Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:2341

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 02-09-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-09-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:2341, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.244.674/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:2341:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.244.674/01

Zaaknummer rechtbank : 5686469 CV EXPL 17-4008

arrest van 10 september 2019

1. [appellant 1]

wonende te [woonplaats],
inzake

gevestigd te Rotterdam,appellanten, hierna te noemen: [appellant 1] en Misty, en gezamenlijk [appellant 1] c.s.,advocaat: mr. F.J.H. Krumpelman te Rotterdam,
tegen

2. Misty B.V.,

Bram Ladage Exploitatie B.V.,
gevestigd te Rotterdam,geïntimeerde,hierna te noemen: Ladage Exploitatie,advocaat: mr. S. van der Kamp te Amsterdam.
Het geding

1. Bij exploot van 26 maart 2018, hersteld bij exploot van 7 juni 2018, is [appellant 1] c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 29 december 2017. Bij memorie van grieven met producties heeft [appellant 1] c.s. elf grieven tegen het vonnis van de kantonrechter aangevoerd en toegelicht. Het hof heeft bij arrest van 4 december 2018 een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie heeft geen doorgang gevonden. Ladage Exploitatie heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Partijen hebben de zaak vervolgens op 23 mei 2019 laten bepleiten door hun advocaten, die daarbij gebruik hebben gemaakt van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten:
a. Bram Ladage Verse Patat B.V. heeft op 1 december 1997 een huurovereenkomst gesloten met [appellant 1] (hierna te noemen: de huurovereenkomst) voor de duur van tien jaar, ingaande op 1 januari 1998 en lopende tot en met 31 december 2007, inzake de bedrijfsruimte aan het Binnenwegplein 24 te Rotterdam (hierna te noemen: de bedrijfsruimte) met als bestemming de exploitatie van een snackbar. Artikel 3.1 van de huurovereenkomst bepaalt dat deze na het verstrijken van de eerste periode van tien jaar wordt voortgezet voor een aansluitende periode van vijf jaar.
Tussen Bram Ladage Verse Patat B.V. en [appellant 1] is op 1 januari 1998 eenhuurkoopovereenkomst gesloten, waarbij [appellant 1] van Bram Ladage Verse Patat B.V. de inventaris en goodwill van de hiervoor bedoelde snackbar heeft gekocht voor een bedrag van fl. 2.600.000,- exclusief btw.
Op 1 december 1997 heeft A. Ladage Verse Patat B.V. (het hof begrijpt: Bram Ladage Verse Patat B.V.) als franchisegever met [appellant 1] als franchisenemer een franchiseovereenkomst gesloten (hierna te noemen: de franchiseovereenkomst), waarbij aan [appellant 1] het uitsluitend recht is verleend om als zelfstandig ondernemer het in de overeenkomst omschreven “Bram Ladage-systeem” te gebruiken in de bedrijfsruimte.
Artikel 5 van de franchiseovereenkomst luidt als volgt:
De statutaire naam Bram Ladage Verse Patat B.V. is op 30 december 1998 gewijzigd in Bram Ladage Holding B.V. en op 29 november 2016 in Bram Ladage Exploitatie B.V. (Ladage Exploitatie). Enig aandeelhouder van Ladage Exploitatie is [A].
Op 20 november 2007 is een (nieuwe) vennootschap Bram Ladage Verse Patat B.V. opgericht (hierna te noemen: Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw), ter onderscheiding van Bram Ladage Verse Patat B.V. (oud), thans: Ladage Exploitatie). [A] houdt (indirect) 1/3e van de aandelen in Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw).
Op 2 december 2010 is tussen (een vennootschap aangeduid als) Bram Ladage Verse Patat B.V. en [appellant 1] een allonge bij de franchiseovereenkomst gesloten, waarmee voor [appellant 1] de mogelijkheid werd gecreëerd dat, indien hij zijn bedrijf zou willen onderbrengen in een door hem op te richten besloten vennootschap, die vennootschap na goedkeuring van haar conceptstatuten door Bram Ladage Verse Patat B.V., in de rechten en plichten van [appellant 1] uit de franchiseovereenkomst treedt. Dit laatste is gebeurd na de oprichting door [appellant 1] van Misty.
Ladage Exploitatie heeft bij brief van haar gemachtigde van 9 december 2016, gericht aan zowel [appellant 1] als Misty, de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 januari 2018. In deze brief staat onder meer het volgende:
i. (Een vennootschap aangeduid als) Bram Ladage Verse Patat B.V. heeft bij brief van 29 november 2016 aan [appellant 1] en Misty de franchiseovereenkomst opgezegd tegen 31 december 2017. Bij vonnis van 6 september 2017 gewezen tussen Misty als eiseres en Ladage Exploitatie en Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) heeft de rechtbank Rotterdam voor recht verklaard dat de opzegging van de franchiseovereenkomst zonder rechtsgevolg blijft. De rechtbank heeft in dit vonnis in het midden gelaten of Ladage Exploitatie dan wel Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) franchisegever is. Volgens de rechtbank zijn de door Ladage Exploitatie dan wel Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) aangevoerde gronden voor opzegging van de franchiseovereenkomst, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, onvoldoende om te kunnen concluderen dat van de franchisegever in redelijkheid niet kan worden verlangd de overeenkomst te laten voortduren.
3. In eerste aanleg heeft Ladage Exploitatie, zakelijk weergegeven, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad (i) de huurovereenkomst per 31 december 2017 beëindigt en (ii) [appellant 1] c.s. veroordeelt de bedrijfsruimte te ontruimen op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag(deel), met machtiging van Ladage Exploitatie om de tenuitvoerlegging van deze veroordeling zelf te bewerkstelligen, een en ander met veroordeling van [appellant 1] in de proceskosten.
4. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis (i) Ladage Exploitatie niet ontvankelijk verklaard in haar vordering tegen Misty, en (ii) het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, alsmede het tijdstip van ontruiming, vastgesteld op 1 juli 2018, met veroordeling van Ladage Exploitatie in de proceskosten ten aanzien van Misty en van [appellant 1] in de proceskosten ten aanzien van Ladage Exploitatie. Kort samengevat heeft de kantonrechter het volgende overwogen. Nu tussen partijen niet uitdrukkelijk is overeengekomen dat Misty als huurder in de plaats treedt van [appellant 1], heeft Misty niet de hoedanigheid van huurder of onderhuurder verkregen. Niet weersproken is dat Ladage Exploitatie de bedrijfsruimte daadwerkelijk duurzaam in gebruik wil nemen om daarin zelf een snackbar te exploiteren en evenmin is op goede gronden betwist dat Ladage Exploitatie door zelf een snackbar te gaan exploiteren in de bedrijfsruimte daaruit een beter rendement kan halen dan zij behaalt uit de enkele verhuur ervan. Dat Ladage Exploitatie de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor persoonlijk gebruik, is voldoende aannemelijk gemaakt. De franchiseovereenkomst staat daaraan niet in de weg, nu dit een afzonderlijke overeenkomst is tussen andere partijen.
5. In hoger beroep vordert [appellant 1] c.s., primair, vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en afwijzing van de vorderingen van Ladage Exploitatie, en, subsidiair, een bekrachtigend arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, te bepalen dat de huurovereenkomst pas zal eindigen achttien maanden na de in een bodemprocedure onherroepelijk uitgesproken datum waarop de franchiseovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te verklaren voor recht dat Ladage Exploitatie is gehouden tot betaling van een tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten en Ladage Exploitatie te veroordelen tot vergoeding van de als gevolg daarvan (het hof begrijpt: de verhuizing) door [appellant 1] c.s. geleden schade, op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van Ladage Exploitatie in de proceskosten in beide instanties.
6. van [appellant 1] c.s. is gericht tegen rov. 2.5 van het bestreden vonnis. Blijkens de toelichting is het bezwaar van [appellant 1] c.s. tegen deze rechtsoverweging kennelijk dat de kantonrechter tot uitgangspunt neemt dat Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) de wederpartij van [appellant 1] c.s. bij de franchiseovereenkomst is (geworden). Volgens [appellant 1] c.s. bestaat de franchiseovereenkomst nog steeds tussen Misty en Ladage Exploitatie (voorheen: Bram Ladage Verse Patat B.V. (oud)) omdat Misty niet met een contractsoverneming van deze overeenkomst heeft ingestemd. Deze grief faalt omdat zij berust op een verkeerde lezing van rov. 2.5. In die rechtsoverweging stelt de kantonrechter slechts vast dat de allonge bij de franchiseovereenkomst is gesloten tussen (een vennootschap aangeduid als) Bram Ladage Verse Patat B.V. en [appellant 1]. Die feitelijke vaststelling steunt op de tekst van de allonge die is overgelegd als (onderdeel van) productie 3 bij dagvaarding in eerste aanleg. De kantonrechter neemt in rov. 2.5 geen standpunt in over de vraag wie de wederpartij van Misty bij de franchiseovereenkomst is (geworden).
7. Met komt [appellant 1] c.s. op tegen het oordeel van de kantonrechter dat Misty niet de hoedanigheid van huurder of onderhuurder heeft verkregen. [appellant 1] c.s. stelt primair dat Misty met instemming van Ladage Exploitatie in de plaats is gesteld van [appellant 1] toen [appellant 1] zijn onderneming heeft ingebracht in Misty. Subsidiair stelt [appellant 1] c.s. dat een contractsoverneming heeft plaatsgevonden, waarbij Misty de huurovereenkomst met instemming van Ladage Exploitatie van [appellant 1] heeft overgenomen.
8. Indeplaatsstelling op grond van een rechterlijke machtiging ingevolge artikel 7:307 BW heeft niet plaatsgevonden. Indeplaatsstelling zonder rechterlijke machtiging is mogelijk met instemming van de verhuurder, en is feitelijk hetzelfde als contractsoverneming. In feite komen de primaire en de subsidiaire stelling van [appellant 1] c.s. dus op hetzelfde neer.
9. Voor contractsoverneming is op grond van artikel 6:159 BW een drie-partijenovereenkomst nodig tussen de partij die haar rechtsverhouding tot de wederpartij wil overdragen aan een derde, de wederpartij en de derde. Voor de overeenkomst tussen de overdragende partij en de derde is een akte vereist. De wederpartij kan haar instemming in elke vorm verlenen, hetzij vooraf, hetzij achteraf. Voor de door [appellant 1] c.s. gestelde contractsoverneming is dus nodig een akte tussen [appellant 1] en Misty, waarbij de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst door [appellant 1] aan Misty worden overgedragen, en instemming van Ladage Exploitatie. De akte is volgens [appellant 1] c.s. de akte van inbreng en bekrachtiging van 1 april 2011, waarbij onder meer de huurovereenkomst aan Misty is overgedragen. Voor de instemming van Ladage Exploitatie heeft [appellant 1] c.s. verwezen naar de allonge bij de franchiseovereenkomst en naar het feit dat Ladage Exploitatie op een gegeven moment facturen voor de huur aan Misty is gaan sturen en huurbetalingen van Misty heeft geaccepteerd.
10. In de allonge stemt (een vennootschap aangeduid als) Bram Ladage Verse Patat B.V. in met de overdracht door [appellant 1] aan Misty van de rechten en verplichtingen uit de franchiseovereenkomst. Daaruit volgt niet dat Ladage Exploitatie heeft ingestemd met de overdracht door [appellant 1] aan Misty van de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst. Het hof gaat ervan uit dat Bram Ladage Verse Patat B.V. (nieuw) de allonge heeft gesloten nu de allonge als contractspartij vermeldt: Bram Ladage Verse Patat B.V. en Bram Ladage Verse Patat B.V. (oud) (thans: Ladage Exploitatie) ten tijde van het sluiten van de allonge haar naam had gewijzigd in Bram Ladage Holding B.V. Maar ook als de Bram Ladage Verse Patat B.V. die de allonge heeft gesloten Bram Ladage Verse Patat B.V. (oud) is (en dus dezelfde vennootschap is als Ladage Exploitatie), impliceert instemming met contractsoverneming van de ene overeenkomst (de franchiseovereenkomst) niet ook de instemming met contractsoverneming van een andere overeenkomst (de huurovereenkomst). Dat wordt niet anders doordat Ladage Exploitatie op een gegeven moment facturen voor de huur aan Misty is gaan sturen en huurbetalingen van Misty heeft geaccepteerd. Ladage Exploitatie voert aan dat zij de tenaamstelling van de facturen op verzoek van [appellant 1] heeft aangepast, maar dat zij ervan uitging dat het uitsluitend een verzoek om wijziging van de tenaamstelling betrof en dat Misty de huurpenningen daarna ten behoeve van [appellant 1] zou voldoen. Tegenover dit verweer heeft [appellant 1] c.s. zijn stelling dat instemming met wijziging van de tenaamstelling van de facturen en acceptatie van huurbetalingen van Misty instemming met contractsoverneming door Misty impliceert, onvoldoende onderbouwd. Afgezien van de allonge en de wijziging in de tenaamstelling en betaling van facturen heeft [appellant 1] c.s. geen feiten of omstandigheden gesteld of te bewijzen aangeboden waaruit de instemming van Ladage Exploitatie met contractsoverneming van de huurovereenkomst kan worden afgeleid, zodat het hof ervan uitgaat dat geen contractsoverneming heeft plaatsgevonden en [appellant 1] huurder is gebleven. Daarmee zijn grieven 2 tot en met 5 tevergeefs voorgesteld.
11. zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Ladage Exploitatie de bedrijfsruimte dringend nodig heeft voor persoonlijk gebruik, zoals bedoeld in artikel 7:296, eerste lid onder b BW. Volgens [appellant 1] c.s. staat de rayonbescherming die hem toekomt op grond van de franchiseovereenkomst eraan in de weg dat Ladage Exploitatie in de bedrijfsruimte een snackbar volgens de Bram Ladage franchiseformule gaat exploiteren. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [appellant 1] c.s. naar rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2255). Daarnaast betoogt [appellant 1] c.s. onder meer dat Ladage Exploitatie niet zal kunnen voldoen aan de contractuele bepaling in de standaardfranchiseovereenkomst dat de franchisenemer dagelijks gedurende piektijden in de vestiging aanwezig moet zijn, gelet op de leeftijd van [A] (geboren op 10 april 1949). De exploitatieberekening van Ladage Exploitatie houdt volgens [appellant 1] c.s. geen rekening met de huur van de bedrijfsruimte en de overdracht van de onderneming, waarvoor [appellant 1] destijds fl. 2.600.000,- heeft betaald. Daarnaast heeft Ladage Exploitatie volgens [appellant 1] c.s. andere mogelijkheden om rendement te behalen, zoals een uitbreiding van de franchiseketen. [appellant 1] c.s. stelt ten slotte dat ook een belangenafweging op grond van artikel 7:296, derde lid BW niet in het voordeel van Ladage Exploitatie zou kunnen uitvallen.
12. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof voorop dat voor een beroep op de beëindigingsgrond van artikel 7:296, vierde lid in samenhang met artikel 7:296, eerste lid onder b BW, nodig is dat de verhuurder aannemelijk maakt dat hij de bedrijfsruimte dringend nodig heeft met het oog op voorgenomen duurzaam persoonlijk gebruik door hemzelf of een van de in deze bepaling genoemde naasten. De dringende noodzaak hoeft niet met objectieve gegevens te worden aangetoond. Algemene bedrijfseconomische motieven kunnen voldoende zijn. Zo kan het volstaan dat de verhuurder plannen heeft voor persoonlijk gebruik die uitvoerbaar en levensvatbaar zijn. Het feit dat de verhuurder andere mogelijkheden heeft om te voorzien in de situatie waarin hij behoefte heeft de bedrijfsruimte zelf in gebruik te nemen, hoeft op zichzelf aan een beroep op deze beëindigingsgrond niet in de weg te staan. Dat is pas het geval als de huurder stelt en aannemelijk maakt dat het voldoende in de rede ligt dat de verhuurder die andere mogelijkheden benut (HR 10 oktober 1980, ECLI:NL:HR:1980:AC1633).
13. Ladage Exploitatie heeft aan het beroep op de beëindigingsgrond van artikel 7:296, vierde lid, in samenhang met artikel 7:296, eerste lid onder b BW, onder meer ten grondslag gelegd dat zij de bedrijfsruimte weer zelf als snackbar wil gaan exploiteren en dat zij uit die exploitatie een beter rendement kan halen dan uit de verhuur aan [appellant 1]. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Ladage Exploitatie een exploitatiebegroting overgelegd, waarin een nettowinst wordt begroot die (aanzienlijk) hoger is dan de huidige huuropbrengst. Het doel is volgens Ladage Exploitatie om het bedrijf op termijn door middel van een overdracht van de aandelen in Ladage Exploitatie aan één van de zonen van [A] over te dragen.
14. Het hof acht het mede in het licht van de overgelegde begroting voldoende aannemelijk dat Ladage Exploitatie met eigen exploitatie van de bedrijfsruimte een hoger rendement zal kunnen behalen dan met de verhuur van de bedrijfsruimte aan [appellant 1]. Daaraan doet niet af dat in die begroting geen rekening is gehouden met de huur van de bedrijfsruimte. Zoals Ladage Exploitatie terecht heeft gesteld, draagt zij als eigenaar van de bedrijfsruimte uitsluitend de eigenaarslasten. Die lasten draagt zij ook in geval van verhuur van de bedrijfsruimte, zodat deze lasten bij een vergelijking van het te behalen rendement buiten beschouwing kunnen blijven. Met overname van de onderneming van [appellant 1] c.s. hoeft evenmin rekening te worden gehouden. Het hof begrijpt dat Ladage Exploitatie niet van plan is om de onderneming van [appellant 1] c.s. over te nemen. Daartoe is zij ook niet verplicht. Voor het geval [appellant 1] c.s. bedoeld heeft dat de exploitatiebegroting geen rekening houdt met de goodwillvergoeding waarop hij ingevolge artikel 7:308 BW aanspraak kan maken, overweegt het hof dat ook als een dergelijke goodwillvergoeding verschuldigd zou zijn, het verschil tussen de nettowinst bij eigen exploitatie en de huuropbrengst zo groot is dat het nog steeds aannemelijk is dat met eigen exploitatie een hoger rendement kan worden behaald. Voor het overige heeft [appellant 1] c.s. de exploitatiebegroting niet bestreden. Verder verwerpt het hof het verweer van [appellant 1] c.s. dat Ladage Exploitatie niet zal kunnen voldoen aan de eis in de standaard franchiseovereenkomst dat de franchisenemer gedurende piektijden in de bedrijfsruimte aanwezig moet zijn. Het enkele feit dat [A] thans 70 jaar is staat daar niet aan in de weg. Daarbij acht het hof aannemelijk dat op termijn een van de zonen van [A] zijn rol kan overnemen, zodat ook duurzaam aan deze eis kan worden voldaan. Naar het oordeel van het hof is dus voldoende aannemelijk geworden dat Ladage Exploitatie een dringend bedrijfseconomisch belang heeft bij persoonlijk gebruik. Dat Ladage Exploitatie ook nog andere mogelijkheden ten dienste staan om rendement te behalen doet hier niet aan af. Het is in beginsel aan Ladage Exploitatie om te bepalen hoe zij haar onderneming wenst uit te oefenen.
15. Het hof volgt evenmin het betoog van [appellant 1] c.s. dat de rayonbescherming waarop Misty aanspraak kan maken ingevolge de franchiseovereenkomst, aan de voorgenomen exploitatie van de bedrijfsruimte door Ladage Exploitatie in de weg staat. In artikel 5, eerste lid van de franchiseovereenkomst verleent de franchisegever aan de franchisenemer het exclusieve recht het “Bram Ladage-systeem” te gebruiken in de bedrijfsruimte op het adres Binnenwegplein 24 Rotterdam. Artikel 5, tweede lid biedt de franchisenemer bescherming tegen concurrentie van andere franchisenemers en de franchisegever in een rayon binnen een straal van één kilometer vanaf de in het eerste lid aangewezen bedrijfsruimte. De rayonbescherming van het tweede lid is dus gekoppeld aan de uitoefening van het “Bram Ladage-systeem” in de bedrijfsruimte aan het Binnenwegplein 24. Als de huurovereenkomst ter zake van die bedrijfsruimte wordt beëindigd, kan Misty het “Bram Ladage-systeem” niet langer gebruiken in die bedrijfsruimte. De logische consequentie daarvan is dat Misty dan in het in artikel 5, tweede lid, bedoelde rayon ook niet langer aanspraak kan maken op de bescherming tegen concurrentie van andere franchisenemers en de franchisegever. In hoeverre beëindiging van de huurovereenkomst ten aanzien van de bedrijfsruimte aan het Binnenwegplein 24 aan Misty aanspraken geeft uit hoofde van de franchiseovereenkomst, moet in het kader van de franchiseovereenkomst worden bezien. Dat gaat het bestek van het aan het hof voorgelegde geschil te buiten, mede gelet op hetgeen het hof hierna in 19 zal overwegen ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot vergoeding van schade. Het hof dient in het kader van dit geschil uitsluitend te oordelen over de vraag of de huurovereenkomst wegens dringend persoonlijk gebruik kan worden beëindigd en, in dat kader, of de rayonbescherming van artikel 5, tweede lid van de franchiseovereenkomst zich tegen het voorgenomen persoonlijk gebruik verzet. Om de hiervoor genoemde redenen is dat niet het geval. De door [appellant 1] aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad, waaronder het arrest van 24 januari 1997 (ECLI:NL:HR:1997:ZC2255), leidt niet tot een ander oordeel. Uit die rechtspraak volgt dat voor beëindiging wegens dringend persoonlijk gebruik geen grond is indien vast komt te staan dat het voorgenomen persoonlijk gebruik op praktische en/of juridische gronden uitgesloten is. In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat het voorgenomen persoonlijk gebruik vanwege de rayonbescherming op grond van de franchiseovereenkomst uitgesloten is.
16. Naar het oordeel van het hof kan Ladage Exploitatie zich dus beroepen op de beëindigingsgrond van artikel 7:296, vierde lid in samenhang met artikel 7:296, eerste lid onder b. BW. Daarmee falen ook grieven 6 tot en met 9. Aan de vraag of een belangenafweging op grond van artikel 7:296, derde lid BW in het voordeel van [appellant 1] zou kunnen uitvallen komt het hof bij deze stand van zaken niet toe. Voor bewijslevering bestaat evenmin aanleiding, aangezien [appellant 1] c.s. geen feiten of omstandigheden te bewijzen heeft aangeboden die tot een ander oordeel over deze grieven zouden kunnen leiden.
17. is gericht tegen de vaststelling van de einddatum van de huurovereenkomst door de kantonrechter. Volgens [appellant 1] c.s. had de kantonrechter bij de vaststelling van de einddatum niet moeten laten meewegen dat Ladage Exploitatie de huurovereenkomst op 9 december 2016 heeft opgezegd, aangezien Ladage Exploitatie zich bij haar opzegging op enkele dagen na aan de opzegtermijn heeft gehouden. Verder heeft [appellant 1] c.s. aangevoerd dat de kantonrechter er bij de vaststelling van de einddatum rekening mee had moeten houden dat de franchiseovereenkomst nog loopt tot 1 januari 2023, dat geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten is aangeboden en dat [appellant 1] c.s. eind 2015 nog € 90.000,- heeft geïnvesteerd in een van de bedrijfsruimte.
18. De door de kantonrechter vastgestelde einddatum (1 juli 2018) is inmiddels verstreken. Het hof zal een nieuwe einddatum vaststellen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien wat in dat verband de relevantie is van de opzegtermijn die Ladage Exploitatie in haar brief van 9 december 2016 heeft aangehouden. Evenmin valt in te zien waarom de duur van de franchiseovereenkomst relevant is in dat verband, nu de franchiseovereenkomst geen recht geeft op voortzetting van de huur van de bedrijfsruimte. Het hof zal er bij de vaststelling van de einddatum ook geen rekening mee houden dat Ladage Exploitatie [appellant 1] c.s. geen tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten heeft aangeboden, en dat [appellant 1] c.s. eind 2015 nog € 90.000,- heeft geïnvesteerd in de van de bedrijfsruimte, reeds omdat [appellant 1] c.s. tegenover de betwisting door Ladage Exploitatie op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat deze kosten zijn gemaakt of (voor zover het betreft de verhuis- en inrichtingskosten) nog gemaakt zullen worden. Ladage Exploitatie heeft het hof verzocht de einddatum vast te stellen op een datum die maximaal vijf maanden na de datum van dit arrest is gelegen. Mede in aanmerking genomen dat sinds de opzegging van de huurovereenkomst door Ladage Exploitatie inmiddels meer dan 2,5 jaar is verstreken, acht het hof het redelijk om [appellant 1] c.s. nog een termijn van vijf maanden te geven om zich op het eindigen van de huurovereenkomst voor te bereiden, en zal het hof de einddatum van de huurovereenkomst vaststellen op 1 maart 2020.
19. De gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot vergoeding van schade, op te maken bij staat, zal het hof afwijzen. Deze vorderingen zijn in eerste aanleg niet door [appellant 1] c.s. ingesteld en kunnen niet voor het eerst in hoger beroep worden ingesteld.
20. Met bestrijdt [appellant 1] c.s. de proceskostenveroordeling. Deze grief deelt het lot van de vorige grieven. Nu die grieven falen geldt dat de kantonrechter met juistheid de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst heeft toegewezen en [appellant 1] als de in het ongelijk gestelde partij ten aanzien van Ladage Exploitatie in de proceskosten heeft veroordeeld.
21. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter dus bekrachtigen, met dien verstande dat het de einddatum van de huurovereenkomst alsmede het tijdstip van ontruiming van de bedrijfsruimte opnieuw zal vaststellen op 1 maart 2020. Verder zal het hof [appellant 1] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten in hoger beroep. Evenals de kantonrechter ziet het hof geen aanleiding af te wijken van de hoofdregel van artikel 7:295 BW, en zal het hof zijn arrest niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
“1. Franchisegever verleent aan franchisenemer het uitsluitend recht om als zelfstandig ondernemer het in considerans omschreven systeem te gebruiken in de bedrijfsruimte met het adres: Binnenwegplein 24 te Rotterdam.

2. Zonder toestemming van de franchisenemer zal franchisegever aan derden het gebruik van het systeem, zoals in deze overeenkomst geregeld, niet toestaan, noch zelf volgens het systeem geëxploiteerde bedrijven stichten in een rayon binnen een straal van een (1) kilometer, te rekenen vanaf in lid 1 beschreven bedrijfsruimte.”

"(...) U huurt krachtens huurovereenkomst van 1997 van cliënte bedrijfsruimte aan het Binnenwegplein 24 in Rotterdam. De huurovereenkomst is ingegaan op 1 januari 1998 en loopt inmiddels voor onbepaalde tijd. In het pand wordt door u een snackbar geëxploiteerd conform de Bram Ladage formule.

Cliënte is voornemens om in het gehuurde zelf een snackbar te exploiteren. Cliënte heeft daarbij een dringend (financieel) belang. De huurovereenkomst dient daartoe te eindigen. Hierbij zeg ik namens cliënte de huurovereenkomst met betrekking tot de bedrijfsruimte aan het Binnenwegplein 24 in Rotterdam op tegen de rechtens eerst mogelijke datum, te weten 1 januari 2018. De wettelijke grond waarop de huurovereenkomst wordt opgezegd, is in de eerste plaats dringend eigen gebruik en in de tweede plaats de algemene belangenafweging (artikel 7:300 lid 3 BW j° 296 lid 1 sub b j° 296 lid 3 BW).
De huurovereenkomst is aangegaan met u in privé. Op uw verzoek worden de huurfacturen al enige tijd verzonden aan Misty B.V. Deze vennootschap voldoet, ten behoeve van u, de huur. U bent echter in privé huurder gebleven. Cliënte heeft nimmer ingestemd met een contractoverdracht aan Misty B.V. Uitsluitend voor het geval zou moeten worden geoordeeld dat Misty B.V. op enig moment (in plaats van u) huurder is geworden, wordt deze huuropzegging mede aan Misty B.V. gericht.

Namens cliënte verzoek ik u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief schriftelijk te berichten of u instemt met de huuropzegging. Bij gebreke van ontvangst van deze mededeling, zal ik namens cliënte de rechter verzoeken een datum te bepalen waarop de huurovereenkomst eindigt. (...)"

beslissing

Beslissing

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Rotterdam van 29 december 2017, voor zover daarbij het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, alsmede het tijdstip van ontruiming, is vastgesteld op 1 juli 2018, en in zoverre opnieuw rechtdoende,
- stelt het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt, alsmede het tijdstip waarop [appellant 1] de bedrijfsruimte moet hebben ontruimd, vast op 1 maart 2020;
- bekrachtigt het vonnis voor het overige;
- veroordeelt [appellant 1] c.s. in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Ladage Exploitatie begroot op € 726,- aan griffierecht en € 3.222,- aan salaris advocaat;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, M.P.J. Ruijpers en H.J. Rossel en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2019 in aanwezigheid van de griffier.