellant] opgeroepen om zich op 21 september 2018 te melden bij de Penitentiaire Inrichting te Vught. [appellant] heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven en de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.

beslissing

Beslissing

17. Het hof:
- bekrachtigt het bestreden vonnis;- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 726,-- aan griffierecht en € 1.074,-- aan salaris advocaat en € 157,-- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,-- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van de uitspraak dan wel, wat betreft het bedrag van € 82,--, na de datum van betekening, moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf het einde van genoemde termijn van veertien dagen;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville, G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.