Uitspraak ECLI:NL:GHDHA:2019:1121

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 13-05-2019. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Den Haag op 21-05-2019, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHDHA:2019:1121, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.226.987/01 en 200.220.968/01


Bron: Rechtspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers : 200.226.987/01 en 200.220.968/01

Zaaknummers rechtbank : 5593087 RL EXPL 16-34396 en 5522742 RL EXPL 16-31652

arrest van 21 mei 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,appellante,hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. R.P. Kuijper te Amstelveen,
tegen

de stichting STICHTING ONDERSTEUNING TWEEDE KAMERFRACTIE PARTIJ VOOR DE VRIJHEID (PVV),

gevestigd te Den Haag,geïntimeerde,hierna te noemen: de PVV,advocaat: mr. N.T. Dempsey te Amsterdam.

ECLI:NL:GHDHA:2019:1121:DOC
nl

GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling Civiel recht
Zaaknummers : 200.226.987/01 en 200.220.968/01

Zaaknummers rechtbank : 5593087 RL EXPL 16-34396 en 5522742 RL EXPL 16-31652

arrest van 21 mei 2019

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,appellante,hierna te noemen: [appellante] , advocaat: mr. R.P. Kuijper te Amstelveen,
tegen

de stichting STICHTING ONDERSTEUNING TWEEDE KAMERFRACTIE PARTIJ VOOR DE VRIJHEID (PVV),

gevestigd te Den Haag,geïntimeerde,hierna te noemen: de PVV,advocaat: mr. N.T. Dempsey te Amsterdam.
1

1.1
Het gaat in dit arrest om hoger beroep tegen twee vonnissen van de rechtbank Den Haag, sector kanton, van respectievelijk 20 april en 2 augustus 2017. In de zaak met nummer 200.220.968/01 (inzake de hoogte van het loon bij ziekte, vonnis van 20 april 2017) is op 19 september 2017 een tussenarrest gewezen waarin een comparitie van partijen is gelast. De comparitie heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2017. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Op deze comparitie is met partijen afgesproken dat er een (informele) rolvoeging/gevoegde behandeling zou plaatsvinden met de zaak met nummer 200.226.987/01 (inzake de overuren, vonnis van 2 augustus 2017).
1.2
Bij memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis, met producties, heeft [appellante] drie grieven aangevoerd tegen het vonnis inzake de hoogte van het loon bij ziekte en twee grieven tegen het vonnis inzake de overuren. Bij memorie van antwoord, eveneens met producties, heeft de PVV de grieven bestreden. Op 4 januari, 6 en 15 februari 2019 heeft [appellante] aanvullende producties in het geding gebracht.
1.3
Vervolgens hebben partijen op 18 februari 2019 de zaak doen bepleiten, beiden aan de hand van overgelegde pleitnotities. Bij deze gelegenheid heeft ook de mondelinge behandeling plaatsgevonden van het hoger beroep tegen de beschikking in de ontbindingsprocedure (zaaknummer 200.246.580/01). In die zaak wordt eveneens vandaag uitspraak gedaan.
1.4
Na de zitting is de zaak enkele weken aangehouden om te bezien of partijen een regeling in der minne konden bereiken. Partijen hebben het hof vervolgens verzocht om uitspraak te doen.
2

2.1
De door de kantonrechter in de bestreden vonnissen vastgestelde feiten zijn als zodanig niet in geschil. Met inachtneming van deze feitenvaststelling en van hetgeen voorts in hoger beroep als niet voldoende gemotiveerd bestreden is komen vast te staan, gaat het in deze zaak om het volgende.
2.2
[appellante] , geboren op [geboortedatum] , is op 31 oktober 2011 in dienst getreden bij de PVV, sinds 1 mei 2013 als [functie] voor 40 uur per week. Laatstelijk was zij werkzaam tegen een salaris van € 5.000,- bruto exclusief 8% vakantietoeslag per maand en in de maand november een gratificatie gelijk aan het in november verdiende maandsalaris. Zij was verantwoordelijk voor [werkzaamheden] van de Kamerleden van de PVV.
2.3
Artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst bepaalt:
2.4
Artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt: “
2.5
In artikel 5 van de arbeidsovereenkomst is het volgende opgenomen:
“5.1. [appellante] behoudt bij ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid als bedoeld in artikel 7:629 lid 1 Burgerlijk Wetboek, recht op 70% van het in artikel 4.1 van deze overeenkomst bedoelde salaris, gedurende een tijdvak tot maximaal einde contractsdatum.

5.2.
De onkostenvergoedingen eindigen, zodra [appellante] door arbeidsongeschiktheid, non-activiteit of anderszins gedurende 1 maand haar functies c.q. werkzaamheden niet meer vervult.

5.3.
[appellante] is in geval van arbeidsongeschiktheid gehouden de Stichting daarvan onmiddellijk op de hoogte te stellen en de door of namens de Stichting vastgestelde controlevoorschriften stipt na te komen en zich zo dikwijls als de Stichting dit nodig oordeelt te onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek door een geneeskundige, daartoe aangewezen door of namens de Stichting of diens arbodienst.”

2.6
Ten tijde van de indiensttreding van [appellante] gold geen piketregeling. Deze is enige tijd later op verzoek van [appellante] ingevoerd. De avond- en weekendpiketten werden aanvankelijk beurtelings door [appellante] en haar collega ingevuld. De afspraken hierover zijn in een mail van [X] , [functie] van de PVV (hierna ‘ [X] ’), van 7 december 2011 vastgelegd. Het doordeweekse piket was van 17.30 tot 23.00 uur. In het weekend en op feestdagen was het piket van 9.00 tot 23.00 uur.
2.7
In het Personeelshandboek Versie 2.1 uit november 2012 van de PVV is onder 3.2 de volgende piketregeling opgenomen:
“(…) Voor de medewerkers van de afdeling Voorlichting geldt verder dat zij om toerbeurt ook in de weekenden piketdiensten zullen draaien. Deze piketdiensten zijn reeds gecompenseerd in het salaris.”

2.8
[appellante] heeft zich op 31 januari 2014 ziek gemeld. Na het volgen van een re-integratietraject is zij per 1 oktober 2014 volledig hersteld. Gedurende deze periode werd het loon van [appellante] volledig doorbetaald.
2.9
In de probleemanalyse en advies van de bedrijfsarts van 3 maart 2014 staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) overbelasting heeft zeker een rol gespeeld (…) Zodra mevrouw weer aan het werk is, zal er gewaakt moeten worden over overbelasting. Dat is een taak voor zowel [appellante] , als voor haar werkgever. (…)”

2.10
In een mail van 3 maart 2014 schrijft de bedrijfsarts aan [X] , voor zover van belang, het volgende:
“(…) Als mevrouw op 31 maart aan de slag gaat, is een Plan van Aanpak eigenlijk niet meer nodig. Omdat ik denk dat het goed is als u beiden een keer met elkaar doorspreekt hoe hernieuwde uitval te voorkómen, kan het formulier PvA daar een handig hulpmiddel bij zijn. Wat kunt u bijdragen (bij voorbeeld ondersteuning, bepaalde taken delegeren aan iemand anders, enz.) en wat kan [appellante] zelf inbrengen (bij voorbeeld goed werk afleveren in plaats van perfect werk)?”

2.11
Uit een Rapportage intake bedrijfsmaatschappelijk werk van 6 mei 2014 blijkt dat een intake gesprek heeft plaatsgevonden en dat [appellante] werk gerelateerde spanningsklachten ervaart. Bedrijfsmaatschappelijk werk zal [appellante] gedurende de vijf vervolgconsulten ondersteunen/coachen naar de (her)nieuw(d)e balans tussen belasting en belastbaarheid en het omgaan met factoren die spanning/stress veroorzaken.
2.12
In een brief van 29 september 2014 schrijft de PVV aan [appellante] (en aan de andere werknemers) dat de bepalingen met betrekking tot het doorbetalen van salaris en onkostenvergoedingen tot dat moment niet werden gehandhaafd, met als gevolg dat het loon en in veel gevallen ook de onkostenvergoeding voor 100% werden doorbetaald. Vanaf 1 november 2014 zullen de bepalingen in de arbeidsovereenkomst wel worden gehandhaafd, met dien verstande dat artikel 5.1 (70% loon) na een maand arbeidsongeschiktheid zal worden toegepast. De eerste maand is er recht op 100% van het salaris.
2.13
Vanaf oktober 2014 heeft [appellante] op verzoek van haar toenmalige collega ( [de collega] , hierna ‘ [de collega] ’) zijn weekendpiketdiensten overgenomen in verband met zijn lijsttrekkerschap voor de Provinciale Staten in […] . Zij had toen gedurende alle weekenden piketdienst. Vanaf medio februari 2015 heeft [appellante] ook de avondpiketten van [de collega] overgenomen, zodat zij ook op alle weekdagen ’s avonds piketdienst had. Dit heeft zij gedaan tot haar uitval wegens arbeidsongeschiktheid op 18 juni 2016.
2.14
In een e-mail van 23 maart 2015 schrijft [appellante] aan [de collega] , voor zover van belang: In een hieropvolgend gesprek heeft [de collega] geweigerd zijn deel van de piketdiensten weer over te nemen van [appellante] .
2.15
In een e-mail van 15 juni 2015 doet [appellante] een financieel voorstel aan de PVV voor een vergoeding van de (extra) piketdiensten, in de vorm van een toeslag van 20,6% bovenop haar loon. Hierin schrijft [appellante] aan [X] , voor zover van belang: Bij e-mail van 22 juni 2015 heeft [X] hierop afwijzend gereageerd.
2.16
In een e-mail van 1 september 2015 schrijft [appellante] , naar aanleiding van een gesprek dat eerder die dag had plaatsgevonden, aan [X] , voor zover van belang:
“(…) Naar aanleiding van ons gesprek daarnet constateer ik:

-

dat ik geacht word de dubbele piketten (*), zijnde elke avond en elk weekend piket, dag in dag uit, te blijven voortzetten, zijnde een effectieve verdubbeling van het reeds bestaande structurele overwerk (structureel overwerk dat oorspronkelijk een week met piket, een week zonder piket inhield).

dat mij geweigerd wordt om het oorspronkelijke overwerk, zijnde één week met piket, één week zonder piket, in een roterend systeem met [de collega] , opnieuw in te voeren – ook al heeft [de collega] 1 Kamerlid en ik 11.

dat ik dien te accepteren dat al deze uren zonder enige vorm van gevraagde compensatie en/of andere tegemoetkoming dienen te worden volbracht – nochtans was dit mijn uitdrukkelijke voorwaarde om extra piketten erbij te nemen.

dat deze verdubbeling van het aantal overuren in de vorm van piketten inherent zou zijn aan het bestaande arbeidscontract en conform de Nederlandse wetgeving.

dat, als ik weiger om deze dubbele piketten te blijven volbrengen, ‘er problemen zullen van komen’, dat je me ‘dat wel kunt verzekeren’.

dat er op geen enkele manier tegemoet wordt gekomen aan mijn uitdrukkelijke verzoek om een billijke compensatie en/of andere tegemoetkoming – sporadische waarneming door [de collega] kan door mij geenszins onder die noemer worden aanvaard aangezien sporadische vervanging ingeval verhindering altijd al het geval is geweest.

dat mij uitdrukkelijk werd gevraagd of ik hier nog wel graag werk.

Ik geef hierbij nogmaals aan dat ik mij niet akkoord kan verklaren met deze opgedrongen situatie, dat dit een ernstige hypothekering van mijn levenskwaliteit en dus gezondheid betekent, en dat ik mij onder druk gezet voel om al deze overuren gratis te presteren (…)”

2.17
Op deze e-mail heeft [X] diezelfde dag per e-mail als volgt gereageerd:
“Beste [appellante]

Het werk van de [functie] is niet beperkt tussen 9.00 en 17.30 uur, zoals jij als geen ander weet. Buiten deze kantooruren kan er aanleiding zijn om een taak uit te voeren. Het nieuws gaat 24/7 door. Daarom hebben wij ook contractueel vastgelegd (en beiden ondertekend) dat je ook verplicht bent buiten de vastgestelde werktijden overwerk te verrichten, zo dikwijls de Stichting dit nodig oordeelt (art 1.4 arbeidsovereenkomst). Voorts is in het salaris een vergoeding voor eventueel overwerk begrepen (4.3). Overigens hecht ik eraan je nogmaals te zeggen dat de tijd waarin je kunt worden opgeroepen, maar geen werkzaamheden verricht, niet als werktijd geldt.

Toch is de [functie] van de fractievoorzitter bereid om incidenteel waar te nemen, in die gevallen waar jij andere verplichtingen hebt, die niet kunnen wijken. Andersom neem jij ook waar voor de [functie] van de fractievoorzitter als deze met vakantie gaat. Dergelijke situaties hebben zich al enkele keren voorgedaan en daarover zijn altijd goed afspraken te maken. De [functie] van de fractievoorzitter kan echter niet structureel worden ingezet in een piketdienst. Hij dient, net zoals jij, altijd beschikbaar te zijn voor zijn functioneel leidinggevende(n). Zoals ik je al eerder heb aangegeven zal het weer mogelijk zijn om piketdiensten in te voeren, zodra de fractie groter is en een tweede [functie] voor de Leden is aangenomen en ingewerkt.

Tenslotte hebben we gesproken over een optimale verdeling van werkzaamheden tussen jou en de beleidsmedewerkers. Ook zij dienen het nieuws te volgen en hun Lid/Leden te informeren over relevante nieuwsfeiten. Je gaf aan dat je hier veel tijd in steekt, ook na de gebruikelijke werktijden. Een betere verdeling draagt ongetwijfeld bij aan meer balans. Ik ben graag bereid om hierbij te helpen en laat het initiatief hiertoe bij jou. Ik ben blij te horen dat je graag in en voor de fractie werkt en ga ervan uit dat het inspringen door jouw collega én een optimale verdeling van werkzaamheden hieraan verder bijdragen.

Altijd tot verder overleg bereid,

Groet, [X] ”

2.18
In een e-mail van 18 september 2015 aan [X] maakt [appellante] nogmaals aanspraak op vergoeding van de dubbele piketdiensten. Zij schrijft verder onder meer het volgende:
“(…) Sinds januari van dit jaar tot en met heden sta ik er, ten aanzien van het piket voor de fractie, ’s avonds en in het weekend alleen voor. Ik heb dit gedaan omdat mij voorgespiegeld was dat deze situatie tijdelijk zou zijn, namelijk van januari tot maart (…) De huidige situatie – dag in dag uit, tijdens werkdagen én weekenddagen – piket hebben is tijdelijk werkbaar maar niet structureel.

Ik roep in dit verband in herinnering dat ik, door werkoverbelasting, in 2014 zes maanden uit de running ben geweest (…)

Om te voorkomen dat ik permanent structureel blijf overwerken doordat een tijdelijke situatie tot een permanente situatie is verworden, en aangezien de reden die aanleiding gaf tot deze situatie is beëindigd met het verstrijken van de PS-verkiezingen, dient mijn in ziens het oorspronkelijke, jarenlang gehanteerde piketsysteem weer onverkort van toepassing te zijn. Zolang het oorspronkelijke piketsysteem niet in ere is hersteld, maak ik onverkort aanspraak op vergoeding van door mij structureel verrichte en te verrichten overuren, inherent aan het feit dat ik er alleen voor sta (…)”

2.19
In een e-mail van 30 november 2015 aan [X] vat [appellante] samen wat er eerder die dag is besproken. Hierin schrijft zij dat zij heeft meegedeeld dat zij sinds het herfstreces op doktersadvies weer medicijnen inneemt omdat bepaalde burn-out verschijnselen zich opnieuw zijn beginnen te manifesteren en dat haar dokter insisteert dat er maatregelen worden getroffen gezien het structurele overwerk. Verder schrijft zij, voor zover van belang:
“(..) Ik heb hierbij nogmaals aangehaald dat ik verzoek dat mijn collega zijn piketdiensten voor de fractie, zoals voorheen, weer opneemt aangezien die nu allemaal op mijn bordje zijn beland, met alle structurele overwerk tot gevolg. Ik stel vast dat de wil hiertoe ontbreekt, en dat wordt aangegeven dat er intern geen oplossingen mogelijk zijn.

Bij mijn aandringen op een oplossing, wordt nu een nog te zoeken stagiair naar voren geschoven die voor enige ‘verlichting’ zal moeten zorgen.

Uiteraard zal die stagiair door mij moeten worden ingewerkt en opgeleid, wat dus nog meer werk betekent.

Bovendien zal die stagiair niet snel ter beschikking zijn, aangezien die eerst moet worden gevonden en bovendien ook nog door bedrijfsrecherche […] moet worden doorgelicht.

Ik wens hierbij nogmaals aan te geven dat dit naar mijn aanvoelen niet getuigt van goed werkgeverschap.”

2.20
[X] reageert per e-mail van diezelfde dag, voor zover van belang, als volgt:
“(…) Zoals besproken zijn de Leden en [Y] tevreden over jouw werk als [functie] (…) Zoals bekend bij jou is jouw collega [functie] bereid, ondanks zijn continue belasting, om incidenteel voor jou waar te nemen. Verder heb ik je aangeboden om te helpen bij het realiseren van een optimale verdeling van werkzaamheden tussen jou en de beleidsmedewerkers. Ik heb het initiatief hiertoe bij jou gelaten. Vandaag heb ik je aangeboden om een stagiair aan te nemen, die werkzaamheden kan overnemen. Dit laatste is bovendien een uitstekende manier om een mogelijk toekomstige collega te selecteren.

Resumerend stel ik vast dat er wel degelijk gehoor is voor jouw bezwaren en dat er oplossingen voorhanden zijn. Ik betreur daarom dat het naar jouw aanvoelen niet getuigt van goed werkgeverschap. Ik herken mij hier niet in.”

2.21
Hierop reageert [appellante] bij e-mail van 1 december 2015, voor zover van belang, als volgt:
“(…) Ook is al die tijd geen einde gemaakt aan deze situatie waarin ik mij bevind. Ik verricht al lange tijd structureel overwerk, waar dit een tijdelijke aangelegenheid beoogde te zijn, en dit ondanks mijn kwetsbare gezondheid en doktersadvies te stoppen met het structurele overwerk (…) Ik vraag nogmaals van jou mijn klachten serieus te nemen en binnen 10 dagen na dagtekening van deze mail mij aan te geven op welke wijze een eind wordt gemaakt aan mijn structurele overwerksituatie. Voorts verwacht ik binnen dezelfde termijn naleving van artikel 4.4.; dat wil zeggen: betaling van 968 uren aan overwerk (…)”

2.22
Op 18 juni 2016 heeft [appellante] zich ziek gemeld. De eerste maand is het loon van [appellante] volledig doorbetaald, daarna is 70% van het loon betaald.
2.23
In de terugkoppeling spreekuur bedrijfsarts d.d. 21 juni 2016 staat, voor zover van belang, het volgende:“Conclusie over de arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte
[appellante] is ziek gemeld. Dit omdat ze klachten heeft die gerelateerd zijn aan de werkdruk. Daarover is in het verleden al gesproken. Blijkbaar kan deze werkdruk als probleem, onderling niet opgelost worden. Evengoed zie ik geen andere oplossing om duurzaam herstel te realiseren. Behandeling van de klachten die voortkomen uit deze verhoogde werkdruk, hebben geen blijvend effect.”

2.24
In de probleemanalyse en advies van de bedrijfsarts van 25 juli 2016 staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) De beperkingen liggen op het terrein van het persoonlijk functioneren en zijn in feite een herhaling van de beperkingen twee jaar terug (..) Nu aan het werk gaan is geen haalbare optie. Ik ondersteun het advies van mijn collega […] om mediation aan te bieden, alleen niet nu. Mijn advies is om dat uit te stellen tot na het volgende spreekuur (…) gesteld kan worden dat er een relatie is tussen de beperkingen van [appellante] en haar werk.”

2.25
In een brief van de huisarts van [appellante] d.d. 12 augustus 2016 ten behoeve van nader onderzoek staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Hierbij stuur ik U mijn patiënt(e) (…) [appellante] wordt bij ons sinds 01/2014 opgevolgd voor burn-out. Rond 10/2015 was zij hier voldoende van hersteld. Helaas was er een herval burn-out sinds 10/2015.

Opvallend is hierbij de hoge werkbelasting (piket dienst, 24/7. telefoons op alle mogelijke en onmogelijke uren). Bovendien wordt zij vanuit haar werkomgeving vrij respectloos behandeld.

Er is de laatste zelden feed-back en totaal onbegrip voor haar werksituatie. Ze ervaart niet de geringste empathie.

Dit alles leidt tot een majeur depressief syndroom met slaapstoornissen. concentratieverlies, wenen, angst en paniek aanvallen, psychosomatische pijn.

Als behandeling gaat ze wekelijks bij de psychosociale therapeut. en neemt ze Sipralexa 20 mg en Trazolan 200 mg.

Het is duidelijk dat er van werkhervatting onder huidige condities absoluut nooit meer sprake kan zijn (…)”

2.26
In een brief van de huisarts van [appellante] d.d. 5 september 2016 staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Hierbij stuur ik U mijn patiënt(e)(…) Bovengenoemde patiënte wordt in onze praktijk reeds 2 jaar gevolgd omwille van een exogene depressie.

Deze depressie is duidelijk werk gerelateerd. In het begin van deze periode ging het vooral om burnout tgv hoge werkdruk. Intussen is dit probleem verder geëvolueerd naar een duidelijke majeure depressie.

Zij is op dit moment nog 100% arbeidsongeschikt en is niet in staat mediation aan te gaan.(…)”

2.27
In een verklaring van [de psychosociaal therapeut] , NVPA register- en psychosociaal therapeut van 5 september 2016 staat, voor zover van belang, het volgende:
“Op 14 juli 2016 is met cliënt een intakegesprek gevoerd naar aanleiding van haar wens om in begeleiding te komen. Cliënt vertoont klachten van ernstige vermoeidheid en psychosomatische klachten en met name klachten in haar hoofd, nek en schouders. (…) Hieruit blijkt dat cliënt hoog scoort op de gedissocieerde burn-outlijst. Deze indicatoren zijn door de huisarts van cliënt bevestigd en aangevuld met de diagnose depressie. Cliënt is geadviseerd, ter bevordering van haar herstelproces, tijdelijk uit het arbeidsproces te treden.

Tijdens de begeleidingssessies bleek mij dat cliënt gedurende een lange tijd onder enorme psychische druk met name in haar werkleven heeft gefunctioneerd. Deze drukfenomenen hebben geleid tot psychische overbelasting die zijn uitgemond in verschijnselen van neurasthenie, depressie en burn-out.

Met name de negatief werkende fenomenen in haar huidige werkomgeving hebben een bijzondere sterke, bijna onontkoombare negatieve invloed op cliënt gehad. Zo is cliënt bij voortduring opgelegd naast haar reguliere werkzaamheden, piket- en bereikbaarheidsdiensten te draaien, waardoor cliënt voortdurend emotioneel en psychisch werd overbelast. Cliënt blijkt eerder uit het werkproces te zijn getreden op advies van haar arts met burnoutverschijnselen. Cliënt heeft hiervan onvoldoende weten te herstellen en werd bij de aanvang van haar werkzaamheden weer geconfronteerd met bovenmatige werkdruk en piketdiensten. Cliënt ervaart geen steun, noch ondersteuning van haar werkgever; eerder tegenwerkingen en onbegrip met betrekking tot haar draagkracht tijdens haar dagelijkse werkzaamheden en piketdiensten. (…)”

2.28
In een brief van de huisarts van [appellante] d.d. 20 september 2016 aan een collega staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Hierbij stuur ik U mijn patiënt(e)(…) Bovengenoemde patiënte wordt in onze praktijk reeds 2 jaar gevolgd omwille van een exogene depressie.

Deze depressie is duidelijk werk gerelateerd. In het begin van deze periode ging het vooral om burnout tgv hoge werkdruk. Intussen is dit probleem verder geëvolueerd naar een duidelijke majeure depressie.

Omwille van deze problematiek heb ik haar doorverwezen naar dr […] , psychiater in […] te [plaats] en met privé praktijk in [plaats] . Zij heeft daar een afspraak op 3/10/2016 en zal van dan af ook verder samen met de psychiater opgevolgd worden.”

2.29
Uit het overgelegde deskundigenoordeel van 12 oktober 2016 van het UWV volgt dat [appellante] op 19 september 2016 in staat wordt geacht te starten met een mediation-traject.
2.30
In een brief van de Inspectie SZW van 19 oktober 2016 heeft de PVV een waarschuwing gekregen. In deze brief staat, voor zover van belang, het volgende:
“(…) Tijdens de Inspectie kon ons geen risico-Inventarisatie en -evaluatie (RI&E)

worden getoond. [X] heeft mij deze diezelfde dag nog per mail nagestuurd. In uw RI&E staan 3 typen risico's opgenomen zijnde:

• Fysieke risico's/ ergonomie

• Psychosociale risico's

• Veiligheidsrisico's/ omgevingsrisico's

echter zijn deze niet nader uitgewerkt met betrekking tot de werkzaamheden. Een RI&E dient tevens een beschrijving van de gevaren en de risicobeperkende maatregelen te bevatten en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers.

In paragraaf 3.2 overwerken van bovenvermeld handboek staat in de laatste alinea opgenomen dat medewerkers van de afdeling voorlichting om toerbeurt in de weekenden piketdiensten zullen draaien. Er staat niet vermeld wat de tijden en werkzaamheden zijn van deze piketdiensten. U dient te inventariseren of werknemers consignatie draaien conform artikel 1:7 onder g van de Arbeidstijdenwet. U dient het arbeids- en rusttijdenpatroon van eventuele consignatiediensten (piket) schriftelijk vast te leggen en de gewerkte (over)uren buiten de reguliere werktijden te registreren conform artikel 4:3 van de Arbeidstijdenwet. Indien er door werknemers consignatiediensten gedraaid dienen te worden moeten deze voldoen aan het gestelde in artikel 5:9 van de Arbeidstijdenwet. Uw RI&E is derhalve onvolledig. Dit is een overtreding van artikel 5.4e lid van de Arbeidsomstandighedenwet. De overtreding moet binnen een termijn van 6 maanden na de hiervoor genoemde Inspectiedatum zijn opgeheven. (…)”

2.31
Bij brief van 25 oktober 2016 schrijft de Inspectie SZW, voor zover van belang, het volgende aan [appellante] :
“(…) naar aanleiding van uw klacht een inspectie bij Stichting Ondersteuning PVV (…) uitgevoerd. Tijdens de inspectie is geconstateerd dat de stichting, in relatie tot uw klacht, niet heeft vastgelegd wat de werktijden en werkzaamheden zijn tijdens piketdiensten van hun (pers)voorlichters. Daarnaast waren niet alle mogelijke risico's die de arbeid voor de werknemers met zich brengt en de daarbij behorende getroffen of te treffen risicobeperkende maatregelen in een Risico-Inventarisatie en –Evaluatie (RI&E) vastgelegd. Als werkgever dient Stichting Ondersteuning PVV in dit kader dan ook te inventariseren of werknemers consignatiediensten draaien conform wet- en regelgeving.

Bovenstaande zaken zijn tekortkomingen. De werkgever is dan ook verplicht deze op te heffen. Hierop zal een herinspectie plaatsvinden (…)”

2.32
Na ontvangst van de brief van 19 oktober 2016 van de Inspectie SZW heeft de PVV de tekst van het Personeelshandboek als volgt aangepast:
“Voor de medewerkers van de afdeling Voorlichting geldt verder dat zij om toerbeurt in de weekenden piketdiensten kunnen draaien. Piketdiensten in weekenden vinden plaats tussen 9.00 en 17.30 (met 30 minuten lunchpauze) en tussen 18.00 en 23.00. De werkzaamheden bestaan o.a. uit het opstellen en versturen van persberichten en het plaatsen van content op de website van de fractie. Een medewerker wordt in elke aaneengesloten periode van 28 maal 24 uren ten minste 14 maal een periode van 24 uren geen consignatie opgelegd, en 2 maal een aaneengesloten periode van 28 uren wordt geen arbeid verricht noch consignatie opgelegd. De daadwerkelijk gewerkte uren dienen te worden doorgegeven aan [X] , die hiervan een administratie bijhoudt. Deze piketdiensten zijn reeds gecompenseerd in het salaris.”

2.33
In een brief van psychiater [de psychiater] van 8 november 2016 staat, voor zover van belang, het volgende:
“(...) U bent aangemeld bij Depressie Ambulant vanwege depressieve klachten en gezien voor een intake op onze afdeling op 24 oktober 2016.

Daarbij hebben wij geconstateerd een depressieve stoornis en zijn nu nog in de intake fase, waarbij een psychiatrisch consult is afgesproken met uw psychiater [de psychiater] begin december. Ook stellen wij voor u een psychotherapeutische behandeling aan te bieden tengevolge van stress gevoelige werkomstandigheden. Omdat u nog in het voorstadium zit van een behandeling, lijkt het ons verstandig op dit moment enige rust te creëren t.a.v uw huidige werksituatie en hierin stappen te ondernemen wanneer u zich weer wat meer daarop kan concentreren (...)”

2.34
Het advies van de bedrijfsarts van 22 november 2016 luidt als volgt:
“(…) Er is mediation geadviseerd om de impasse op het werk te doorbreken. Dat advies is ook na een Deskundigenoordeel door het UWV in stand gebleven. Op grond van recente ontwikkelingen ben ik heden tot de conclusie gekomen dat [appellante] op dit moment niet in staat is om een mediationtraject te ondergaan. Advies. Uiteindelijk zal mediation toch de uitweg vormen om de op het werk gerezen impasse te doorbreken. Zodra [appellante] voldoende hersteld is, zal dat traject weer kunnen worden opgepakt. Ik kan (nog) niet overzien hoeveel tijd er met haar herstel gemoeid zal zijn (…).”

2.35
De bedrijfsarts heeft bij de periodieke evaluatie op 3 januari 2017 geconstateerd dat er onveranderd sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [appellante] . Ook is mediation op dat moment nog geen haalbare optie, aldus de bedrijfsarts.
2.36
In een bewijs van inschrijving van PsyQ van 3 februari 2017 staat het volgende:
“Middels dit schrijven delen wij u mede dat [appellante] (…) vanaf 24-10-16 ingeschreven en in behandeling bij PsyQ zorgprogramma Depressie Ambulant. [appellante] is op 17-10-2016 in verband met stemmings problematiek doorverwezen door haar huisarts, waarna [appellante] op 24-10-2016 met spoed gezien is voor intake. Er heeft een psychiatrisch onderzoek door psychiater plaatsgevonden. Gezien werd een unipolaire vitale depressie ernstig met psychotische overschrijdingen waarvan de psychotische overschrijdingen thans partieel in remissie zijn. [appellante] wordt gezien voor farmacotherapie en IPT Interpersoonlijk psychotherapie. De balans in draagkracht en draaglast is nog kwetsbaar, een verstoring in deze kwetsbare balans zou de behandeling kunnen doen stagneren.”

2.37
De kantonrechter te Den Haag heeft bij beschikking van 21 juni 2018 de arbeidsovereenkomst tussen de PVV en [appellante] op grond van een verstoorde arbeidsverhouding ontbonden per 1 augustus 2018, onder toekenning aan [appellante] van een transitievergoeding van € 12.602,79 bruto. Het verzoek van [appellante] om toekenning van een billijke vergoeding is afgewezen.
2.38
[appellante] heeft twee afzonderlijke loonvorderingsprocedures tegen de PVV gevoerd. In de bestreden vonnissen zijn de vorderingen van [appellante] in beide zaken afgewezen en is zij in de proceskosten van beide procedures veroordeeld. [appellante] is tegen beide vonnissen in hoger beroep gekomen, alsook tegen de onder 2.37 bedoelde beschikking.
overwegingen

3

3.1
Het hof stelt voorop dat ter zitting met partijen is afgesproken dat de producties die in de verschillende procedures in het geding zijn gebracht, geacht worden in alle drie de procedures in hoger beroep in het geding te zijn gebracht.
3.2
De PVV heeft bezwaar gemaakt tegen de aanvulling van productie 4, die door [appellante] bij H12 formulier van 6 februari 2019 in het geding is gebracht, met als omschrijving ‘productie 4 aanvulling op productie 4 ivm kopieerfout’. De PVV stelt dat het in strijd is met de goede procesorde dat deze productie niet conform het procesreglement tenminste 14 dagen voor de zitting in het geding is gebracht en dat een deel van de e-mails overeenkomt met de eerdere productie 4, een deel nieuw is, de volgorde anders is en de productie niet is voorzien van een toelichting. Het bezwaar tegen de te late indiening wordt verworpen. Weliswaar is de productie geen 14 dagen voor de zitting in het geding gebracht, maar wel 12 dagen van tevoren. De PVV heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat zij niet genoeg tijd heeft gehad om de productie te bestuderen en daartegen verweer te voeren. Er is aanleiding deze termijn in de gegeven omstandigheden mede gelet op het hierna overwogene niet onverkort te handhaven.
3.3
De andere bezwaren kunnen evenmin leiden tot het oordeel dat deze productie buiten beschouwing dient te worden gelaten. De advocaat van [appellante] heeft ter zitting uitgelegd dat door een kopieerfout de e-mails eenzijdig waren gekopieerd, terwijl het oorspronkelijk om een set van dubbelzijdig geprinte e-mails ging. Dat een deel van de e-mails overeenkomt met de e-mails die in de eerdere productie 4 in het geding zijn gebracht en een deel afwijkt, is naar het oordeel van het hof verklaarbaar doordat sommige e-mails een reactie zijn op een eerdere e-mail, die dan onder deze e-mail blijft staan en dus op deze manier meer dan eenmaal in de productie voorkomt. Aangezien alle e-mails zijn voorzien van een datum, is het hof van oordeel dat de PVV voldoende in de gelegenheid is geweest om haar verweer hiertegen voor te bereiden, ook als de volgorde (deels) afwijkt van de e-mails in de eerdere productie 4. Bovendien is duidelijk waarop de e-mails betrekking hebben en ter onderbouwing van welke stellingen zij in het geding zijn gebracht, aangezien het met name gaat om e-mails van en aan [appellante] in de avonduren en weekenduren in de periode november 2015 tot en met juni 2016 (de periode waarin zij dubbele piketdiensten draaide en ter zake waarvan zij uitbetaling van overuren vordert). Het moet voor de PVV dan ook duidelijk zijn geweest waartegen zij verweer moest voeren. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat van strijd met de goede procesorde geen sprake is, zodat deze productie niet buiten beschouwing wordt gelaten.
In de zaak met nummer: 200.220.968/01, hoogte loon bij ziekte

3.4
[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van de PVV tot betaling van haar loon tijdens ziekte tot 100%, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, met veroordeling van de PVV in de kosten van de procedure, vermeerderd met wettelijke rente.
3.5
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de kosten van de procedure veroordeeld. Kort gezegd heeft de kantonrechter hieraan ten grondslag gelegd dat de tekst van artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst duidelijk is; ingeval van arbeidsongeschiktheid zal de PVV 70% van het loon doorbetalen. Dat doet de PVV sinds 1 november 2014 ook. De PVV heeft in september 2014 aan alle medewerkers laten weten vanaf 1 november 2014 de overeengekomen 70% loon bij ziekte te zullen handhaven. [appellante] heeft tegen dit voornemen niet geprotesteerd. Aan de omstandigheid dat in het verleden aan [appellante] en aan een aantal van haar collega’s te veel is uitbetaald, kan [appellante] geen rechten ontlenen. Van een verworven recht is geen sprake.
3.6
Deze beslissing vecht [appellante] in hoger beroep aan. Na wijziging van eis vordert [appellante] , zakelijk weergegeven, veroordeling van de PVV tot betaling van € 1.500,- bruto per maand vermeerderd met emolumenten – zijnde het verschil tussen 70% en 100% van het loon – vanaf 18 juni 2016 tot de dag van hersteldverklaring, vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente; en met veroordeling van de PVV in de proceskosten van beide instanties. Daarnaast vordert [appellante] over haar ziekteperiode een vergoeding voor ‘het gemiddeld aantal overuren dat normaliter maandelijks werd verricht, vermeerderd met alle emolumenten’. Over deze laatste vordering zal het hof bij de beoordeling van de kwestie van de overuren een oordeel geven.
3.7
Grief I richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat [appellante] voor het jaar 2014 slechts éénmaal, in afwijking van artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst, 100% van haar salaris doorbetaald heeft gekregen. Het hof oordeelt als volgt. Niet ter discussie staat dat [appellante] gedurende haar eerste periode van arbeidsongeschiktheid, van 31 januari 2014 tot 1 oktober 2014, 100% van haar loon heeft ontvangen. Dit heeft de kantonrechter in het bestreden vonnis ook bij de vaststaande feiten opgenomen (. Dat de kantonrechter met deze overweging iets anders heeft bedoeld te zeggen dan dat het loon gedurende één periode van een aaneengesloten ziekmelding voor 100% aan [appellante] is doorbetaald (van 31 januari 2014 tot 1 oktober 2014), is het hof niet gebleken. Deze grief faalt.
3.8
Met Grief II komt [appellante] op tegen de afwijzing van haar beroep op het recht op 100% doorbetaling van loon bij ziekte. Na de ziekmelding van [appellante] per 18 juni 2016 heeft de PVV over de eerste maand van arbeidsongeschiktheid 100% van het loon aan [appellante] betaald en daarna 70%. [appellante] stelt dat sprake is van een verworven recht op 100% loon bij ziekte, een gewoonte als bedoeld in art. 6:248 BW of een ‘bestendig gebruik’, dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst aanvult. Volgens [appellante] was de PVV niet gerechtigd om deze arbeidsvoorwaarde eenzijdig te wijzigen. De PVV heeft gemotiveerd verweer gevoerd en stelt dat [appellante] recht heeft op 70% na de eerste maand van arbeidsongeschiktheid.
3.9
Het hof stelt bij de beoordeling van deze grief het volgende voorop. Als er sprake is van een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevoerde gedragslijn, zoals in dit geval de betaling van 100% loon bij ziekte in plaats van de 70% die is afgesproken in de arbeidsovereenkomst, dan komt het bij de beantwoording van de vraag of er tussen partijen sprake is van een geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen.
3.10
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 22 juni 2018 (ECLI:NL:HR:2018:976) de relevante gezichtspunten voor de beantwoording van deze vraag genoemd, te weten:
lowerroman

de inhoud van de gedragslijn;

de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen;

de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd;

hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard;

de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien;

de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.

3.11
Tegen de achtergrond van voornoemd toetsingskader is het volgende van belang. In artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat bij arbeidsongeschiktheid 70% van het loon zal worden doorbetaald. In afwijking van deze bepaling heeft de PVV aan [appellante] gedurende haar arbeidsongeschiktheid 100% van het loon doorbetaald in de periode van 31 januari 2014 tot 1 oktober 2014. Niet weersproken is dat de PVV ook aan haar andere werknemers bij arbeidsongeschiktheid 100% loon heeft uitbetaald in de periode tot 1 november 2014. In een brief van 29 september 2014 heeft de PVV aan haar werknemers, ook aan [appellante] , geschreven dat vanaf 1 november 2014 artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst zal worden gehandhaafd (70% loon bij ziekte), met dien verstande dat over de eerste maand van arbeidsongeschiktheid 100% loon zal worden betaald.
3.12
Gesteld noch gebleken is dat de PVV na 1 november 2014 nog 100% loon heeft doorbetaald aan een arbeidsongeschikte werknemer (anders dan gedurende de eerste maand van arbeidsongeschiktheid). Evenmin is sprake geweest van enige uitlatingen/toezeggingen op grond waarvan [appellante] gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat 100% loondoorbetaling bij ziekte voor haar een arbeidsvoorwaarde was geworden. Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat [appellante] gedurende haar ziekteperiode in 2014 100% van haar loon heeft ontvangen, evenals haar collega’s in de periode tot 1 november 2014 (waarvan de PVV overigens heeft gesteld dat dit slechts om twee gevallen ging), niet kan leiden tot de conclusie dat [appellante] er bij haar hernieuwde uitval in 2016 gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat zij wederom 100% loon zou ontvangen. Dit gelet op de duidelijke bepaling in de arbeidsovereenkomst, de brief van de PVV van 29 september 2014 en het ontbreken van enige toezeggingen/uitlatingen van de zijde van de PVV op grond waarvan een dergelijk vertrouwen bij [appellante] kan zijn gewekt. [appellante] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat anderszins sprake is van een verworven recht, een gewoonte of bestendig gebruik waaraan zij recht op 100% doorbetaling van loon bij ziekte zou kunnen ontlenen.
3.13
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat grief II faalt. Over de vergoeding voor ‘het gemiddeld aantal overuren dat normaliter maandelijks werd verricht, vermeerderd met alle emolumenten’, wettelijke verhoging en wettelijke rente, waarmee [appellante] haar vordering ter zake van loon bij ziekte in hoger beroep heeft vermeerderd, zal het hof bij de beoordeling van de kwestie van de overuren een oordeel geven. Grief III richt zich tegen de afwijzing van de vordering en de proceskostenveroordeling in eerste aanleg en zal eveneens hierna worden beoordeeld.
In de zaak met nummer: 200.226.987/01, de overuren

3.14
[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd, samengevat weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, veroordeling van de PVV tot betaling van € 188.063,- bruto aan achterstallig salaris in verband met niet uitbetaalde overuren, vermeerderd met emolumenten en met veroordeling van de PVV in de kosten van de procedure.
3.15
De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellante] afgewezen en haar veroordeeld in de kosten van de procedure. In hoger beroep heeft [appellante] twee grieven gericht tegen de afwijzing van haar vorderingen ter zake van de overuren, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
3.16
Het hof stelt het volgende voorop. In de arbeidsovereenkomst is afgesproken tussen partijen dat in het salaris een vergoeding voor eventueel overwerk is begrepen (artikel 4.3). In geval van overwerk heeft [appellante] echter wel recht op een vergoeding (artikel 4.4). Daarvoor dient dan wel vast komen te staan dat de werkgever het overwerk heeft opgedragen aan [appellante] dan wel moet uit de omstandigheden van het geval blijken dat de werkgever daarmee heeft ingestemd (HR 6 maart 1998, LJN: ZC2606).
3.17
Vast staat dat [appellante] uit hoofde van haar functie na haar reguliere werktijd zogenaamde piketdiensten heeft verricht, die zij uit hoofde van haar functie verplicht was te verrichten. In de periode december 2011 tot begin oktober 2014 had [appellante] om de week en om het weekend piketdienst. Vanaf oktober 2014 had zij ieder weekend piketdienst en vanaf medio februari 2015 iedere week en ieder weekend (dus op alle dagen van de week). Het piket op doordeweekse avonden was van 17.30 tot 23.00 uur. In de weekenden en op feestdagen was het piket van 09.00 tot 23.00 uur. De omstandigheid dat het initiatief tot het organiseren van deze piketdiensten destijds bij [appellante] heeft gelegen, kan er niet aan afdoen dat [appellante] verplicht was deze piketdiensten te verrichten. [appellante] heeft vanaf maart 2015 herhaaldelijk gevraagd om haar niet langer te belasten met de dubbele piketdiensten en kreeg steeds als reactie dat deze werkzaamheden tot haar normale takenpakket behoorden.
3.18
Partijen twisten over de bewijslast ten aanzien van de gestelde overuren, over de vraag welke werkbelasting de piketdiensten meebrachten voor [appellante] , over de vraag welke werkzaamheden zij uit hoofde van de piketdiensten geacht werd te verrichten (in hoeverre de werkzaamheden waren opgedragen door de PVV) en of deze werkzaamheden kwalificeren als structureel overwerk in de zin van artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst. Hierover heeft het navolgende te gelden.
3.19
In artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst staat dat in het salaris een vergoeding voor eventueel overwerk is inbegrepen. In artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst staat dat voor vergoeding in aanmerking komt. Deze bepalingen dienen te worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dat betekent dat het niet (alleen) aankomt op een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen, maar (ook) op hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid, en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol. Gesteld noch gebleken is dat partijen bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesproken over de betekenis die aan artikel 4.3 en 4.4 moet worden toegekend. Bij de uitleg komt het in dit geval dus in het bijzonder aan op de taalkundige uitleg van de bewoordingen en hoe partijen die redelijkerwijs hebben mogen opvatten. In het normale spraakgebruik betekent in deze context blijvend, duurzaam. Naar het oordeel van het hof hebben partijen de term structureel overwerk ook redelijkerwijs zo mogen opvatten.
3.20
De bewijslast van het gestelde structurele overwerk rust op [appellante] . Voor omkering van de bewijslast, zoals [appellante] heeft betoogd, is geen grond. Uitgangspunt is dat degene die stelt een recht (een vordering) te hebben bij betwisting daarvan door de wederpartij de grondslag van dat recht dient aan te tonen. Dat geldt ook voor de door [appellante] gestelde vordering ter zake van gemaakte overuren. Dat artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst bepaalt dat bij structureel overwerk wel een vergoeding zal worden geboden, is geen reden voor een andere bewijslastverdeling.
3.21
Dat de kantonrechter de PVV had moeten opdragen ‘de administratie inzake gewerkte overuren’ over te leggen, is gelet op het voorgaande evenmin juist. Het uitgangspunt op basis van de arbeidsovereenkomst is immers dat de door [appellante] gewerkte overuren geacht worden te zijn verdisconteerd in haar vaste salaris. In het licht hiervan was de PVV niet gehouden om zelf een administratie van de overuren van [appellante] bij te houden. In dit verband is mede van belang dat de PVV daartoe ook niet verplicht was op grond van de Arbeidstijdenwet. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat het salaris van [appellante] meer bedroeg dan het in artikel 2:1:1 lid 3 van het Arbeidstijdenbesluit genoemde bedrag (driemaal het minimumloon) is niet gegriefd. Ditzelfde geldt voor het oordeel van de kantonrechter dat uit art. 2:1:1 lid 1 van het Arbeidstijdenbesluit volgt dat de bepalingen van de Arbeidstijdenwet op het gebied van arbeids- en rusttijden (art. 4:3 lid 1 en 5:9) niet van toepassing zijn op [appellante] . Dit betekent dat vast staat dat er geen registratieverplichting bestond voor de PVV ter zake van de arbeids- en rusttijden van [appellante] uit hoofde van de Arbeidstijdenwet en het Arbeidstijdenbesluit. De waarschuwing van 19 oktober 2016 van de Inspectie SZW over de regeling van de piketdiensten in het Handboek betrof niet specifiek de situatie van [appellante] maar was een meer algemene waarschuwing.
3.22
Kortom, de bewijslast van de gestelde – structurele – overuren rust op [appellante] en het ligt op haar weg om haar vorderingen deugdelijk, met relevante stukken, te onderbouwen en bij voldoende gemotiveerde betwisting, zo nodig, te bewijzen. In dit verband overweegt het hof het volgende.
3.23
De PVV heeft aangevoerd dat de werkzaamheden voor [appellante] tijdens de piketdiensten van beperkte omvang waren en niet van zodanige aard dat sprake was van structureel overwerk, dat een aanvullende vergoeding zou kunnen rechtvaardigen. De PVV stelt dat slechts sporadisch een beroep op [appellante] werd gedaan. Dit verweer heeft de PVV in de procedure in eerste aanleg onder andere onderbouwd met schriftelijke verklaringen van een aantal personen: [A] , [B] , [C] , [D] , [E] en [F] . De verklaringen zijn alle gedateerd in februari 2017 en hebben als strekking dat er niet of nauwelijks werkzaamheden door [appellante] buiten haar reguliere werktijd voor hen is gedaan.
3.24
[appellante] heeft over die verklaringen in de memorie van grieven gesteld dat dit summiere, voorgekauwde verklaringen zijn, die bovendien afkomstig zijn van de minst actieve Kamerleden van de PVV en een medewerker met wie [appellante] het minste contact heeft gehad en dat er wel degelijk regelmatig een beroep op haar werd gedaan tijdens haar piketdiensten. [appellante] heeft in hoger beroep een groot aantal e-mails in het geding gebracht ter onderbouwing van haar stellingen dat tijdens haar piketdiensten door de PVV-Kamerleden regelmatig een beroep op haar werd gedaan en dat zij daarnaast ook proactief de Kamerleden attendeerde op nieuwsberichten buiten haar reguliere werkuren.
3.25
Het hof is van oordeel dat uit deze stukken inderdaad blijkt dat [appellante] tijdens vrijwel iedere piketdienst werkzaamheden heeft verricht voor de PVV. Uit de door [appellante] overgelegde e-mailwisselingen blijkt dat er regelmatig een beroep op haar werd gedaan buiten kantooruren. Dit werd met name gedaan door andere Kamerleden dan de Kamerleden waarvan door de PVV verklaringen in het geding zijn gebracht (bijvoorbeeld [I] , [II] , [III] , [IV] , [V] ). Daarnaast attendeerde [appellante] tijdens haar piketdiensten regelmatig Kamerleden op nieuwsberichten. Ook werd zij tijdens haar piketdiensten door journalisten en radio- en/of televisieprogramma’s benaderd met het verzoek of de PVV zou willen meewerken aan een interview of iets dergelijks. Een globale telling van de in het geding gebrachte e-mails leert dat er in januari 2016 sprake is geweest van 95 e-mails buiten kantooruren (ontvangen dan wel verzonden door [appellante] , inclusief nieuws-signaleringen), in februari 2016 139 e-mails, in maart 2016 111 e-mails en in april 2016 107 e-mails.
3.26
Weliswaar bestaat een deel van de e-mails uit ontvangen berichten waar [appellante] niet direct (en soms geen) actie op hoefde te nemen, maar er werd tijdens haar piketdienst wel verwacht dat zij kennis nam van binnenkomende berichten, om te kunnen bepalen in welke gevallen wel direct actie van haar werd verwacht. Dit betekent dat ook een onbelangrijk dan wel niet urgent bericht, waarop [appellante] op dat moment niet hoefde te reageren of waarin niets van haar werd gevraagd, toch eerst door haar moest worden gelezen om te kunnen vaststellen of op dat moment actie van haar werd verlangd. Ook dergelijke berichten vergden derhalve steeds enige (werk)tijd. Dat de PVV weinig verzoeken van de pers om interviews en dergelijke honoreerde kan evenmin leiden tot de conclusie dat de piketdiensten weinig om het lijf hadden. Gesteld noch gebleken is dat [appellante] dergelijke verzoeken daarom mocht negeren; uit de overgelegde e-mails blijkt dat zij de verzoeken steeds doorzond en dan te horen kreeg of een verzoek wel of niet zou worden gehonoreerd.
3.27
Voorts is het hof van oordeel dat het verweer van de PVV dat het buiten kantooruren signaleren van nieuwsberichten niet tot de werkzaamheden van [appellante] tijdens de piketdiensten behoorde en dat daartoe geen opdracht is gegeven, evenmin kan slagen. De PVV stelt in dit verband dat niet van [appellante] is gevraagd dat zij tijdens piketdiensten actief media zou bijhouden, laat staan ieder uur 10-15 minuten mediascans zou uitvoeren. Tegelijkertijd stelt de PVV dat wel van [appellante] werd verwacht – zoals van alle medewerkers van de PVV (persvoorlichters, beleidsmedewerkers en Kamerleden) wordt verwacht – dat zij ‘media-bewust’ is. Dit laatste betekent volgens de PVV dat indien een medewerker iets belangrijks en relevants opmerkt, hij of zij dit deelt met de relevante collega’s. [appellante] heeft in reactie hierop terecht opgemerkt dat voor een dergelijke media-bewustheid wel vereist is dat zij de media ook in de gaten houdt, omdat zij belangrijk en relevant nieuws anders niet kan signaleren. [appellante] heeft in dit verband ook gewezen op de vacaturetekst voor [functie] van de PVV, waarin onder andere te lezen valt:
“(…) Je onderhoudt de contacten met de diverse (inter)nationale media, waarbij de telefoon de hele dag roodgloeiend kan staan (..) Een veertigurige werkweek is niet veel voor jou, je bent een workaholic (…) Daarnaast ben je een ‘nieuwsjunky’. Wat inhoudt dat je al jaren alles wat met politiek te maken heeft, op de voet volgt en dat je altijd alles als eerste weet en doorziet (…)”

3.28
[X] was er bovendien van op de hoogte dat [appellante] buiten haar gebruikelijke werktijden veel tijd stak in het volgen van het nieuws. Een en ander blijkt uit de e-mails van 1 september 2015 en 30 november 2015 (r.o. 2.16 t/m 2.20). Eveneens blijkt uit deze e-mailwisseling niet dat [X] tegen [appellante] heeft gezegd dat dergelijke activiteiten niet van haar werden verwacht. Dit zou naar het oordeel van het hof wel voor de hand hebben gelegen als de PVV zou menen dat dergelijke werkzaamheden buiten kantooruren niet van [appellante] werden verlangd. Dit geldt temeer gelet op de herhaalde klachten van [appellante] over de werkdruk als gevolg van de dubbele piketdiensten in voornoemde periode (piketdienst op alle avonden en alle weekenden). Integendeel, [X] benadrukt bijvoorbeeld in zijn e-mail van 1 september 2015 dat het nieuws 24/7 doorgaat, het werk van de [functie] niet beperkt is tot tussen 9.00 en 17.30 uur en er buiten deze kantoortijden aanleiding kan zijn een taak uit te voeren. Ook merkt [X] op dat [appellante] altijd beschikbaar dient te zijn en dat contractueel is vastgelegd dat [appellante] verplicht is buiten de vastgestelde werktijden overwerk te verrichten, zo dikwijls als de PVV dit nodig acht. Vervolgens draagt [X] als mogelijke oplossing aan ‘een optimale verdeling van werkzaamheden tussen [appellante] en de beleidsmedewerkers voor wat betreft het volgen van het nieuws en het informeren van de Kamerleden over relevante nieuwsfeiten’, maar hij laat hiertoe het initiatief bij [appellante] , in plaats van afspraken over een nieuwe werkverdeling in goede banen te leiden dan wel [appellante] te laten weten dat zij niet geacht werd actief de media te scannen tijdens haar piketdiensten (die zij op dat moment al geruime tijd op alle avonden en alle weekenden verrichtte).
3.29
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er wel degelijk sprake is geweest van opgedragen overwerk dan wel overwerk waarmee de werkgever heeft ingestemd. Ook kan de PVV niet worden gevolgd in haar verweer dat tijdens de piketdiensten slechts sporadisch een beroep op [appellante] werd gedaan en/of dat de piketdiensten weinig om het lijf hadden. De PVV heeft in reactie op de stelling van [appellante] in de memorie van grieven dat slechts verklaringen van de minst actieve Kamerleden in het geding waren gebracht, geen aanleiding gezien om verklaringen van andere Kamerleden in het geding te brengen ter onderbouwing van haar standpunt dat niet of nauwelijks een beroep op [appellante] is gedaan tijdens haar piketdiensten. Daarmee heeft de PVV, in het licht van de e-mails die door [appellante] in het geding zijn gebracht, dit verweer onvoldoende onderbouwd. De PVV zal op dit punt dan ook niet worden toegelaten tot nadere bewijslevering.
3.30
De e-mails van 3 december 2015 en 4 februari 2016, waarin [Y] verklaart dat er uit zijn ‘verzonden items’ mailbox blijkt dat er in de hele maand november 2015 geen weekendactiviteiten zijn geweest voor [appellante] en dat er in januari 2016 slechts eenmaal in het weekend sprake is geweest van een persbericht en er eenmaal in de avonduren een vraag is geweest over een verzoek van een journalist, werpen naar het oordeel van het hof geen ander licht op deze kwestie. Uit deze e-mails blijkt dat [Y] zich baseert op zijn eigen contacten met [appellante] , terwijl [appellante] in de betreffende periodes allerlei e-mails heeft gewisseld met andere personen waarbij [Y] niet betrokken was. Het beroep van de PVV tijdens het pleidooi op bepaalde e-mails ter onderbouwing van het verweer dat [appellante] het gestelde overwerk (zwaar) overdrijft, gaat voorbij aan vele andere e-mails die door [appellante] in het geding zijn gebracht, waaruit naar het oordeel van het hof blijkt dat [appellante] wel degelijk tijdens (vrijwel) iedere piketdienst inhoudelijke werkzaamheden heeft moeten verrichten.
3.31
De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord, is of de grens van ‘normaal’ overwerk, dat volgens artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst in het loon van [appellante] is verdisconteerd, is overschreden en of er sprake is geweest van ‘structureel’ overwerk in de zin van artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst, dat voor separate vergoeding in aanmerking komt. Het hof is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord voor de periode dat [appellante] dubbele piketdiensten heeft gedraaid. Hiertoe is het navolgende redengevend.
3.32
Op zich mag van een [functie] met een salariëring als die van [appellante] verwacht worden dat zij binnen redelijke grenzen overwerk verricht in de avonduren en weekenden. Dit volgt ook uit artikel 4.3 van haar arbeidsovereenkomst. Dit ligt anders voor het overwerk dat samenhangt met de dubbele piketdiensten, meer specifiek de extra piketdiensten die [appellante] heeft overgenomen van [de collega] vanaf begin oktober 2014. Dat was naar het oordeel van het hof in de zin van artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst, gelet op de aard en omvang en het blijvende en duurzame karakter daarvan (elk weekend en vervolgens ook elke weekavond in combinatie met elk weekend, dag in dag uit). Hiermee werden de grenzen van wat redelijkerwijs van [appellante] aan werkzaamheden buiten de reguliere werktijd mocht worden verwacht overschreden. Ook op de momenten dat er geen beroep op [appellante] werd gedaan tijdens haar piketdiensten, diende zij wel steeds beschikbaar te zijn voor werkzaamheden in de avonduren en weekenden en kon zij haar vrije tijd dus niet naar eigen behoefte indelen en had zij geen rust (pas na 23.00 uur ’s avonds eindigden haar piketdiensten). Er was sprake van een structurele situatie, die bijna twee jaar heeft voortgeduurd (tot 18 juni 2016). Het recht op een overwerkvergoeding geldt zowel voor de periode waarin [appellante] dubbel weekendpiket had (begin oktober 2014 tot medio februari 2015) alsook voor de periode dat [appellante] in alle weekenden en op alle weekavonden piketdienst had (begin januari 2015 tot haar ziekmelding op 18 juni 2016).
3.33
Ten aanzien van de vraag op welke vergoeding [appellante] recht heeft in verband met het door haar verrichte overwerk overweegt het hof als volgt. Een uur piketdienst staat – uiteraard – niet gelijk aan een gewerkt overuur. Het beschikbaar/bereikbaar zijn voor telefoon en e-mail is niet hetzelfde als het verrichten van structureel overwerk in de zin van artikel 4.4 van de arbeidsovereenkomst, dat voor een aanvullende vergoeding in aanmerking komt. [appellante] heeft overzichten in het geding gebracht van de volgens haar gewerkte overuren. Tegen de door [appellante] gestelde omvang van het overwerk in de door haar opgestelde overzichten heeft de PVV uitgebreid en gemotiveerd verweer gevoerd, onder andere in de voorbeelden die zijn uitgewerkt in 3.5.1 t/m 3.6.2 van de memorie van antwoord. [appellante] heeft ter gelegenheid van het pleidooi het door haar opgestelde overuren-overzicht niet verder toegelicht, geconcretiseerd of nader onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg lag, gelet op het uitvoerige verweer van de PVV. In dit verband is illustratief het voorbeeld dat de PVV onder 3.5.2.i. van de memorie van antwoord uitwerkt, waarin [appellante] 40 minuten overwerk heeft geschreven voor een kort verzoek van een masterstudent. Om 19.21 uur op 10 februari 2016 ontvangt [appellante] een e-mail van één regel van Kamerlid [C] , met daaronder een e-mail van twee alinea’s van een masterstudent, waarin deze vraagt aan [C] om uit te leggen waarom hij nog niet heeft deelgenomen aan een interparlementaire conferentie. [appellante] stuurt deze e-mail drie minuten later door aan [Y] en vraagt aan hem in een e-mail van twee regels of [C] deze vraag mag beantwoorden. Om 19:52 uur reageert [Y] hier weer op met een eenregelig bericht. [appellante] heeft hiervoor 40 minuten overwerk geschreven. Ook de overige voorbeelden die de PVV in de memorie van antwoord uitwerkt maken duidelijk dat [appellante] geen reëel beeld geeft van de tijd die zij heeft besteed aan het daadwerkelijk verrichten van werkzaamheden gedurende haar piketdiensten.
3.34