Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1935

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 23-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1935, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.235.933/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.235.933/01

Zaaknummer rechtbank : 5882152 CV EXPL 17-12455

arrest van 23 juli 2019

inzake

[naam 1]

wonende te [woonplaats 1] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. H. Weisfelt te Den Haag,
tegen

[naam 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.

ECLI:NL:GHDHA:2019:1935:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.235.933/01

Zaaknummer rechtbank : 5882152 CV EXPL 17-12455

arrest van 23 juli 2019

inzake

[naam 1]

wonende te [woonplaats 1] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. H. Weisfelt te Den Haag,
tegen

[naam 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. M.W. Huijzer te Papendrecht.
1

1.1.
Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 10 april 2018 verwijst het hof naar dat arrest. Bij dat arrest is een comparitie van partijen bevolen. Deze is gehouden op 6 juni 2018 en voortgezet op 3 juli 2018, deze voortzetting gelijktijdig maar niet gevoegd met de comparitie van partijen in de zaak 200.235.796/01 tussen [naam 3] en [geïntimeerde] . Van deze comparities zijn processen-verbaal opgemaakt. Bij memorie van grieven, met drie producties, heeft [appellant] vervolgens twee grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord, met één productie, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Vervolgens heeft [appellant] nog een akte genomen, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.
1.2.
Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
overwegingen

2

2.1.
In voormelde procedure tussen [naam 3] en [geïntimeerde] vorderde [geïntimeerde] onder meer verklaring voor recht dat hij de door hem met [naam 3] gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende woning aan [het adres] , en alle onderhuurovereenkomsten, rechtsgeldig buitengerechtelijk had vernietigd, en ontruiming van die woning. [appellant] had zich in die procedure in eerste aanleg gevoegd aan de zijde van [naam 3] , stellende dat hij in de betreffende woning een kamer (onder)huurde van [naam 3] , en dus belang had bij afwijzing van de hiervoor genoemde vorderingen van [geïntimeerde] . Bij vonnis van 15 december 2017, verbeterd bij vonnis van 23 februari 2018 (hierna gezamenlijk: het bestreden vonnis), heeft de kantonrechter onder meer de hiervoor genoemde vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen. De woning is daarna ontruimd.
2.2.
De onderhavige procedure betreft het hoger beroep van het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen [appellant] en [geïntimeerde] . In het hoger beroep van ditzelfde vonnis tussen [geïntimeerde] en [naam 3] heeft dit hof bij arrest van heden dit vonnis bekrachtigd (onder meer) voor zover het de verklaring voor recht en de ontruiming betreft. Hieraan kan de onderhavige procedure niets toevoegen of afdoen. Ten behoeve van het oordeel over de proceskosten in de onderhavige procedure is nog van belang dat [appellant] geen argumenten heeft aangevoerd, althans geen steekhoudende argumenten, tegen de door [geïntimeerde] gevraagde en in het bestreden vonnis gegeven verklaring voor recht en veroordeling van [naam 3] tot ontruiming. [appellant] heeft wat dit betreft dus als de in het ongelijk te stellen partij te gelden.
2.3.
In dit hoger beroep heeft [appellant] zich, voor het eerst, op eigen rechten jegens [geïntimeerde] beroepen: een (nieuwe) (onder)huurovereenkomst met [naam 3] , maar nu voor de gehele woning en daaruit voortvloeiend, voor het geval dat de huurovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [naam 3] inderdaad als vernietigd zou hebben te gelden (wat dus het geval is, vlg. hiervoor, 2.2), een eigen huurrecht jegens [geïntimeerde] (artikel 7:269 BW) en daarmee aanspraak op schadevergoeding wegens de ontruiming. Voor zover [appellant] deze gestelde eigen rechten bedoeld heeft op te voeren als (eigen) verweren treffen ze geen doel, omdat de vorderingen van [geïntimeerde] niet tegen [appellant] zijn gericht. Voor zover [appellant] bedoeld heeft eigen vorderingen tegen [geïntimeerde] in te stellen is hij hierin niet ontvankelijk, omdat de partij die in eerste aanleg slechts gevoegde partij was, in hoger beroep niet voor het eerst een (eigen) eis kan instellen (vergelijk artikel 353 lid 1 Rv (slot)) (als die partij daarbij althans niet tevens is tussengekomen in het hoger beroep van de hoofdprocedure waarin zij zich in eerste aanleg had gevoegd, zoals hier het geval is).
2.4.
Ten overvloede overweegt het hof nog dat het beroep van [appellant] op artikel 7:269 BW faalt omdat hij tegenover de gemotiveerde betwisting van [geïntimeerde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in de woning zijn hoofdverblijf had.
2.5.
De grieven behoeven voor het overige geen bespreking. [appellant] heeft geen feiten te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een andere uitkomst zouden kunnen leiden. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden op € 318 voor het griffierecht en € 3.222 voor het salaris van de advocaat (3 punten x tarief II), totaal € 3.540. Het nasalaris begroot het hof zoals het dictum vermeldt.
2.6.
In het bestreden vonnis is geen kostenveroordeling uitgesproken tussen [geïntimeerde] en [appellant] . [geïntimeerde] heeft in het hoger beroep nog gevraagd om veroordeling van [appellant] ook in de kosten van de eerste aanleg. [geïntimeerde] heeft echter geen kosten gemaakt die kunnen worden toegerekend aan de procesdeelname van [appellant] in eerste aanleg als gevoegde partij. De kosten van [geïntimeerde] voor zijn (vergeefse) verweer in het – daaraan voorafgegane – voegingsincident dienen voor zijn eigen rekening te blijven. Voor zover [geïntimeerde] opkomt tegen het ontbreken, in het bestreden vonnis, van een kostenbeslissing tussen hem en [appellant] , heeft hij daarbij dus geen belang. De uitkomst van het onderhavige geding biedt intussen geen plaats voor een kostenveroordeling ten gunste van [appellant] in eerste aanleg.
beslissing

3

Het hof:

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Frieling, M.E. Honée en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.

-

verwerpt het beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 3.540, te vermeerderen met € 157 aan nasalaris voor de advocaat, nog te verhogen met € 82 indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving in der minne aan dit arrest is voldaan en vervolgens betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest wat betreft deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.