Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1807

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 04-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 16-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1807, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.231.487/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG arrest van 16 juli 2019 (bij vervroeging) [appellant] , [geïntimeerde] ,
Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.231.487/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/514627/ HA ZA 16-1292

inzake

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. P.C. Schouten te Breda,
tegen

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J. Looman te Wassenaar.

ECLI:NL:GHDHA:2019:1807:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG arrest van 16 juli 2019 (bij vervroeging) [appellant] , [geïntimeerde] ,
Afdeling Civiel recht
Zaaknummer : 200.231.487/01

Zaaknummer rechtbank : C/10/514627/ HA ZA 16-1292

inzake

wonende te [woonplaats] ,appellant,hierna te noemen: [appellant] ,advocaat: mr. P.C. Schouten te Breda,
tegen

wonende te [woonplaats] ,geïntimeerde,hierna te noemen: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. J. Looman te Wassenaar.
procesverloop

Het verdere procesverloop in hoger beroep

1. Voor een beschrijving van het procesverloop tot 12 maart 2019 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. Vervolgens heeft [appellant] een “akte uitlaten conform arrest d.d. 12 maart 2019” bij het hof ingediend en [geïntimeerde] een antwoordakte.

overwegingen

De verdere beoordeling van het hoger beroep

2. Het hof heeft [appellant] bij tussenarrest toegelaten zich uit te laten over de hoogte van de door hem als gevolg van de onrechtmatige uitlatingen geleden schade.
3. [appellant] heeft in zijn akte de volgende schadeposten benoemd:
4. [geïntimeerde] heeft in zijn antwoordakte betoogd dat geen sprake is geweest van onrechtmatige uitlatingen. Over de onrechtmatigheid heeft het hof al een oordeel geveld in het tussenarrest. Het hof blijft daarbij en zal de stellingen van [geïntimeerde] op dit punt verder onbesproken laten.
5. Ten aanzien van de opgevoerde schadeposten oordeelt het hof als volgt.
6. De reiskosten die [appellant] stelt te hebben gemaakt om zijn advocaat en de zitting van het hof te bezoeken komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat zij niet vallen onder één van de in artikel 6:96 lid 2 onder a t/m c BW genoemde categorieën.
7. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn onvoldoende onderbouwd en zullen worden afgewezen. Onder de in artikel 241 Rv genoemde verrichtingen, waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt, valt onder meer al hetgeen de advocaat moet doen om zich een beeld te vormen van de zaak, alsmede de juridische analyse van de feiten (inclusief bestudering van literatuur en jurisprudentie), de daarop eventueel te baseren rechtsvordering, het concipiëren van de dagvaarding en de selectie van de daarbij over te leggen bewijsstukken. Uit de door [appellant] overgelegde declaratie blijkt dat de door de advocaat in rekening gebrachte kosten vallen onder deze in artikel 241 Rv genoemde verrichtingen. Dat ook tijd gemoeid is geweest met een poging om een minnelijke regeling te bereiken blijkt niet uit de overgelegde declaratie, noch zijn daar overigens aanwijzingen voor.
8. Dan resteert de gevorderde immateriële schadevergoeding in verband met de onrechtmatige uitlatingen. Het hof heeft in rov. 3 van het tussenarrest geoordeeld dat [appellant] op grond van artikel 6:106 lid 1 onder b BW recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding omdat hij in zijn eer en goede naam is geschaad. Het hof ziet, anders dan [appellant] , geen aanleiding om daarbij onderscheid te maken tussen de verschillende uitlatingen, maar beoordeelt de in de Argos-uitzending gedane uitlatingen als één geheel. [appellant] is in zijn akte beknopt en enkel in algemene zin ingegaan op de gevolgen die de uitzending voor hem heeft gehad. Dat sprake is geweest van ernstige gevolgen kan het hof op basis daarvan niet vaststellen. Naar het oordeel van het hof gaat het hier om onrechtmatige uitlatingen die, voor zover zij aan [geïntimeerde] kunnen worden toegeschreven, hebben geleid tot een beperkte aantasting van de eer en goede naam van [appellant] , namelijk alleen in de kring van de personen die hem zo goed kennen dat ze hem uit de beschrijving die in de uitzending van Argos is gegeven kunnen herkennen. Bovendien was de aan [geïntimeerde] toe te rekenen aantasting beperkt van duur, namelijk alleen gedurende het moment van de uitzending. [geïntimeerde] kan, zoals ook in het tussenarrest is overwogen, niet verantwoordelijk worden gehouden voor andere publicaties of de omschrijving op de website van Argos. Bij het voorgaande past, ook rekening houdende met hetgeen in vergelijkbare gevallen wordt toegewezen, niet het gevorderde bedrag van in totaal € 10.000,=. Het geheel overziende acht het hof een immateriële schadevergoeding van € 2.000,= billijk. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar vanaf de datum van de uitzending, te weten [datum] 2011.
9. De gevorderde verklaring voor recht is eveneens toewijsbaar, aldus dat voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door in de uitzending van Argos van [datum] 2011 [appellant] te beschuldigen van het doen van (een poging tot) afpersing alsmede door mede te delen dat [appellant] een bekende afperser is. Bij hetgeen overigens in de inleidende dagvaarding is gevorderd bestaat bij deze stand van zaken geen belang, zodat het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
10. Bij deze uitkomst past dat [geïntimeerde] alsnog wordt veroordeeld in de kosten van de procedure bij de eerste rechter. De in hoger beroep door [appellant] ingestelde vordering tot terugbetaling van de proceskostenveroordeling van de eerste aanleg is door [geïntimeerde] niet bestreden en zal eveneens worden toegewezen.
11. Als de in het hoger beroep overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [geïntimeerde] tot slot worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
- reiskosten, te weten vier keer een bezoek aan zijn advocaat en één keer bezoek aan het hof, in totaal een bedrag van € 53,46;- buitengerechtelijke kosten van € 665,50;- immateriële schade van € 5.000 voor de uitlating dat hij een tip zou hebben gegeven aan de AIVD;- immateriële schade van € 5.000 voor de beschuldiging dat hij derden zou chanteren.
beslissing

Beslissing

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 november 2017,
- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Het hof:

en :

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A. Schreuder, M.M. Olthof en B.R ter Haar en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.

-

verklaart voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door in de uitzending van Argos van [datum] 2011 [appellant] te beschuldigen van het doen van (een poging tot) afpersing en mede te delen dat [appellant] een bekende afperser is;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 2.000,= met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] 2011 tot de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders in de inleidende dagvaarding gevorderde;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in eerste aanleg, aan de zijde van [appellant] tot op 15 november 2017 begroot op € 98,13 en € 98,15 aan explootkosten, € 285,= aan griffierecht en € 904,= aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

-

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van de bedragen die [appellant] heeft betaald ter voldoening aan het vonnis van de eerste aanleg, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van betaling van deze bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [appellant] tot op heden begroot op € 99,91 aan explootkosten, € 318,= aan griffierecht en € 3.222,= aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd is vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;