Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1825

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1825, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 2200425218


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:1825:DOC
nl

PROMIS

Rolnummer: 22-004252-18 Parketnummers: 96-142027-18, 10-106624-17 (TUL) en 10-710232-15 (TUL)Datum uitspraak: 10 juli 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 19 oktober 2018 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissingen op de vorderingen tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],
geboren te [plaats] op [dag] 1990, [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 juni 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast is de verdachte de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen ontzegd voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. De vorderingen tot tenuitvoerlegging onder de parketnummers 10-106624-17 en 10-710232-15 zijn toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 juni 2018 te Maasdijk, gemeente Westland, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 130 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 1.250,00, subsidiair 25 dagen hechtenis, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verweer

De raadsman heeft, zo begrijpt het hof, beoogd aan te voeren dat dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde omdat in het voorbereidend onderzoek gehandeld is in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens en/of de Wet politiegegevens. Dat verweer is echter niet op een voor het hof kenbare wijze onderbouwd zodat er naar het oordeel van het hof geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop het hof moet reageren. De raadsman heeft verzuimd een pleitnota over te leggen; het kladblaadje dat hij na afloop van de zitting aan de griffier heeft overgelegd voldoet niet aan de minimum eisen om als pleitnota te kunnen worden aangemerkt.Ambtshalve is het hof niet gebleken dat in strijd met enige bepaling van genoemde wetten is gehandeld.Voor zover hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht als verweer dient te worden opgevat, wordt dit verweer verworpen.
Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 juni 2018 te Maasdijk, gemeente Westland, een voertuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten cocaïne, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het gehalte in zijn bloed van de bij die stof vermelde meetbare stof 130 microgram cocaïne per liter bloed bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stof vermelde grenswaarde;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:



overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.


Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft op de Rijksweg A20 te Maasdijk een auto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van cocaïne. Hierdoor heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. De verdachte heeft, verkerende onder invloed van cocaïne, de verkeersveiligheid ook daadwerkelijk in gevaar gebracht door tegen een vrachtauto aan te rijden en zodoende een verkeersongeval te veroorzaken. Dat daarbij geen andere weggebruikers gewond zijn geraakt is geenszins aan de verdachte te danken. Opmerkelijk is voorts dat de verdachte –blijkens een door hem tegenover de politie afgelegde verklaring- ten tijde van het bewezen verklaarde een rijverbod negeerde dat hem was opgelegd naar aanleiding van een op 18 juni 2018 afgenomen bloedonderzoek.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte in 2014 onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk feit en voorts bij andere gelegenheden ter zake van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Met betrekking tot de straftoemeting ter zake van het rijden onder invloed van cocaïne in een geval als het onderhavige, waarbij de in artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeergenoemde grenswaarde is overschreden en sprake is van relevante - uit het Uittreksel Justitiële Documentatie blijkende recidive binnen een periode van vijf jaren - alsmede van gevaarlijk verkeersgedrag, acht het hof als uitgangspunt een geldboete van € 850,00, subsidiair 17 dagen hechtenis, en een volledig onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid langer dan 6 maanden passend en geboden (vgl. arrest Gerechtshof Den Haag, 6 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:921).

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat in het onderhavige geval, alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemend, een geheel onvoorwaardelijke geldboete van € 850,00 in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden een passende en geboden reactie vormt.Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 10-106624-17
Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 12 december 2017 onder parketnummer 10-106624-17 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft in afwijking van de ingediende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging, ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging, een taakstraf zal gelasten voor de duur van 60 uren.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Met de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat er termen aanwezig zijn om, in plaats van de tenuitvoerlegging, een taakstraf voor de duur van 60 uren te gelasten.

Vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 10-710232-15

Bij vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 4 december 2015 onder parketnummer 10-710232-15 is de verdachte –voor zover hier van belang - veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft in afwijking van de ingediende schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging, ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging, een taakstraf zal gelasten voor de duur van 180 uren.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het Openbaar Ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Met de advocaat-generaal is het hof evenwel van oordeel dat er termen aanwezig zijn om in plaats van de tenuitvoerlegging, een taakstraf voor de duur van 180 uren te gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een van , bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door .

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de voor de duur van .

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 12 december 2017 met voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand, een voor de duur van , bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door .

Gelast in plaats van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank Rotterdam, locatie Dordrecht, van 4 december 2015 met voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden, een voor de duur van , bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door .

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2019.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.