Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1836

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 16-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1836, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.253.462/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:1836:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.253.462/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/540987 / HA ZA 17-1195

arrest van 16 juli 2019 in het incident

inzake

FacilitylinQ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,appellante,hierna te noemen: FacilitylinQ,advocaat: mr. G.L. Weerheim te Rotterdam,
tegen

Erasmus Universiteit Rotterdam,
zetelend te Rotterdam,geïntimeerde,hierna te noemen: EUR,advocaat: mr. H.T. Verhaar te Rotterdam.
Het geding

1. Bij dagvaarding van 21 december 2018 is FacilitylinQ in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam tussen partijen gewezen vonnis van 26 september 2018. Bij memorie van grieven met producties van 12 maart 2019 heeft FacilitylinQ een incidentele vordering ingesteld op grond van artikel 843a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tot veroordeling van EUR om inzage in bepaalde bescheiden aan FacilitylinQ te verstrekken. FacilitylinQ heeft deze vordering ingekleed als een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv. EUR heeft de incidentele vordering bestreden bij memorie van antwoord in het incident.
2. Vervolgens is arrest in het incident gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep

3. Voor zover relevant in het kader van het incident, gaat het in deze zaak kort samengevat om het volgende:
a. EUR heeft in augustus 2016 een aanbesteding georganiseerd voor de inkoop van meubilair voor de universiteitsbibliotheek. Bij beslissing van 7 november 2016 heeft EUR de opdracht voorlopig gegund aan [naam B.V.] (hierna te noemen: [naam B.V.] ). FacilitylinQ is als tweede geëindigd. Ter onderbouwing van de beoordeling heeft EUR bij de brief van 7 november een bijlage gevoegd waaruit blijkt dat zij aan FacilitylinQ een lagere totaal gewogen score heeft toegekend dan aan [naam B.V.] .
FacilitylinQ heeft een kort geding tegen EUR aanhangig gemaakt, waarin zij is opgekomen tegen de gunning aan [naam B.V.] . [naam B.V.] is in dit kort geding tussengekomen. Bij vonnis van 31 januari 2017 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam de vorderingen van FacilitylinQ afgewezen. Vervolgens is de opdracht definitief aan [naam B.V.] gegund.
4. In eerste aanleg heeft FacilitylinQ gevorderd: (i) een verklaring voor recht dat EUR onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld in het kader van de aanbesteding, en dat EUR aansprakelijk is voor de schade die FacilitylinQ als gevolg daarvan heeft geleden, (ii) een veroordeling van EUR tot betaling van een schadevergoeding van € 247.110,-, althans van € 185.332,50, althans van een door de rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente, en (iii) een veroordeling van EUR tot betaling van buitengerechtelijke kosten en proceskosten. Daarnaast heeft FacilitylinQ op grond van artikel 843a Rv inzage in bepaalde bescheiden gevorderd, in de vorm van een provisionele vordering op grond van artikel 223 Rv.
5. Kort samengevat, en voor zover in hoger beroep nog relevant, heeft FacilitylinQ aan haar vorderingen in de hoofdzaak het volgende ten grondslag gelegd. Primair heeft zij gesteld dat EUR de mededinging heeft uitgeschakeld door een ontwerp voor de studietafels en boekenkasten uit te vragen dat tot stand is gekomen in samenspraak met een onderaannemer van [naam B.V.] dan wel met [naam B.V.] zelf, en dat voor de andere inschrijvers te verzwijgen. Daardoor beschikte [naam B.V.] met haar onderaannemer over een door EUR gecreëerde (kennis) voorsprong en hadden de andere inschrijvers geen eerlijke kans om de aanbesteding te winnen. Subsidiair heeft FacilitylinQ gesteld dat EUR haar inschrijving onjuist heeft beoordeeld, door de werktekeningen van de studietafels en boekenkasten die FacilitylinQ in eerste instantie had ingediend, niet in haar beoordeling te betrekken, en uitsluitend uit te gaan van de in tweede instantie ingediende, aanvullende tekeningen waarin vooral is ingegaan op de constructieve details en aan de esthetische vormgeving minder aandacht is besteed. Aldus heeft EUR volgens FacilitylinQ onrechtmatig jegens haar gehandeld. Daardoor heeft FacilitylinQ schade geleden. Die schade bestaat volgens FacilitylinQ onder meer uit gederfde winst, omdat zij de aanbesteding zou hebben gewonnen als EUR rechtmatig had gehandeld. Dan had EUR namelijk [naam B.V.] van de aanbesteding moeten uitsluiten, of FacilitylinQ voor haar werktekeningen het hoogste aantal punten moeten toekennen, aldus FacilitylinQ. Daarnaast stelt FacilitylinQ schade te hebben geleden in de vorm van kosten gemaakt in het kader van de voorbereiding van de inschrijving en het kort geding waarin zij tegen de voorlopige gunning is opgekomen.
6. EUR heeft verweer gevoerd in de hoofdzaak en in het incident.
7. De rechtbank heeft de vorderingen van FacilitylinQ in de hoofdzaak afgewezen, met veroordeling van FacilitylinQ in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank was de inschrijving van FacilitylinQ ongeldig, omdat de door haar ingediende werktekeningen van de studietafels en boekenkasten een kopie waren van de door de architect gemaakte tekeningen die deel uitmaakten van de aanbestedingsstukken, en daarmee niet voldeden aan de gestelde vereisten. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, zelfs als EUR onrechtmatig zou hebben gehandeld, de door FacilitylinQ gestelde schade in de vorm van kosten gemaakt voor de inschrijving daarmee niet in causaal verband staat.
8. In het incident heeft de rechtbank de vordering tot inzage in bepaalde bescheiden eveneens afgewezen, op grond van de overweging dat het hier een voorlopige voorziening voor de duur van het geding betreft en FacilitylinQ bij deze voorziening geen belang meer heeft, nu de hoofdvorderingen van FacilitylinQ alle zijn afgewezen en daarmee het geding is geëindigd.
9. In hoger beroep vordert FacilitylinQ in de hoofdzaak vernietiging van het vonnis van de rechtbank en toewijzing van haar vorderingen in eerste aanleg, met veroordeling van EUR in de kosten in beide instanties. Haar stellingen in hoger beroep zijn anders ingericht dan haar stellingen in eerste aanleg, in die zin dat FacilitylinQ haar vorderingen thans primair baseert op haar stelling dat EUR haar inschrijving onjuist heeft beoordeeld, en subsidiair op haar stelling dat EUR de mededinging heeft uitgeschakeld door [naam B.V.] een oneigenlijke voorsprong te verschaffen.
10. In het incident vordert FacilitylinQ op grond van artikel 843a Rv een veroordeling van EUR om aan FacilitylinQ te verstrekken, afschrift van, althans inzage in, althans uittreksel van de volgende bescheiden, binnen zeven dagen, althans binnen 14 dagen na het te wijzen incidentele arrest en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag met een maximum van € 500.000,- en met veroordeling van EUR in de kosten van het incident:
( a) De volgende stukken ten aanzien waarvan EUR heeft aangegeven dat zij deze niet wil verstrekken:
( b) De stukken genoemd in bijlage 1 bij het verweerschrift van 12 april 2018 (productie 36 van FacilitylinQ in eerste aanleg);
( c) De bijlagen bij de e-mails van 1 december 2014, 2 april 2015 en 3 juni 2016 genoemd in een document van FacilitylinQ van 16 maart 2018 onder 2.2 (productie 34 van FacilitylinQ in eerste aanleg).
11. Artikel 843a, eerste lid Rv bepaalt dat hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van artikel 843a, vierde lid Rv kan degene die over de betreffende bescheiden beschikt de gevorderde inzage weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Of de redenen die zijn aangevoerd tegen verschaffing van de gevraagde gegevens opwegen tegen de eisen van een behoorlijke rechtsbedeling moet door de rechter in een belangenafweging worden beoordeeld.
12. Volgens FacilitylinQ is aan alle vereisten voor toewijzing van haar vordering op grond van artikel 843a, eerste lid Rv voldaan: (i) de gevorderde bescheiden zijn voldoende bepaald, nu EUR zelf heeft aangegeven over deze bescheiden te beschikken, (ii) de gevorderde bescheiden houden verband met een rechtsbetrekking tussen FacilitylinQ en EUR uit onrechtmatige daad, en (iii) FacilitylinQ heeft een rechtmatig belang om te kunnen beschikken over de gevorderde bescheiden, nu EUR in het verweerschrift van 12 april 2018 heeft erkend dat openbaarmaking van deze bescheiden haar rechtspositie in de door FacilitylinQ aanhangig gemaakte civiele procedure kan benadelen.
13. EUR voert verweer. Primair voert zij aan dat FacilitylinQ niet-ontvankelijk is in haar vordering. Een vordering op grond van artikel 843a Rv is volgens EUR geen provisionele vordering in de zin van artikel 223 Rv, omdat (i) toewijzing van de vordering niet slechts zou gelden voor de duur van het geding, en (ii) de vordering er niet toe kan dienen om de positie van FacilitylinQ in de hoofdzaak te verstevigen. Subsidiair is EUR van mening dat niet aan de vereisten van artikel 843a, eerste lid Rv is voldaan, althans dat gewichtige redenen bestaan om de gevorderde inzage te weigeren of dat aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder deze stukken is gewaarborgd, ingevolge artikel 843a, vierde lid Rv.
14. EUR heeft met juistheid aangevoerd dat een vordering tot inzage van bescheiden niet gegrond kan worden op artikel 223 Rv, omdat een bevel van deze strekking naar zijn aard een definitief karakter heeft en dus niet alleen geldt voor de duur van het geding. Dat betekent echter niet dat FacilitylinQ niet-ontvankelijk is in haar incidentele vordering. Het hof dient de vordering van FacilitylinQ immers ook op grond van artikel 843a Rv te beoordelen, zolang FacilitylinQ de voor toepassing van deze bepaling relevante feiten aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, en dat heeft zij gedaan. Bovendien heeft FacilitylinQ artikel 843a Rv zelf ook als rechtsgrond voor haar vordering genoemd. EUR heeft er dus rekening mee kunnen houden dat de vordering van FacilitylinQ (mede) op grond van artikel 843a Rv zou worden beoordeeld, en heeft haar verweer daar ook op ingericht.
15. Volgens EUR heeft FacilitylinQ geen rechtmatig belang bij haar vordering op grond van artikel 843aRv. Daartoe voert EUR aan dat de vordering van FacilitylinQ in de hoofdzaak niet kan slagen, omdat zij het aan zichzelf te wijten heeft dat zij de aanbesteding niet heeft gewonnen. Zij heeft immers de instructies in de aanbestedingstukken ten aanzien van de indiening van werktekeningen voor de studietafels en boekenkasten niet gevolgd.
16. Dit verweer gaat eraan voorbij dat FacilitylinQ haar vordering in de hoofdzaak niet uitsluitend heeft gebaseerd op de beoordeling van haar inschrijving, maar ook op de stelling dat EUR de mededinging heeft uitgeschakeld door [naam B.V.] een oneigenlijke voorsprong te verschaffen en dat EUR, ter voorkoming van die oneigenlijke voorsprong, [naam B.V.] van de aanbesteding had moeten uitsluiten. EUR heeft niet weersproken dat de bescheiden waarin FacilitylinQ inzage vordert, tot het bewijs van die laatste stelling kunnen bijdragen.
17. EUR voert verder aan dat FacilitylinQ geen rechtmatig belang heeft bij de gevorderde inzage, omdat zij niet per afzonderlijk document duidelijk heeft gemaakt waarin haar belang bij de verstrekking van afschriften is gelegen. Naar het oordeel van het hof heeft EUR echter voldoende aannemelijk gemaakt dat de hiervoor in rov. 10 onder (a), (b) en (c) genoemde stukken relevant kunnen zijn voor haar rechtspositie (en daarmee dat zij een rechtmatig belang heeft):
18. EUR heeft verder bestreden dat FacilitylinQ een rechtmatig belang heeft bij inzage met een beroep op de vervaltermijn vermeld op pagina 31 van het Beschrijvend Document van de onderhavige aanbesteding. Op grond van deze bepaling dient een inschrijver op straffe van verval van recht een geschil aanhangig te maken niet later dan 20 dagen na de datum van verzending van de (voorlopige) gunningsbeslissing, tenzij het geschil voortvloeit uit een omstandigheid die eerst na verloop van die periode is gebleken. In dat geval gaat de termijn van 20 dagen in op de dag dat de desbetreffende omstandigheid is gebleken. Volgens FacilitylinQ zijn er als gevolg van het geleidelijk beschikbaar komen van informatie verschillende tijdstippen geweest waarop deze vervaltermijn opnieuw is gaan lopen, en heeft zij het onderhavige geschil binnen deze vervaltermijn aanhangig gemaakt.
19. In het kader van de beoordeling van deze incidentele vordering is er geen ruimte voor een diepgaand onderzoek naar de toepasselijkheid en het mogelijke aflopen van deze vervaltermijn. Voorshands acht het hof het aannemelijk dat deze termijn niet aan FacilitylinQ kan worden tegengeworpen, alleen al omdat met het beschikbaar komen van nieuwe informatie nieuwe vervaltermijnen zijn gaan lopen, en FacilitylinQ haar vordering tijdig binnen zo’n vervaltermijn heeft ingesteld.
20. Volgens EUR zijn de bescheiden genoemd in rov. 10 onder (a), nummer (i) tot en met (iv), althans de bescheiden genoemd in rov. 10 onder (a), nummer (i), (iii) en (iv) onvoldoende bepaald voor een vordering op grond van artikel 843a Rv. Daarin volgt het hof EUR niet. In het kader van het Wob-verzoek van FacilitylinQ heeft het College zelf aangegeven dat zij deze stukken niet wil verstrekken met een beroep op artikel 10, tweede lid sub g Wob. Als EUR van mening is dat openbaarmaking van deze stukken haar positie in de onderhavige procedure onevenredig kan benadelen, dan is het haar kennelijk voldoende bekend om welke stukken het gaat.
21. Volgens EUR kan tussen haar en FacilitylinQ geen sprake meer zijn van een rechtsbetrekking uit hoofde van een verbintenis uit onrechtmatige daad vanwege het verstrijken van de eerder genoemde vervaltermijn. Dit verweer stuit af op wat het hof hiervoor ten aanzien van het beroep op de vervaltermijn heeft overwogen.
22. Als gewichtige reden om niet aan de vordering tot inzage te voldoen, doet EUR een beroep op de geheimhoudingsplicht van artikel 2.57 en artikel 2.138 sub c van de Aanbestedingswet 2012 (Aw) en de vertrouwelijkheid van inschrijvingen, die in het Beschrijvend Document is gegarandeerd. Volgens EUR vallen de stukken genoemd in randnummer 41 van de memorie van antwoord in het incident onder deze geheimhoudingsplicht. Tot de daar genoemde stukken behoren onder meer de inschrijving van [naam B.V.] en anderen, en de gunningsinformatie met betrekking tot [naam B.V.] en anderen. Het hof gaat er vanuit dat daarmee zijn bedoeld inschrijvingen en gunningsinformatie ter zake van de aanbesteding die EUR in 2016 heeft georganiseerd. Van dergelijke stukken valt aan te nemen dat zij onder de geheimhoudingsplicht vallen. Voor zover de vordering van FacilitylinQ op deze stukken betrekking heeft, zal EUR van deze stukken dus geen afschrift hoeven te verstrekken. Hetzelfde geldt voor e-mails met betrekking tot biedingen van [naam B.V.] en anderen die zijn uitgebracht in het kader van de aanbesteding georganiseerd in 2016. In randnummer 41 van de memorie van antwoord in het incident noemt EUR verder de bijlage bij de e-mail van 1 december 2014. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de zojuist genoemde geheimhoudingsplicht hierop eveneens van toepassing is. Blijkens de datum van de e-mail moet de aanbieding immers voorafgaand aan de aanbesteding zijn gedaan. De artikelen 2.57 en 2.138 sub c Aw en het Beschrijvend Document gelden niet voor informatie die niet in het kader van een aanbesteding is verstrekt.
23. EUR voert verder aan dat bepaalde e-mails vertrouwelijke financiële bedrijfsgegevens van derden bevatten waarvan verstrekking aan FacilitylinQ de mededinging zou kunnen vervalsen. Ten aanzien van deze e-mails kan EUR een beroep doen op gewichtige redenen om de informatie niet te verstrekken. In het algemeen zal kunnen worden volstaan met het onleesbaar maken van deze gegevens in de stukken waarvan afschrift wordt gevorderd, tenzij deze stukken uitsluitend uit financiële bedrijfsgegevens bestaan; in dat geval kan EUR weigeren de stukken in hun geheel te verstrekken.
24. EUR voert ook nog aan dat een behoorlijke rechtsbedeling zonder de door FacilitylinQ gevorderde gegevens is gewaarborgd, omdat de rechtsbedeling in deze zaak er uitsluitend om gaat of FacilitylinQ de juiste tekeningen heeft aangeleverd. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, miskent dit verweer van EUR dat de vorderingen van FacilitylinQ in de hoofdzaak niet uitsluitend zijn gebaseerd op de beoordeling van de inschrijving van FacilitylinQ, maar ook op de stelling dat EUR de mededinging heeft uitgeschakeld door [naam B.V.] een oneigenlijke voorsprong te verschaffen.
25. Ten slotte doet EUR een beroep op de weigeringsgrond van artikel 10, eerste lid sub c Wob. Op grond van deze bepaling blijft het verstrekken van informatie ingevolge de Wob achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld. Deze weigeringsgrond geldt echter voor het verstrekken van informatie ingevolge de Wob en kan niet in het kader van artikel 843a Rv aan FacilitylinQ worden tegengeworpen.
26. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de incidentele vordering van FacilitylinQ zal worden toegewezen. Het hof zal EUR bevelen aan FacilitylinQ op haar kosten afschriften te verstrekken van de hiervoor in rov. 10 genoemde bescheiden, met uitzondering van de inschrijvingen van [naam B.V.] en andere inschrijvers in de aanbesteding en gunningsinformatie ter zake van deze aanbesteding, en behalve voor zover de in rov. 10 genoemde bescheiden financiële bedrijfsgegevens van derden bevatten. In de aan FacilitylinQ te verstrekken afschriften kan EUR zulke financiële bedrijfsgegevens onleesbaar maken, tenzij het desbetreffende document uitsluitend uit dergelijke gegevens bestaat; in dat geval is EUR niet gehouden een afschrift van het document aan FacilitylinQ te verstrekken.
27. EUR heeft bezwaar gemaakt tegen de gevorderde dwangsom. Volgens haar is er geen noodzaak voor een dwangsom, omdat zij als bestuursorgaan pleegt veroordelingen na te komen. Het hof zal daarvan uitgaan en geen dwangsom opleggen. De termijn waarbinnen de afschriften moeten worden verstrekt, zal het hof bepalen op 14 dagen na betekening. Aan het verzoek van EUR om de veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal het hof geen gevolg geven. Honorering van dit verzoek zou tot onredelijke vertraging in de hoofdzaak kunnen leiden. Het belang van EUR om geen afschrift te verstrekken van stukken die haar positie in de hoofdzaak zouden kunnen benadelen zolang niet in laatste instantie is beslist weegt daar niet tegenop. De beslissing omtrent de kosten van dit incident zal worden aangehouden tot de uitspraak in de hoofdzaak. De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol van 27 augustus voor memorie van antwoord aan de zijde van EUR.
(i) correspondentie tussen de EUR en derden met betrekking tot de inkoop van meubilair voor de universiteitsbibliotheek, voor, tijdens en na de aanbesteding;
(ii) documenten omtrent de vraag of en zo ja, hoe de opdracht zou worden aanbesteed;

(iii) tenderboardadviezen en andersoortige documenten;

(iv) strategiedocumenten.

Deze stukken zijn onder meer genoemd in randnummer 4 van een verweerschrift van het College van Bestuur van EUR (hierna: het College) van 12 april 2018 naar aanleiding van het bezwaar van FacilitylinQ tegen de weigering van het College om informatie te verstrekken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (productie 35 van FacilitylinQ in eerste aanleg). Uit randnummer 4 van het verweerschrift, in combinatie met de brief van het College van 5 februari 2018 (productie 28 van FacilitylinQ in eerste aanleg), volgt dat het bij de gevraagde afschriften van tenderboardadviezen en andersoortige documenten (nummer (iii) hierboven) en de strategiedocumenten (nummer (iv) hierboven) gaat om bescheiden die betrekking hebben op de onderwerpen “of en zo ja, hoe de opdracht (in het bijzonder met betrekking tot de studietafels en boekenkasten) aanbesteed zou worden” en “de opdracht in het algemeen”.

Rechtmatig belang

- Ten aanzien van de stukken genoemd in rov. 10 onder (a) volgt de relevantie uit de eigen stellingen van (het College van) EUR in het verweerschrift van 12 april 2018. Daarin rechtvaardigt het College de weigering om deze stukken openbaar te maken namelijk met een beroep op haar positie in de onderhavige procedure, die, zo stelt het College, in geval van openbaarmaking onevenredig zou kunnen worden benadeeld. Dat impliceert dat de positie van FacilitylinQ in deze procedure door (volledige) inzage in deze stukken zou kunnen worden versterkt.

- Voor de stukken genoemd in rov. 10 onder (b) geldt hetzelfde. In bijlage 1 bij het verweerschrift van 12 april 2018 is van de desbetreffende correspondentie alleen de datum, het tijdstip van verzending en een korte aanduiding van het onderwerp vermeld. Later heeft het College de aanduiding van het onderwerp nog iets uitgebreid (vgl. bijlage 2 bij de beslissing op bezwaar van het College van 24 juli 2018 (productie 12 van FacilitylinQ in hoger beroep)). Volledige openbaarmaking heeft het College geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid sub g Wob, met als reden dat openbaarmaking van deze stukken de positie van EUR in de onderhavige procedure onevenredig zou kunnen benadelen. Zoals hiervoor overwogen, is daarmee gegeven dat FacilitylinQ belang heeft bij inzage in deze stukken.

- De stukken genoemd in rov. 10 onder (c) bestaan uit de bijlagen bij de e-mails van 1 december 2014, 2 april 2015 en 3 juni 2016. De bijlage bij de e-mail van 1 december 2014 bevat een aanbieding van een marktpartij voor een zogenaamde opstelling van de inrichting van de universiteitsbibliotheek (vgl. de aanduiding van het onderwerp van deze e-mail in productie 12 van FacilitylinQ in hoger beroep). FacilitylinQ is kennelijk van mening dat inzage in deze aanbieding haar standpunt zou kunnen ondersteunen dat het in de aanbesteding uitgevraagde ontwerp naar [naam B.V.] is toegeschreven. Dat kan niet op voorhand worden uitgesloten, zodat FacilitylinQ een rechtmatig belang heeft bij inzage in deze aanbieding. Op de vraag of deze aanbieding valt onder een geheimhoudingsplicht zal het hof hierna ingaan. Ten aanzien van de bijlagen bij de e-mails van 2 april 2015 en 3 juni 2016 geldt dat het College het Wob-verzoek van FacilitylinQ tot openbaarmaking heeft afgewezen met een beroep op artikel 10, tweede lid sub g Wob, met als reden dat openbaarmaking van deze bijlagen zou kunnen leiden tot onevenredige benadeling van EUR in de onderhavige procedure. Voor deze bijlagen geldt dus hetzelfde als hiervoor is overwogen met betrekking tot de stukken genoemd in rov. 10 onder (a): deze weigeringsgrond impliceert een belang van FacilitylinQ bij inzage in deze bescheiden.

Bepaalde bescheiden

Aangaande een rechtsbetrekking

Gewichtige redenen en behoorlijke rechtsbedeling

beslissing

Beslissing in het incident

Het hof:

- veroordeelt EUR om binnen 14 dagen na betekening van dit arrest aan FacilitylinQ afschriften te verstrekken van de hiervoor in rov. 10 genoemde bescheiden, met uitzondering van de inschrijvingen van [naam B.V.] en anderen op de aanbesteding georganiseerd door EUR in 2016 voor de inkoop van meubilair voor de universiteitsbibliotheek, en gunningsinformatie ter zake van deze aanbesteding;

- bepaalt dat, voor zover deze bescheiden financiële bedrijfsgegevens van derden bevatten, EUR de desbetreffende financiële bedrijfsgegevens in het te verstrekken afschrift onleesbaar kan maken; van bescheiden die uitsluitend uit financiële bedrijfsgegevens van derden bestaan, behoeft geen afschrift te worden verstrekt;

- bepaalt dat FacilitylinQ op verzoek van EUR de kosten van het verstrekken van de afschriften aan EUR zal vergoeden;

- verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- verwijst de hoofdzaak naar de rol van 27 augustus 2019 voor memorie van antwoord aan de zijde van EUR;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P. Glazener, H.J.M. Burg en J.W. Frieling en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.