Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1823

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 09-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 10-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1823, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 2200069818


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:1823:DOC
nl

Rolnummer: 22-000698-18 Parketnummer: 09-229273-17 Datum uitspraak: 10 juli 2019TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 17 januari 2018 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]
geboren te [plaats] op [dag] 1990, [adres].
Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof op 26 juni 2019.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00, subsidiair 20 dagen hechtenis, en met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest. Ter zake van het onder 2 ten laste gelegde is de verdachte veroordeeld tot een geldboete van € 550,00, subsidiair 11 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, met een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest en dat de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 10 uren, subsidiair 5 dagen hechtenis.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

1.hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Leiden een voertuig (te weten auto) heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en/of alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, in combinatie met een andere van deze aangewezen stoffen, te weten ethanol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en/of alcohol 1,1 microgram THC per liter bloed en 0,79 milligram ethanol per liter bloed bedroeg, in elk geval (telkens) zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en/of alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
2.hij op of omstreeks 04 oktober 2017 te Leiden als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de (route van) weg(en), de Pelikaanstraat en/of de Hooigracht en/of de Sint Jorissteeg en/of de Oranjeboomstraat en/of de Herenstraat, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft/is (op bovengenoemde route) (meerdere malen): - een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak of die kennelijk op het punt stond over te steken, niet laten voorgaan en/of (vervolgens/daarbij) - met een (veel) (te) hoge snelheid kruising(en) en/of voetgangersoversteekplaats(en) genaderd en/of opgereden en/of (vervolgens/daarbij) - gereden met een gelet op de verkeerssituatie en/of verkeersveiligheid ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of (vervolgens/daarbij)- onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een (taxi)busje over een verlaagd middenstuk ingehaald, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
1.hij op 04 oktober 2017 te Leiden een voertuig (te weten auto) heeft bestuurd, na gebruik van een in artikel 2, van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stof en alcohol als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten THC, in combinatie met een andere van deze aangewezen stoffen, te weten ethanol, terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94 het gehalte in zijn bloed bij iedere aangewezen stof en alcohol bedroeg, zijnde hoger dan de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die aangewezen stoffen en alcohol afzonderlijk vermelde grenswaarde;
2.hij op 04 oktober 2017 te Leiden als bestuurder van een voertuig (auto), daarmee rijdende op de (route van) wegen, de Pelikaanstraat ende Hooigracht en de Sint Jorissteeg en de Oranjeboomstraat en de Herenstraat, als volgt heeft gehandeld: hij, verdachte, heeft (op bovengenoemde route) : - een voetganger, die op een voetgangersoversteekplaats overstak , niet laten voorgaan en (vervolgens) - met een veelte hoge snelheid kruisingen en voetgangersoversteekplaatsen genaderd en opgereden en (vervolgens) - gereden met een gelet op de verkeerssituatie enverkeersveiligheid ter plaatse veel te hoge snelheid en (daarbij)- onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een taxibusje over een verlaagd middenstuk ingehaald, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, en het verkeer op die weg werd gehinderd;
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.


Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.De verdachte heeft in de binnenstad van Leiden een auto bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van alcohol en cannabis.Door zijn handelwijze heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer miskend en heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht. De daarmee samenhangende aantasting van de verkeersveiligheid heeft de verdachte temeer vergroot door, onder invloed van alcohol en cannabis, zich als bestuurder zo te gedragen dat gevaar op de weg werd veroorzaakt en het verkeer op de weg werd gehinderd, zoals in de bewezenverklaring nader omschreven.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2019, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Met betrekking tot de straftoemeting ter zake van het rijden onder invloed van alcohol en cannabis in een geval als het onderhavige, waarin sprake is van een overschrijding van de grenswaarde van die stoffen, genoemd in artikel 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer alsmede van gevaarlijk verkeersgedrag, acht het hof als uitgangspunt een taakstraf voor de duur van 40 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden een passende en geboden reactie (vgl. arrest Gerechtshof Den Haag, 6 mei 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:924).

Ten voordele van de verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de verdachte zich na het begaan van de onderhavige feiten uit eigen beweging heeft gewend tot een professionele behandelaar om van zijn druggebruik af te geraken en dat dit op zijn minst enig succes heeft gehad.

Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat twee onvoorwaardelijke taakstraffen van na te melden duur in combinatie met een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs ingevorderd is geweest, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, een passende en geboden reactie vormt. Voor een deels voorwaardelijke taakstraf, zoals bepleit, acht het hof de feiten te ernstig.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 8, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de voor de duur van .

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

Veroordeelt de verdachte tot een voor de duur van , indien niet naar behoren verricht te vervangen door .

Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk, mr. H.P.Ch. van Dijk en mr. H.M.D. de Jong, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2019.Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.