Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:2244

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 21-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 21-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:2244, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 22-004219-18


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:2244:DOC
nl

PROMIS

Rolnummer: 22-004219-18 Parketnummer: 09-842362-13 Datum uitspraak: 21 augustus 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 15 oktober 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren te [plaats] op [dag] 1960,[adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 7 augustus 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is aan de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) geen straf op maatregel opgelegd. Daarnaast is de teruggave gelast van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte zal worden verklaard, en dat aan de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel zal worden opgelegd in verband met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de duur van het door de verdachte ondergane voorarrest en de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zoals gewaarborgd in artikel 6, eerste lid, EVRM.

Standpunten van de verdediging

De raadslieden hebben, op gronden zoals weergegeven in hun overgelegde pleitnotities en onder verwijzing naar hun in eerste aanleg overgelegde pleitnotities, primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard in verband met de schending van het vertrouwensbeginsel en handelen in strijd met het verbod op willekeur.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat aan de verdachte met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel zal worden opgelegd, omdat de op de woonboot van de verdachte aangetroffen grote hoeveelheid bij de Opiumwet lijst II behorende cannabisproducten een voor een behoorlijke bedrijfsvoering van de door de verdachte ge-ëxploiteerde coffeeshop “[naam coffeeshop]” gebruikelijke of redelijke handelsvoorraad vormde.

Overwegingen van het hof ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging

De onderhavige zaak heeft betrekking op het zogenoemde achterdeurbeleid bij coffeeshops, in casu de in de zin van de Aanwijzing Opiumwet gedoogde coffeeshop “[naam coffeeshop]”, gevestigd te Den Haag, die de verdachte als eigenaar van die coffeeshop, exploiteerde. Op 19 juni 2013 zijn in een door de verdachte bewoonde woonboot aan het [adres] te Den Haag diverse cannabisproducten aangetroffen, waarvan op zichzelf niet in geschil is dat die cannabisproducten daar werden bewaard ten behoeve van de bevoorrading van de coffeeshop.In verband met de door de verdediging in de onderhavige zaak in het kader van de (niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gevoerde verweren, stelt het hof het navolgende voorop.
Beoordelingskader ontvankelijkheid Openbaar Ministerie – beginselen van een goede procesorde

In gevallen als het onderhavige, waarin het beleid van de lokale bestuurlijke autoriteit een door de wet verboden situatie wegens de daardoor gediende belangen onder strikte voorwaarden gedoogt, staat in naar zijn strekking bestendige jurisprudentie - zoals in onder meer HR 26 april 2016, ) als volgt geformuleerd - voorop dat in art. 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde (vgl. HR 6 november 2012, , NJ 2013/109).
Het vertrouwensbeginsel

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het Openbaar Ministerie gedane, of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven evenwel in de regel niet worden ontleend (vgl. HR 8 mei 2012, ).
Het verbod van willekeur

Een uitzonderlijk geval als hierboven bedoeld doet zich ook voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (ook wel: het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging). Aan het oordeel dat het Openbaar Ministerie om deze reden in de vervolging van een verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard dienen zware motiveringseisen te worden gesteld (vgl. HR 2 juli 2013, , NJ 2013/563).
Beoordeling binnen deze kaders

handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel?

De verdediging heeft, gelijk reeds in eerste aanleg, ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, bepleit dat door het beleid dat is neergelegd in de destijds geldende Aanwijzing Opiumwet en het in dat kader telkens afgeven van de gedoogverklaringen aan (de onderneming van) verdachte, het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat verdachte voor de ten laste gelegde feiten niet zou worden vervolgd.
Daar komt bij, aldus de verdediging, dat de door de verdediging genoemde WODC-rapporten over softdrugsbeleid blijken te zijn gemanipuleerd. Het debat in de Tweede Kamer betreffende de maatschappelijke discussie over de strafbaarstelling van de verweten gedragingen en daarmee de rol van de wetgever is in dat verband in een ander licht komen te staan.

Ten slotte is door de verdediging ook in hoger beroep gewezen op de brief van de toenmalige burgemeester van Den Haag, gedateerd 16 mei 2011. In deze brief staat - vooruitlopend op eventuele definitieve besluitvorming - het voornemen om te berichten over de verruiming van het gedoogbeleid, in die zin dat een te grote voorraad in het kader van de Bibob-toets alleen zal worden aangerekend als er sprake is van verwevenheid met georganiseerde of andere vormen van criminaliteit en dat het OM – als deelnemer aan de lokale driehoek – daarmee instemt.

de Aanwijzing Opiumwet

Tegen de achtergrond van de tenlastegelegde periode, ingaande vóór 1 januari 2013, moet voor wat betreft de Aanwijzing Opiumwet acht worden geslagen op 2 versies, te weten de Aanwijzing Opiumwet (2011A013), met datum van inwerkingtreding 1 januari 2011, en de Aanwijzing Opiumwet (2012A021), met datum van inwerkingtreding 1 januari 2013. Beide versies bepalen – voor zover in dit verband van belang – dat de handelsvoorraad in elk geval de 500 gram niet te boven zal gaan. Gelet op deze identiciteit op dit punt zullen beide versies van de Aanwijzing Opiumwet in het navolgende worden aangeduid als: de Aanwijzing Opiumwet.
Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 30 januari 2018, kan aan de Aanwijzing Opiumwet niet het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat de verdachte niet zou worden vervolgd ter zake van het in stand houden van een handelsvoorraad cannabis ten behoeve van de exploitatie van zijn coffeeshop, die strijdig is met het in de Aanwijzing geformuleerde verbod tot het in stand houden van een handelsvoorraad van meer dan 500 gram cannabis.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en de stukken van het geding is komen vast te staan dat de cannabisproducten die de verdachte op zijn woonboot ten behoeve van de exploitatie van zijn coffeeshop aanhield, de genoemde – absolute - grens van 500 gram in ruime mate overschreed. Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, bestonden die als handelsvoorraad te beschouwen cannabisproducten uit een hoeveelheid van ongeveer 40 kilogram hennep(toppen), 15 kilogram hasjiesj, 6 kilogram marihuana, alsmede ongeveer 13.000 voorgedraaide joints bestaande uit tabak/hennep of tabak/hasjiesj. Reeds hierom kan het beroep op de Aanwijzing Opiumwet de verdachte geen soelaas bieden in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel.Daaraan voegt het hof toe dat de vraag wat moet worden verstaan onder een “gebruikelijke of redelijke handelsvoorraad” in het kader van de bedrijfsvoering van een coffeeshop – een door de verdediging ter duiding en waardering gebruikte uitdrukking van de handelsvoorraad van verdachtes coffeeshop – een beleidsmatig antwoord verlangt, in de beantwoording waarvan het hof niet treedt. Het kader voor de behandeling van de hier voorliggende vragen wordt gevormd door de Aanwijzing Opiumwet en de daarin genoemde, zoals hiervoor overwogen: absolute, grens van 500 gram cannabis. Dat het voor een commercieel en bedrijfsmatig verantwoorde bedrijfsvoering noodzakelijk is om aanzienlijk omvangrijkere voorraden aan te houden, dat de coffeeshop als onderneming kan variëren in grootte, assortiment en omzet en – in het verlengde daarvan – dat de voorraad moet zijn afgestemd op die bijzonderheden van de onderneming of dat aan de coffeeshop als onderneming een grens moet worden gesteld waar het gaat om die bijzonderheden, met de daarmee samenhangende opportuniteitsvraag of de grens van 500 gram cannabis nuancering of relativering behoeft, is immers bij uitstek een politieke afweging. Daar komt bij dat het ook niet aan het Openbaar Ministerie – of individuele leden daarvan – is voorbehouden om in de beantwoording van die naar zijn aard politieke vraag te treden, zodat zulks evenmin de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie raakt om in zaken als de onderhavige over te gaan tot vervolging.
de WODC-rapporten

Ten aanzien van de WODC-rapporten waarop de verdediging een beroep heeft gedaan, overweegt het hof dat niet is gebleken dat de betreffende rapporten betrekking hebben op het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde onderwerp.
de brief van de toenmalige burgemeester van Den Haag en de Bibob-toets

Aan de brief van 16 mei 2011, opgesteld door de toenmalige burgemeester van Den Haag, heeft de verdachte – zo is het hof met de rechtbank van oordeel – evenmin het gerechtvaardigd vertrouwen kunnen ontlenen dat hij niet door het Openbaar Ministerie zou worden vervolgd. In die brief wordt immers vermeld dat het Openbaar Ministerie in principe altijd strafrechtelijk optreedt tegen overtredingen van de Opiumwet die niet vallen onder de gedoogvoorwaarden. Dat de brief tevens inhoudt dat het Openbaar Ministerie bij een Bibob-toets alleen strafbare feiten die samenhangen met de achterdeur zal aanrekenen als er sprake is van verwevenheid met georganiseerde of andere vormen van zware criminaliteit, kan daaraan niet afdoen. De Bibob-toets is immers een bestuursrechtelijke toets en daarmee van geheel andere aard dan de door het Openbaar Ministerie te maken afwegingen in het kader van de strafrechtelijke handhaving van beweerdelijke overtredingen van de Opiumwet. In dat kader kan dan ook niet worden volgehouden dat bij de verdachte een gerechtvaardigd vertrouwen kan zijn ontstaan dat op grond van de brief vervolging voor het aanhouden van een grotere voorraad cannabisproducten dan 500 gram niet (meer) zou plaatsvinden. Daar komt bij dat niet maatgevend is of de verdachte uitgegaan is van de uitleg van door de burgemeester verstrekte informatie omtrent de inhoud van het lokaal geldende gedoogbeleid, op bestuursrechtelijk vlak. Beoordeeld moet immers worden, zoals reeds hierboven gesteld, of door het Openbaar Ministerie gedane of aan het Openbaar Ministerie toe te rekenen uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Dat dit het geval was, is ook in hoger beroep gesteld noch gebleken.
handelen in strijd met het verbod op willekeur?

Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur. Immers, reeds vanwege het gegeven dat de hiervoor genoemde, op de woonboot van verdachte aangetroffen hoeveelheid cannabisproducten de absolute grens van een handelsvoorraad van 500 gram cannabis zoals genoemd in de Aanwijzing Opiumwet in ruime mate heeft overschreden, is hier geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin ruimte is voor het oordeel dat de vervolging is ingesteld of voortgezet, terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn.
Het hof volgt daarmee een rechtsontwikkeling op basis van een reeks van uitspraken van de Hoge Raad, waarin deze een bestendige lijn heeft uitgezet die er – voor zover in dit verband van belang - op neerkomt dat arresten van verschillende hoven, waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging werd verklaard omdat het vervolgen van gedoogde coffeeshops door de feitenrechter in strijd werd geacht met beginselen van behoorlijk procesrecht, consequent zijn vernietigd. Naar het oordeel van het hof kunnen de thans aangevoerde gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie – die in de kern ook al eerder in vergelijkbare procedures zijn voorgelegd – dan ook niet tot het bepleite gevolg leiden.

Het hof verwerpt het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard in al zijn onderdelen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet geheel verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

en

hij in de periode van 30 december 2012 tot 19 juni 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft vervoerd, telkens een hoeveelheid hennep(toppen) en hasjiesj en marihuana, zijnde vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere overweging ten aanzien van feit 2

Naar het oordeel van het hof kan op basis van de voor het bewijs gebezigde processen-verbaal Narcotica van de politie Haaglanden noch op basis van enig ander bewijsmiddel met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat de verdachte de in de tenlastelegging onder 2 genoemde exacte hoeveelheden van de genoemde middelen en voorgedraaide joints opzettelijk voorhanden heeft gehad.Om die reden komt het hof tot een bewezenverklaring van de genoemde afgeronde hoeveelheden van die middelen en voorgedraaide joints.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, meermalen gepleegd.

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Geen straf of maatregel

De verdachte, eigenaar van een coffeeshop, heeft zich in het kader van de exploitatie van die coffeeshop met anderen schuldig gemaakt aan het opzettelijk verwerken van – kort gezegd - grote hoeveelheden cannabisproducten. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan het vervoeren van hoeveelheden van die producten. Ook heeft hij ten behoeve van zijn coffeeshop een aanzienlijke voorraad van uiteenlopende cannabisproducten opzettelijk aanwezig gehad in de afgeronde hoeveelheden, zoals bewezen verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op hetgeen de verdediging bij pleidooi onder verwijzing naar de bij pleidooi overgelegde schriftelijke verklaring van [naam], voorheen directeur van het Instituut voor Medische Marihuana, d.d. 11 juli 2019, en een schriftelijke beantwoording van vragen van [naam], als onderzoeker en promovendus verboden aan de Universiteit Utrecht, ongedateerd, naar voren heeft gebracht.

De omvang van de in de woonboot van de verdachte aangetroffen grote hoeveelheid cannabis moet, aldus de verdediging en samengevat weergegeven, worden bezien in het licht van een tweetal omstandigheden. Enerzijds een seizoensfactor, te weten het gegeven dat gedurende de zomer sprake is van een verminderde teelt en daarmee een verminderd aanbod voor coffeeshops. Tegelijk is zomers de vraag naar cannabisproducten in coffeeshops groot. Daarbij is de kwaliteit van het aanbod voor coffeeshops zomers slechter dan in andere jaargetijden. Deze seizoensfactor is daarom relevant, omdat de aangetroffen voorraad is aangetroffen in de aanloop naar de zomer. Anderzijds is sprake van een meer persoonsgebonden omstandigheid, in die zin dat verdachte in afwachting was van een ziekenhuisopname, terwijl hij als ondernemer en verantwoordelijke voor de inkoop van cannabis anderen daarmee niet wilde belasten. Een coffeeshop, en zo ook de coffeeshop van de verdachte moet, aldus de verdediging, gezien de wensen van de klanten die de coffeeshop bezoeken, een diversiteit aan cannabisproducten aanbieden en derhalve op voorraad houden.
Ook is aangevoerd dat verdachte geen andere keuze heeft dan het integraal afnemen van een door een betrouwbare leverancier aangeboden hoeveelheid cannabis. Enerzijds omdat de leverancier in één keer van zijn partij af wil zijn en anderzijds omdat verdachte geen idee heeft wanneer zich weer een inkoopgelegenheid zal aandienen.Ten slotte heeft de verdediging aangevoerd dat een deel van de op verdachtes woonboot aangetroffen cannabis onverkoopbare takjes en ander afval betreft dat door het jaar heen wordt opgespaard om zo de Belastingdienstter wille te kunnen zijn; de Belastingdienst weet – aldus de verdediging - dat er verschil bestaat tussen de hoeveelheid ingekochte cannabis en de hoeveelheid verkoopklare cannabis.
Uit het betoog van de verdediging en uit de verklaring van de verdachte komt naar voren dat er een spanning bestaat tussen de in de Aanwijzing Opiumwet neergelegde maximale handelsvoorraad die voor gedoogde coffeeshops geldt, te weten 500 gram cannabis, en de keuzes van een commercieel uitbater van een coffeeshop als verdachte. Naar het oordeel van het hof ligt in die spanning geen omstandigheid besloten om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is het volgende redengevend. Voorop staat dat het hof niet blind is voor het feit dat een coffeeshophouder afhankelijk is van aanvoer van cannabis om de toegestane 500 gram in zijn coffeeshop op peil te houden en aldus de continuïteit van zijn onderneming te waarborgen. Dat neemt niet weg dat de verdachte, zoals hij zelf ook heeft verklaard, de coffeeshop “[naam coffeeshop]” niet enkel uit ideële motieven exploiteert. Hij is ook ondernemer en handelt derhalve met een winstoogmerk. Hij heeft ervoor gekozen om in zijn coffeeshop een breed assortiment cannabisproducten aan te bieden en heeft een daarbij behorende klantenkring opgebouwd. Zou hij dat niet doen, zou hij minder klanten hebben. Met deze keuze beoogt de verdachte te voorkomen dat hij klanten verliest aan andere coffeeshops. Die afweging mag verdachte uiteraard maken, maar die keuze brengt mee dat hij alle variëteiten uit zijn cannabis-assortiment moet bevoorraden, met alle consequenties en kwetsbaarheden vandien. Oók als het gaat om de Aanwijzing Opiumwet en de daarin opgenomen maximaal toegestane handelsvoorraad van 500 gram cannabis. Met zijn keuze heeft verdachte de eerdergenoemde spanning tussen de door hem geëxploiteerde coffeeshop en de Aanwijzing Opiumwet verder opgevoerd. Ondertussen geldt dat verdachte van zijn keuze ook profijt heeft gehad in de vorm van de winst die hij dankzij die keuze heeft kunnen genereren.
Het hof ziet evenwel in andere en door de verdediging aangevoerde feiten en omstandigheden aanleiding om met toepassing van artikel 9a Sr geen straf of maatregel aan de verdachte op te leggen. In die zin was voor verdachte sprake van een uitzonderlijke situatie dat hij ten tijde van het aantreffen van de cannabisproducten op zijn woonboot in afwachting was van een ziekenhuisopname die consequenties had voor de bevoorrading en daarmee de continuïteit van zijn coffeeshop. Dat heeft er mede toe geleid dat hij een voorraad cannabis heeft aangehouden die de gedoogde handelsvoorraad ruim oversteeg. Voorts is de op de woonboot van verdachte aangetroffen voorraad cannabis onder de verdachte in beslag genomen en vernietigd. Aldus is de door hem daartoe gedane investering verloren gegaan en heeft de verdachte financiële schade geleden. Uitgaande van de bewezenverklaarde hoeveelheid cannabisproducten moet daarmee een niet te verwaarlozen bedrag gemoeid zijn geweest.
Eveneens neemt het hof in aanmerking dat de verdachte - blijkens een hem betreffend uittrekselJustitiële Documentatie d.d. 16 juli 2019 –, met uitzondering van een thans niet relevante veroordeling in 1993, niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.
Niet in de laatste plaats houdt het hof, met de advocaat-generaal, rekening met de omstandigheid dat het voorarrest van de verdachte, vergeleken met het voorarrest in vergelijkbare zaken, relatief lang - 105 dagen - heeft geduurd.

Ten slotte houdt het hof rekening met de overschrijding van de in artikel 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.De verdachte is op 20 juni 2013 in verzekering gesteld. Eerst op 15 oktober 2018 is de behandeling van de zaak afgerond met een eindvonnis. Aldus is die termijn in eerste aanleg met ruim drie jaren overschreden, terwijl van bijzondere omstandigheden niet is gebleken.
Het hof acht het - alles afwegende - raadzaam te bepalen dat in verband met omstandigheden geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Beslag

De advocaat-generaal heeft zich, gelijk de officier van justitie, op het standpunt gesteld dat het conservatoir beslag op de ING-bankrekening voldoende waarborgen biedt ten aanzien van het verhaal van een mogelijk op te leggen ontnemingsmaatregel. Zij heeft gevorderd dat alle overige in beslag genomen voorwerpen aan verdachte worden geretourneerd.

Naar het oordeel van het hof verzet het belang van strafvordering verzet zich blijkens het standpunt van de advocaat-generaal niet tegen teruggave aan de verdachte van de op de beslaglijst onder 7 t/m 42 genummerde voorwerpen. Het hof zal dan ook de teruggave van deze voorwerpen aan de verdachte gelasten.

1.hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2012 tot en met 19 juni 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, telkens een (grote) hoeveelheid hennep(toppen) en/of hasjiesj en/of marihuana, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
2.hij op of omstreeks 19 juni 2013 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer:- 41,2 kilogram hennep(toppen) en/of - 16,8 kilogram hasjiesj en/of - 6,4 kilogram marihuana en/of - 13.110 voorgedraaide joints inhoudende tabak/hennep of tabak/hajiesj, in elk (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;


1.hij in de periode van 30 december 2012 tot en met 19 juni 2013 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft verwerkt , een grote hoeveelheid hennep(toppen) en hasjiesj en marihuana, zijnde vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II
of omstreeks, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- kilogram hennep(toppen) en- kilogram hasjiesj en- kilogram marihuana en- voorgedraaide joints inhoudende tabak/hennep of tabak/, zijnde als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;




beslissing

BESLISSING

- geld Nederlands, totaal 903,77 euro;- 1 STK Boot [aanduiding], kleur bruin;- geld Nederlands, totaal 50,15 euro;- geld Nederlands, totaal 87,20 euro;- geld Nederlands, totaal 128,14 euro;- geld Nederlands, totaal 13.314,61 euro;- geld Nederlands, totaal 5.917,34 euro.
Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Gelast de teruggave aan verdachte van de op de beslaglijst onder 7 t/m 42 genummerde voorwerpen, te weten:

Dit arrest is gewezen door mr. Chr.A. Baardman, mr. C.M. Derijks en mr. F.P. Geelhoed, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 augustus 2019.