Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1826

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1826, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 2200223318


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:1826:DOC
nl

Rolnummer: 22-002233-18 Parketnummers: 96-209087-17 en 96-262461-16 (TUL)Datum uitspraak: 10 juli 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 21 maart 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren te [plaats] op [dag] 1995,thans zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 juni 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden. Daarnaast is de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 96-262461-16 van drie eerder voorwaardelijk opgelegde geldboetes van elk € 260,00, subsidiair telkens 5 dagen hechtenis, toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, op of omstreeks 7 augustus 2017 te Rotterdam, een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten Cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 32 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 augustus 2017 te Rotterdam, een voertuig, te weten personenauto heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten Cannabis, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 32 microgram THC per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:



overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.


Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft een auto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van cannabis.Door zijn handelwijze heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Met betrekking tot de straftoemeting ter zake van het rijden onder invloed van cannabis in een geval als het onderhavige, waarin louter sprake is van de constatering dat de grenswaarde van die stof, genoemd in artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer is overschreden, acht het hof als uitgangspunt een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden passend en geboden (vgl. arrest Gerechtshof Den Haag, 6 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:921).

In het onderhavige geval zal het hof evenwel, overeenkomstig het verzoek van de raadsvrouw van de verdachte en de vordering van de advocaat-generaal, aan de verdachte in plaats van een geldboete van € 850,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen opleggen, opdat de verdachte deze straf aansluitend op een andere gevangenisstraf, in detentie kan ondergaan.

Het hof acht het voorts in afwijking van voormeld uitgangspunt passend en geboden om een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 6 maanden op te leggen, in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2019 in 2018 onherroepelijk is veroordeeld voor overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-Wet-Brabant, locatie Middelburg van 8 maart 2017, onder parketnummer 96-262461-16, is de verdachte veroordeeld tot drie geldboetes van elk € 260,00, subsidiair telkens 5 dagen hechtenis, telkens met bevel dat die geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de proeftijd met 1 jaar wordt verlengd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijden nog niet waren verstreken. De ingediende vordering tot tenuitvoerlegging is in beginsel gegrond.

Met de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat dat de proeftijd telkens met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van .

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de voor de duur van .

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verlengt de proeftijden als vermeld in het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg van 8 maart 2017, onder parketnummer 96-262461-16, telkens met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2019.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.