Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1806

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 03-07-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 16-07-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1806, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200254711/01


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHDHA:2019:1806:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel rechtZaaknummer : 200.254.711/01Zaaknummer rechtbank : C/10/551359 / HA RK 18-566
Besschikking van 16 juli 2019
inzake

Stichting Karmedia,
gevestigd te Rotterdam, verzoekster,hierna te noemen: Karmediaadvocaat: mr. J.M.L.G. de Jong te Rotterdam,
tegen

Gemeente Rotterdam,
zetelend te Rotterdam,verweerster,hierna te noemen: de Gemeenteadvocaat: mr. W.I. Wisman te Den Haag.
Het geding

1. Bij beroepschrift van 13 februari 2019, binnengekomen bij het hof op 15 februari 2019, heeft Karmedia hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2018. In haar beroepschrift heeft Karmedia vijf grieven aangevoerd tegen de beschikking. De Gemeente heeft de grieven bij verweerschrift bestreden. Partijen hebben de zaak op 9 mei 2019 laten bepleiten door hun advocaten, die daarbij gebruik hebben gemaakt van aan het hof overgelegde pleitnotities. Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd uitspraak te doen.

Beoordeling van het verzoek

2. Het hof gaat uit van de volgende feiten: a. Karmedia is een stichting die onder meer ten doel heeft het doen van onderzoek naar onrechtmatige overheidshandelingen, het controleren van de naleving van het staatssteunverbod en het bevorderen van eerlijke concurrentie tussen bedrijven.
3. Bij verzoekschrift van 23 mei 2018 heeft Karmedia de rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te bevelen teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de feitelijke toedracht van de realisatie van de Markthal. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek afgewezen en Karmedia in de kosten veroordeeld. De rechtbank heeft geoordeeld dat het met het oog op een efficiënte procesvoering voor de hand ligt eerst de beslissing op de incidentele vordering van Karmedia op grond van artikel 843a Rv af te wachten. Vervolgens is het volgens de rechtbank aan de bodemrechter om te bepalen of er aanleiding is voor nader feitenonderzoek door middel van het horen van getuigen. Zolang nog niet op de incidentele vordering is beslist, acht de rechtbank het verzoek van Karmedia prematuur en in strijd met de goede procesorde.
4. In hoger beroep verzoekt Karmedia de beschikking van de rechtbank te vernietigen en haar verzoek alsnog toe te wijzen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
5. De grieven van Karmedia laten zich als volgt samenvatten. is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat Karmedia eerst de beslissing op de incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv af moet wachten. Volgens Karmedia is dit oordeel strijdig met het uitgangspunt dat een voorlopig getuigenverhoor ertoe dient de verzoeker in staat te stellen in een zo vroeg mogelijk stadium te beoordelen of het instellen dan wel doorzetten van een vordering zinvol is. Met komt Karmedia op tegen het oordeel van de rechtbank dat het aan de bodemrechter is om te beoordelen of er aanleiding is voor nader feitenonderzoek door middel van het horen van getuigen. Volgens Karmedia wil zij met een voorlopig getuigenverhoor juist meer duidelijkheid krijgen over haar bewijspositie om haar positie in een bodemprocedure te kunnen beoordelen. Bovendien bestaat een gerede kans dat de bodemprocedure enkele jaren zal duren. Om te voorkomen dat bewijs verloren gaat heeft Karmedia er belang bij dat nu getuigen worden gehoord, aldus Karmedia. Met betoogt Karmedia dat de rechtbank heeft miskend dat bij de beoordeling van een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor niet de toewijsbaarheid van de beoogde vordering ter toetsing voorligt. is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de stukken die Karmedia met haar vordering op grond van artikel 843a Rv in bezit wil krijgen, (gedeeltelijk) verband houden met onderwerpen waarover Karmedia getuigen wil doen horen. Karmedia wijst erop dat zij juist opheldering wil over feiten die niet schriftelijk zijn vastgelegd.
6. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor slechts kan worden afgewezen op de grond dat van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel misbruik wordt gemaakt (artikel 3:13 BW), op de grond dat het verzoek strijdig is met een goede procesorde, en op de grond dat het verzoek afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar. Verder bestaat geen bevoegdheid tot het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor indien de verzoeker bij toewijzing daarvan onvoldoende belang heeft (artikel 3:303 BW; zie ook het arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6809, r.o. 3.2.2 (Frog/Floriade)).
7. De Gemeente heeft onder meer als verweer gevoerd dat Karmedia geen belang heeft bij het voorlopig getuigenverhoor omdat zij geen zicht heeft op een succesvolle vordering in de bodemprocedure. Karmedia vertegenwoordigt immers niet de belangen van partijen die (concurrentie)nadeel ondervinden van de vermeende steunverlening, zodat de volgens haar geschonden norm (het staatssteunverbod) niet strekt tot de bescherming van belangen waar zij voor opkomt, aldus de Gemeente. Dit verweer zal het hof als eerste onderzoeken.
8. Artikel 107 VWEU verbiedt steunmaatregelen van de lidstaten die de mededinging vervalsen en de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Op de naleving van artikel 107 VWEU wordt toegezien door de Europese Commissie en de nationale rechter, die daarbij verschillende, elkaar aanvullende taken vervullen. De beoordeling van de verenigbaarheid van steunmaatregelen met de interne markt behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Europese Commissie, terwijl de nationale rechter toeziet op de naleving van de verplichting ingevolge artikel 108, derde lid VWEU om een voorgenomen steunmaatregel niet uit te voeren voordat zij bij de Europese Commissie is aangemeld en door haar is goedgekeurd (arrest van het Hof van Justitie van 5 oktober 2006 in zaak C-368/04, Transalpine Ölleitung (ECLI:EU:C:2006:644)).
9. Zoals het Hof van Justitie heeft overwogen in zijn arrest van 13 januari 2005 in zaak C-174/02, Streekgewest Westelijk Noord-Brabant (ECLI:EU:C:2005:10), kunnen justitiabelen er belang bij hebben zich voor de nationale rechter te beroepen op de opschortingsverplichting van artikel 108, derde lid VWEU als zij worden geraakt door de concurrentievervalsing die het gevolg is van de steunmaatregel of als zij aan een heffing zijn onderworpen waarmee de steunmaatregel wordt gefinancierd. Daarnaast kunnen beroepsorganisaties van deze partijen bij de nationale rechter een beroep doen op artikel 108, derde lid VWEU (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 2 april 1998 in zaak C-367/95P, Commissie/Sytraval en Brink’s France, ECLI:EU:C:1998:154).
10. Karmedia stelt dat zij getuigen wil horen om bewijs te verzamelen van onrechtmatige staatssteun toegekend door de Gemeente, teneinde haar standpunt in de bodemprocedure nader te bepalen en te onderbouwen. Karmedia is zelf echter geen concurrent van de ontvanger van de vermeende steun, en betaalt geen heffingen waarmee de steun wordt gefinancierd. Zij is ook geen beroepsorganisatie van dergelijke partijen. Zij heeft haar vorderingen in de bodemprocedure ingesteld op grond van artikel 3:305a BW. Op grond van deze bepaling kan Karmedia een vordering instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voorzover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Het hof sluit niet uit dat een stichting als bedoeld in artikel 3:305a BW een beroep kan doen op de opschortingsverplichting van artikel 108, derde lid VWEU. Daarvoor is dan wel nodig dat een dergelijke stichting ingevolge haar statuten de belangen bundelt van personen wier belangen volgens de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie door artikel 108, derde lid VWEU worden beschermd en die zich bij de nationale rechter kunnen beroepen op deze bepaling. Anders zou via de weg van artikel 3:305a BW de rechtsbescherming van artikel 108, derde lid VWEU kunnen worden uitgebreid tot personen die niet behoren tot de kring van justitiabelen die deze bepaling beoogt te beschermen.
11. Karmedia stelt zich op als behartiger van het algemeen belang, onder verwijzing naar haar statutaire doelstelling bestaande uit - voor zover hier relevant - het bevorderen van eerlijke concurrentie tussen bedrijven, het controleren van de naleving van het staatssteunverbod en het onderzoeken van onrechtmatige overheidshandelingen. Volgens haar heeft de nationale rechter tot taak om ingezetenen van het land te beschermen tegen (de gevolgen van) het verstrekken van onrechtmatig verleende staatssteun. Karmedia richt zich dus op de behartiging van belangen die de reikwijdte van de rechtsbescherming ingevolge artikel 108, derde lid VWEU ver te buiten gaan. Daarmee staat vast dat Karmedia op deze rechtsbescherming geen beroep kan doen.
12. Karmedia heeft in dit verband nog verwezen naar het optreden van de Europese Commissie tegen de toekenning van vermeende staatssteun in het kader van het project Leidschendam Centrum. De Europese Commissie trad op in die zaak naar aanleiding van een klacht van Stichting Behoud Damplein Leidschendam, die was opgericht om de belangen van de buurtbewoners van het Damplein te verdedigen. Daaruit leidt Karmedia af dat op grond van de staatssteunregels ook voor de belangen van anderen dan concurrenten van de steunontvangende onderneming kan worden opgekomen. Het feit dat de Europese Commissie naar aanleiding van een klacht van deze Stichting heeft opgetreden zegt echter niets over de reikwijdte van de rechtsbescherming ingevolge artikel 108, derde lid VWEU in een procedure bij de nationale rechter.
13. Uit het voorgaande volgt dat het verweer van de Gemeente dat Karmedia geen belang heeft bij het voorlopig getuigenverhoor omdat zij geen zicht heeft op een succesvolle vordering in de bodemprocedure, doel treft. De bestreden beschikking zal dus worden bekrachtigd, zij het op andere gronden. Karmedia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.
Karmedia heeft onderzoek gedaan naar overeenkomsten tussen de Gemeente en Provastgoed Nederland B.V. met betrekking tot de ontwikkeling van de Markthal te Rotterdam. Karmedia heeft verschillende verzoeken op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) ingediend bij de Gemeente in verband met de ontwikkeling van de Markthal. Naar aanleiding van die verzoeken heeft de Gemeente een aantal stukken aan Karmedia verstrekt. Bij dagvaarding van 19 juli 2018 heeft Karmedia een bodemprocedure aanhangig gemaakt tegen de Gemeente bij de rechtbank Rotterdam, waarin zij onder meer een verklaring voor recht vordert dat in het kader van overeenkomsten met betrekking tot de ontwikkeling van de Markthal sprake is van een of meer onrechtmatige steunmaatregelen in de zin van artikel 107 VWEU. In de dagvaarding heeft Karmedia ook een incidentele vordering op grond van artikel 843a Rv opgenomen, tot inzage van een aantal stukken.
beslissing

Beslissing
Het hof: bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2018;
 veroordeelt Karmedia in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente begroot op € 741,- aan verschotten en € 3.222,- aan salaris advocaat;
 verklaart deze beschikking wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gewezen door mrs. P. Glazener, E.M. Dousma-Valk en H.C. Grootveld en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juli 2019 in aanwezigheid van de griffier.