Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:2078

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 07-08-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 13-08-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:2078, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.230.365/01 en 200.232.058/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:2078:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers : 200.230.365/01 (hoofdzaak) en 200.232.058/01 (vrijwaring)

Zaaknummers rechtbank : 5552473 RL EXPL 16-32803 (hoofdzaak) en 5963938 RL EXPL 17-11255 (vrijwaring)
arrest van 13 augustus 2019

inzake

N.V. Univé Schade,
gevestigd te Zwolle,appellante in de hoofdzaak,hierna te noemen: Univé,advocaat: mr. G. Loman te Assen,
tegen

ANWB B.V.,
gevestigd te Den Haag,geïntimeerde in de hoofdzaak,hierna te noemen: ANWB,advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk (Z-H),
en

ANWB B.V.,
gevestigd te Den Haag,appellante in de vrijwaring,hierna te noemen: ANWB,advocaat: mr. J.L. Oudshoorn te Rijswijk (Z-H),
tegen

Garage […],
gevestigd te [plaats], Frankrijk,geïntimeerde in de vrijwaring,hierna te noemen: [Y],advocaat: mr. T. Havekes te Voorburg.
Het geding in hoofdzaak en vrijwaring

Bij exploot van 21 november 2017 is Univé in de hoofdzaak in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Den Haag, team kanton (hierna: de kantonrechter), tussen Univé en ANWB gewezen vonnis van 10 oktober 2017. Bij memorie van grieven met producties heeft Univé vijf grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft ANWB de grieven bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Bij exploot van 9 januari 2018 is ANWB in de vrijwaring in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter van 10 oktober 2017 tussen ANWB en [Y] gewezen. Bij tussenarrest van 26 februari 2019 heeft dit hof op de incidentele vordering daartoe van ANWB de gevoegde behandeling bevolen met de hoofdzaak (zaaknummer 200.230.365/01). Bij memorie van grieven heeft ANWB vervolgens één grief aangevoerd. Bij memorie van antwoord heeft [Y] de grief bestreden. Op 9 juli 2019 hebben partijen de stukken overgelegd en om arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep in de hoofdzaak en de vrijwaring

1. De door de kantonrechter in het vonnis van 10 oktober 2017 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:a. [X] (hierna: [X]) heeft met Univé een verzekeringsovereenkomst gesloten met betrekking tot een aan hem toebehorende caravan (hierna: de caravan).b. [X] is lid van ANWB, welk lidmaatschap recht geeft op een aantal diensten, waaronder begrepen de ‘Wegenwacht Europa Service’ en ‘Aanhangservice Buitenland’. Tussen ANWB en [X] zijn de algemene voorwaarden van ANWB van toepassing. In artikel 21 van die voorwaarden is onder meer bepaald:c. [X] was in de zomer van 2013 met zijn echtgenote op vakantie met de caravan. Op de terugweg kreeg hij in Frankrijk autopech. ANWB heeft hem toen een vervangende auto ter beschikking gesteld. Aangezien die niet in staat was een caravan te trekken, bleef de caravan achter in Frankrijk.d. [X] heeft op 19 september 2013 de caravan achtergelaten op de camping waar hij zich op dat moment bevond. ANWB heeft geregeld dat de caravan nog diezelfde dag door [Y] werd opgehaald en dat de caravan in afwachting van repatriëring bij [Y] is gestald.e. De caravan is, terwijl hij bij [Y] was gestald, gestolen. Op 7 oktober 2013 heeft [Y] de diefstal ontdekt en aangifte gedaan.f. Univé heeft [X] uit hoofde van de sub a genoemde verzekering schadeloos gesteld voor de door [X] als gevolg van de diefstal geleden schade. Univé heeft vervolgens ANWB aansprakelijk gesteld voor deze schade.g. Nadat ANWB genoemde aansprakelijkstelling van de hand had gewezen onder verwijzing naar artikel 21 van haar algemene voorwaarden, heeft Univé ANWB bericht dat zij genoemd artikel vernietigt op grond van artikel 6:237 BW.
2. Univé vordert veroordeling van ANWB tot betaling aan haar als gesubrogeerde verzekeraar van [X] van € 20.650,-, vermeerderd met rente en kosten. ANWB heeft verweer gevoerd en daarnaast [Y] in vrijwaring opgeroepen.
3. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Hij achtte het exoneratiebeding van artikel 21 van de algemene voorwaarden van ANWB niet onredelijk bezwarend. Daarmee werd ook de vordering in de vrijwaring afgewezen.
4. Met de grieven I tot en met III keert Univé zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat voornoemd beding van toepassing, althans niet onredelijk bezwarend is. Verder heeft Univé aangevoerd dat ANWB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep op het beding toekomt. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
5. Univé heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het beding niet van toepassing is. De algemene voorwaarden zien volgens Univé alleen op de situatie van schade bij verkrijging van een vervangende auto. In dit geval is echter sprake van bewaarneming van een caravan die is gestolen. Ook de aanvullende voorwaarden genaamd “Aanhangwagen Service Buitenland” helpen ANWB niet, omdat ook in die voorwaarden niets is geregeld over schade bij bewaarneming. Er wordt slechts gesproken van de toepasselijkheid van de bepalingen in de algemene voorwaarden over hulp, en niet van die over de uitsluiting van aansprakelijkheid.Voorts heeft de kantonrechter, aldus nog steeds Univé, onvoldoende rekening gehouden met de positie van Univé als gesubrogeerde verzekeraar. Het gaat er niet om of [X] was verzekerd voor zijn schade, maar of ANWB zich voor haar schade had kunnen verzekeren. Bovendien heeft [X] niet zijn hele schade vergoed gekregen. Het exoneratiebeding is verder ongeclausuleerd. Zelfs handelen van [Y] dat kwalificeert als grove schuld dan wel bewuste roekeloosheid is uitgesloten. Dat maakt dat Univé het beding, voor zover nodig, rechtsgeldig heeft vernietigd en dat ANWB naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen beroep toekomt op dit beding. Van ANWB mocht worden verwacht dat de caravan onverwijld naar Nederland vervoerd zou worden in plaats van gedurende lange tijd gestald te worden in Frankrijk. Verder is ANWB risicoaansprakelijk voor de fouten van de door haar in het kader van de bewaarneming ingeschakelde hulppersoon [Y]. Zij heeft ook zelf fouten gemaakt bij de inschakeling van die hulppersoon. Van ANWB mag immers worden verwacht dat zij kostbare caravans laat stallen op een veilige plek en daar was hier geen sprake van. De caravan stond enige weken buiten op het terrein van [Y] in het volle zicht; er was geen werkende beveiligingscamera; het bedrijf is gelegen in de periferie, met een gebrek aan toezicht en controle tot gevolg. ANWB heeft [Y] ingeschakeld, maar zich niet vergewist van de veiligheid van de caravan bij stalling daar. Ook het handelen van ANWB moet als grove schuld dan wel bewuste roekeloosheid worden gekwalificeerd.
6. Het hof verwerpt het verweer van Univé tegen het beroep van ANWB op haar artikel 21 van de algemene voorwaarden dat dit artikel toepassing mist in het geval van schade als gevolg van diefstal van een caravan. Terecht wijst ANWB erop dat in haar algemene voorwaarden op pagina 18 de aanvullend te kiezen module “aanhangwagen service buitenland” verwijst naar het deel van de algemene voorwaarden dat betrekking heeft op de auto zoals beschreven op pagina 6 t/m 11 van de algemene voorwaarden. Een redelijke uitleg van de voorwaarden brengt derhalve mee dat de diefstaluitsluiting van artikel 21 van de algemene voorwaarden (te vinden op pagina 10 van die voorwaarden) ook toepasselijk is in geval van diefstal van een caravan.
7. Bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van artikel 21 van de algemene voorwaarden geldt als uitgangspunt dat op grond van artikel 6:233 sub a BW een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is als het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden tot stand zijn gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is. Ingevolge artikel 6:237 sub f BW wordt het exoneratiebeding van artikel 21 van de algemene voorwaarden vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Bij de toetsing van dit artikel komt het aan op de vraag of het beding een aanzienlijke en ongerechtvaardigde verstoring oplevert van het evenwicht tussen partijen in de zin van artikel 3 lid 1 Richtlijn 93/13/EEG.
8. Of artikel 21 van de algemene voorwaarden een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen ANWB enerzijds en [X] als consument anderzijds oplevert kan naar het oordeel van het hof in het midden blijven, omdat die verstoring in dit geval niet in strijd is met de goede trouw (in de zin van artikel 3 van genoemde Richtlijn) en niet ongerechtvaardigd is. Consumenten kennen ANWB als een organisatie die service biedt aan haar leden bij (auto)pech in Nederland en Europa, al naar gelang het door de consument gekozen serviceniveau. Het gekozen serviceniveau bepaalt de hoogte van de vergoeding die de consument verschuldigd is. Als ANWB met [X] zou hebben onderhandeld over de voorwaarden voor haar diensten, ligt in de rede dat [X] de exoneratie voor diefstal van de caravan tijdens de repatriëring zou hebben aanvaard (Vgl. HvJ EU 14 maart 2013, C-415/11, NJ 2013/374). [X] was immers al verzekerd tegen diefstal van zijn caravan. Dat [X] zijn schade niet volledig vergoed heeft gekregen is niet doorslaggevend. Het niet aanvaarden van de exoneratie zou ertoe hebben geleid dat ANWB dat risico zou hebben moeten dragen, dan wel zich daartegen zou hebben moeten verzekeren, wat in beide gevallen de vergoeding die [X] aan ANWB zou moeten betalen zou hebben opgedreven. Dit zou tegen het belang van [X] ingaan. Genoemde exoneratiebepaling is dus niet onredelijk bezwarend.
9. Bij de beoordeling van het beroep op artikel 21 van de algemene voorwaarden is, los van de vraag of deze bepaling op zichzelf onredelijk bezwarend is, voorts van belang dat een exoneratiebeding buiten toepassing dient te blijven voor zover die toepassing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit zal in het algemeen het geval zijn als de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. Daarbij zal de rechter rekening moeten houden met alle omstandigheden waarop de partij die het beding buiten toepassing gelaten wil zien, zich heeft beroepen. Relevante omstandigheden zijn of het exoneratiebeding deel uitmaakt van door de exonerant opgestelde algemene voorwaarden, de hoedanigheid van de wederpartij en diens bekendheid met het hanteren van algemene voorwaarden, de mate waarin het exoneratiebeding de aansprakelijkheid beperkt, de door de wederpartij verschuldigde tegenprestatie en de mate waarin de exonerant is tekortgeschoten in de van hem te verwachten zorg (vgl. Hoge Raad 12 mei 2000, LJN: AA5783).
10. Gesteld noch gebleken is dat ANWB zelf schade heeft veroorzaakt door opzettelijk of bewust roekeloos te handelen. Voor zover Univé bedoeld heeft dat te stellen met de zijdelingse opmerking onder 42 van de memorie van grieven, gaat het hof daaraan voorbij, omdat die stelling onvoldoende is toegelicht en onderbouwd. Ook als de verwijten die Univé ANWB maakt betreffende de keuze van [Y] om de caravan te stallen juist zijn, brengt dit nog niet mee dat ANWB opzettelijk of roekeloos handelen kan worden verweten. Het komt aan op de vraag of de toepassing van het exoneratiebeding in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
11. In het kader van die beoordeling is het volgende van belang. ANWB heeft zich verplicht de caravan van [X] te repatriëren. Dat zij daarvoor de caravan heeft laten ophalen door en tijdelijk heeft laten stallen bij een lokale garagehouder totdat repatriëring – van meerdere voertuigen en caravans – aan de orde was, is gebruikelijk en kan ANWB niet worden verweten. ANWB verrichtte immers een bemiddelingsdienst voor [X]; zij beschikt niet zelf over eigen transport- en opslagmogelijkheden voor voertuigen in heel Europa.
12. Het bewijsaanbod van Univé dient als te vaag – nu het onvoldoende duidelijk is betrokken op voldoende geconcretiseerde stellingen – dan wel niet ter zake dienende – nu geen feiten zijn gesteld die, indien bewezen, tot andere oordelen aanleiding geven – te worden gepasseerd.
13. Nu de grieven I tot en met III van Univé falen, kunnen ook de grieven IV en V, die geen zelfstandige betekenis hebben, niet slagen. De slotsom is dat het vonnis waartegen Univé beroep heeft ingesteld zal worden bekrachtigd. Univé zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van ANWB, vermeerderd met de door ANWB gevorderde wettelijke rente.Daarmee faalt ook het beroep van ANWB tegen het vonnis van de kantonrechter in de vrijwaringszaak. ANWB zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep van [Y], met inbegrip van de door [Y] gevorderde nakosten.
“Wij zijn niet aansprakelijk voor schade ontstaan in de volgende situaties:(..) - stalling en transport van uw auto en bagage - diefstal van uw auto en bagage.”
ANWB heeft reeds in eerste aanleg gesteld, hetgeen door Univé niet is betwist, dat zij eerder nimmer problemen heeft gehad met [Y] en dat zij er derhalve van mocht uitgaan dat [Y] betrouwbaar was. Verder heeft ANWB onbestreden aangevoerd dat [Y] een erkende Renault dealer is met een moderne bedrijfslocatie en een (buiten werktijden) afgesloten terrein. Univé heeft tegen die achtergrond onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat [Y] “overduidelijk ongeschikt was” om de caravan op te halen en te stallen (zoals zij betoogt sub 29 van haar memorie van grieven), zodat het hof die stelling verwerpt. Voorts heeft Univé als het gaat om het verwijt dat aan [Y] kan worden gemaakt van de diefstal van de caravan van haar terrein, grotendeels volstaan met indirecte gevolgtrekkingen en veronderstellingen, en daarmee onvoldoende concreet gesteld waarom [Y] met grove schuld heeft gehandeld. Dat [Y], anders dan zij zegt, de caravan niet zou hebben afgesloten en niet zou hebben beveiligd met het disselslot heeft Univé niet feitelijk onderbouwd, maar is een conclusie die zij trekt uit het feit dat de caravan is gestolen en de bijbehorende sleutels kennelijk niet meer beschikbaar zijn. Ditzelfde geldt voor het verwijt dat het hekwerk rond het bedrijfsterrein niet of onvoldoende zou zijn afgesloten. Een concreet bewijsaanbod op deze punten heeft Univé evenmin gedaan. De (wel) concreet gestelde omstandigheid dat de camerabewaking op het terrein van [Y] niet werkte, is onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat sprake is van grove schuld aan de zijde van [Y]. Stalling zonder camerabewaking levert geen grove schuld op als de aldus gestalde caravan wordt gestolen. In dit geval was er bovendien een camera aanwezig, waarvan op grond van algemene ervaringsregels moet worden aangenomen dat die potentiële dieven afschrikt, aangezien die niet kunnen zien of de camera werkt of niet. Het stallen van een caravan op een terrein van een allround garagebedrijf dat zich bezig houdt met de verkoop, reparatie, berging en repatriëring van diverse voertuigen, maar niet is gespecialiseerd in het stallen van caravans, is evenmin voldoende. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [Y] is gesitueerd buiten de bebouwde kom. De door Univé gestelde eis dat de caravan had moeten worden gestald in een afgesloten ruimte, gaat te ver. Ook als deze door Univé benoemde omstandigheden in onderlinge samenhang worden bezien, leidt dat nog niet tot de conclusie dat [Y] van de diefstal van de caravan een ernstig verwijt kan worden gemaakt.Tot slot is van belang dat [X], in wiens rechten Univé is gesubrogeerd, zich tegen de gevolgen van een eventuele diefstal heeft verzekerd, zelfs als diens schade niet volledig is vergoed. Anders dan Univé meent is dit feit wel degelijk van belang. Het gaat immers om de vraag of de toepassing van de exoneratieclausule jegens [X] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat ook ANWB zich tegen schades als gevolg van een mogelijke aansprakelijkheid had kunnen verzekeren, is in dit verband niet van doorslaggevend belang. Het beroep van ANWB op artikel 21 van haar algemene voorwaarden is derhalve niet onaanvaardbaar (naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid). Daarmee falen de grieven I tot en met III in de hoofdzaak.
beslissing

Beslissing

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 10 oktober 2017;- veroordeelt ANWB in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [Y] tot op heden begroot op € 1.978,- aan verschotten en € 1.391,- aan salaris advocaat en op € 157,- aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan;- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Het hof in de hoofdzaak (200.230.365/01) :

Het hof in de vrijwaring (200.232.058/01):

Dit arrest is gewezen door mrs. M. Flipse, J.M.T. van der Hoeven-Oud en D. Aarts en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 augustus 2019 in aanwezigheid van de griffier.

-

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te Den Haag van 10 oktober 2017;

veroordeelt Univé in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van ANWB tot op heden begroot op € 1.978,- aan verschotten en € 1.391,- aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.