Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:368

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Strafrecht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 16-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 16-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:368, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 21-006849-17


Bron: Rechtspraak

ECLI:NL:GHARL:2020:368:DOC
nl

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006849-17 Uitspraak d.d.: 16 januari 2020TEGENSPRAAKPromis
Verkort arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 28 november 2017 met parketnummer 16-705487-17 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( Vietnam ) op [1989] ,thans verblijvende in Penitentiaire Inrichting Zaanstad te Westzaan.
Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Het door verdachte ingestelde hoger beroep is beperkt tot de feiten 2, 4 en 5. Het openbaar ministerie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 december 2019 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr. J.G. Wiebes, naar voren is gebracht. Tijdens de terechtzitting van 19 december 2019 heeft de raadsman een preliminair verweer gevoerd. Dat verweer is op die zitting door het hof ontijdig bevonden en derhalve zal het hof in dit arrest op dat verweer responderen. Tijdens de terechtzitting van 16 januari 2020 is alleen het onderzoek gesloten, waarna direct uitspraak is gedaan.
Omvang en ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het door verdachte ingestelde hoger beroep is beperkt tot de feiten 2, 4 en 5. Het openbaar ministerie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal heeft echter zowel per e-mail d.d. 12 december 2019 als ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat het beroep van het openbaar ministerie zich niet richt tegen de vrijspraak van het onder 1 en 3 tenlastegelegde en dat behandeling van die feiten in hoger beroep wat het openbaar ministerie betreft niet meer behoeft plaats te vinden. Gelet hierop komt het hof tot het oordeel dat het openbaar ministerie geen belang meer heeft bij de voortzetting van het onderzoek in hoger beroep voor wat betreft de feiten 1 en 3 en dat ook overigens geen belang van strafvordering dit onderzoek vordert.Daarom zal het openbaar ministerie in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is, voor zover thans nog aan de orde, tenlastegelegd dat:

Feit 2 primairzij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een personenauto (merk Citroën Saxo), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (was)benzine, althans een ontbrandbare (vloei)stof, aangestoken, in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met één of meer onderde(e)l(en) van voornoemde personenauto, althans met (een) brandbare stof(fen),

ten gevolge waarvan die personenauto geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor die personenauto en/of de goederen die zich in die personenauto bevonden en/of andere voertuigen die in de buurt van voornoemde personenauto geparkeerd stonden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, te duchten was;

Feit 2 subsidiairzij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten in/aan een personenauto (merk Citroën Saxo),

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was,

met dat opzet een hoeveelheid (was)benzine over voornoemde auto heeft gegoten en/of (vervolgens) (open) vuur in aanraking heeft gebracht met (een) met (was)benzine overgoten onderde(e)l(en) van voornoemde auto, althans met (een) brandbare stof(fen),

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

Feit 2 meer subsidiairzij in of omstreeks de periode van 18 april 2016 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenis van acht jaren of meer is gesteld,

te weten brandstichting met gemeen gevaar voor goederen,

opzettelijk een hoeveelheid van 5,29 liter (was)benzine en/of een jerrycan en/of een spuitbus verf bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

Feit 2 meest subsidiairzij in of omstreeks de periode van 25 april 2016 tot en met 26 april 2016 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Citroën Saxo), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt,

door toen aldaar opzettelijk en wederrechtelijk zwarte verf, althans een zwarte substantie op voornoemde auto te spuiten, althans aan te brengen en/of (was)benzine op/over voornoemde auto heen te gieten, althans aan te brengen;

Feit 4 primairzij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk en met voorbedachte rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, in de hal op de begane grond in een woning gelegen aan de [adres] brand gesticht terwijl die [slachtoffer] op de zolder van die woning lag te slapen;

Feit 4 subsidiairzij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning aan de [adres] ,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- - - -
ten gevolge waarvan die woning en/of de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende perso(o)nen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, welk feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

Feit 4 meer subsidiairzij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte opzettelijk, in de hal op de begane grond in een woning gelegen aan de [adres] brand gesticht terwijl die [slachtoffer] op de zolder van die woning lag te slapen;

Feit 5zij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- - - -
ten gevolge waarvan de (inboedel van de) belendende woningen gelegen aan de [adres] en [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (inboedel van) overige belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die belendende woningen aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging omtrent inzet Stelselmatige Informatie Inwinster ex artikel 126j Sv


Standpunt raadsman

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de inzet van de Stelselmatige Informatie Inwinster (hierna: SI) niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit voldoet en bovendien door de SI inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van verdachte. Hiermee zijn doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte haar rechten op een eerlijke behandeling van haar zaak geschonden. Derhalve is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), waarbij rechten als bedoeld in artikel 6, 8 en 13 EVRM - meer specifiek het zwijgrecht en het nemo tenetur beginsel - zijn geschonden, alsmede een onevenredige inbreuk is gemaakt op het privéleven van verdachte. Dit dient (primair) te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, dan wel (subsidiair) tot bewijsuitsluiting, aldus de raadsman.

Relevante feiten en omstandigheden

In het proces-verbaal van 17 februari 2017 is aangegeven waarom verdachte als verdachte werd aangemerkt. In dat proces-verbaal staat (onder meer) als resumé:- verdachte is de dochter van [getuige 5] en halfzus van het slachtoffer [slachtoffer] ;- verdachte is in haar tienerjaren uit huis geplaatst en is meerdere keren opgenomen in een psychiatrische instelling op basis van een IBS of RM;- zij woont op zich zelf, maar wordt wel begeleid. Zij slikt medicatie in verband met schizofrenie. Als ze geen medicatie neemt wordt ze warrig in haar hoofd. Ze verliest dan de werkelijkheid uit het oog;- [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] verklaarden dat verdachte veel haat had richting haar familie en met name richting haar moeder [getuige 5] en zus [zus verdachte] ;- [getuige 2] verklaarde dat de wanen bij verdachte ’s nachts het ergst waren en zij dan op haar slechtst was;- op vrijdag 5 mei 2018 probeerde verdachte aangifte te doen tegen haar moeder [getuige 5] . Ze werd weggestuurd omdat aan haar verhaal geen touw viel vast te knopen;- op 15 juni 2015 omstreeks 03.45 uur is de voorgevel van dönerzaak [bedrijf] overgoten met brandbare vloeistof en in brand gestoken. Moeder [getuige 5] en halfzus [slachtoffer] woonden daar op dat moment;- [getuige 1] verklaarde dat ze van verdachte zelf of van [zus verdachte] had gehoord dat verdachte de zaak van haar moeder in de fik wilde steken;- [getuige 3] verklaarde dat verdachte haar eind 2015 vertelde dat ze met wasbenzine brand had gesticht in haar eigen wastafel en onder de indruk was van de steekvlam die ontstond. Ook had verdachte verteld dat ze wasbenzine had gegooid over de gevel van de zaak waar haar moeder werkte en dat ze die gevel in de fik had gestoken;- op 3 maart 2016 deed verdachte aangifte tegen haar moeder van mishandeling en verwaarlozing. Uit het bij de aangifte gevoegde document kan worden opgemaakt dat verdachte haar moeder dood wenste voor wat ze verdachte zou hebben aangedaan. Ze zou hebben gezegd: ‘Mijn familie wil ik dood omdat ze me niet met rust laten’;- op 9 april 2016 werd door de politie aan verdachte medegedeeld dat haar aangifte wegens verjaring niet in behandeling werd genomen;- op 25 april 2016 werd de auto van moeder [getuige 5] voor de deur van haar woning met brandbare vloeistof overgoten en in brand gestoken;- op 27 december 2016 belde verdachte met de politie. In dit gesprek zei ze dat ze gestalkt en bedreigd werd door haar familie. Ze noemde haar moeder een psychopaat en gestoord;- op 11 januari 2017 belde verdachte nogmaals met de politie. In dat gesprek gaf ze aan dat ze gestalkt werd door een oude buurvrouw en haar familie overal zag;- op 14 januari 2017 werd brand gesticht in de woning (waar onder meer de moeder van verdachte woonde) ten gevolge waarvan [slachtoffer] overleed.
Op 6 maart 2017 werd door de officier van justitie het schriftelijk bevel verstrekt ter zake van het stelselmatig inwinnen van informatie door een opsporingsambtenaar.

Verdachte werd op 7 maart 2017 aangehouden. Tijdens de voorgeleiding op 7 maart 2017 gaf verdachte aan gebruik te willen maken van haar zwijgrecht.

Het eerste gesprek tussen de verdachte en de SI vond plaats op 7 maart 2017 tussen 14.00 en 14.30 uur op de luchtplaats van het politiebureau. Zij voerden een algemeen gesprek over het verblijf in het politiebureau. Verdachte vertelde dat het politiebureau nog niet zo erg is. Ze was meerdere keren opgenomen geweest in een psychiatrische instelling en pas daar was het erg. De SI zag dat verdachte rustig oogde. Ze gaf goed antwoord op de haar gestelde vragen. Verdachte vertelde dat ze uit Vietnam kwam en dat haar moeder geen goede moeder voor haar was. Ze was geestelijk en lichamelijk door haar moeder mishandeld. Verdachte vertelde dat ze door haar familie met rust gelaten wil worden, maar dat ze dat niet doen.

Op 7 maart 2017 omstreeks 17.00 uur vond het eerste (officiële) verhoor plaats van verdachte. Verdachte werd aangemerkt als een kwetsbare verdachte. Ze werd bijgestaan door haar advocaat en ook vond er een audiovisuele registratie plaats van het verhoor. Ook werd het verhoor gevolgd door een recherche psycholoog. Verdachte gaf aan het begin van het verhoor aan dat ze zou zwijgen. Niettemin verklaarde ze over haar ziekte, de werking van haar medicijnen en uitgebreid over wat haar door haar moeder en andere familieleden is aangedaan. Het verhoor werd om 19.20 uur onderbroken voor een pauze en werd hervat om 20.45 uur.

Op 7 maart 2017 om 19.55 uur werd verdachte naar de luchtplaats gebracht. Daar bleef ze tot 20.25 uur. Zij sprak toen met de SI. De SI had als opdracht gekregen niet rechtstreeks te vragen naar de brandstichting, maar een natuurlijk gesprek te laten plaatsvinden.Volgens het op 7 maart 2017 door de SI opgemaakte proces-verbaal was verdachte veel onrustiger dan de eerste keer toen ze met verdachte sprak. Verdachte praatte sneller en liep meer rond. De SI vroeg verdachte waarom ze op het politiebureau was. Verdachte zei voor vernieling en brandstichting. Verdachte vroeg de SI waarom zij er zat. De SI zei dat ze geld en spullen van haar ouders had gestolen, maar dat ze tegen de politie had gezegd dat ze die had gekregen van haar ouders. Verdachte zei toen dat ze (de SI) niet moest liegen tegen de politie. De advocaat van verdachte had gezegd dat verdachte de waarheid moest vertellen of moest zwijgen. Verdachte zei nogmaals dat ze verdacht werd van vernieling en brandstichting, maar vertelde er nu bij dat haar zusje daarbij om het leven was gekomen. De SI vroeg hoe het dan was gegaan, waarop verdachte zei ‘gewoon, in brand gestoken’. Ze maakte met haar hand een gebaar van het aandoen van een aansteker en met de andere hand alsof ze iets in haar hand had. Ze maakte daarbij ook het geluid: ‘tsssh’.De SI vroeg om verduidelijking omdat ze niet begreep wat verdachte bedoelde. Ze zei nogmaals: ‘gewoon in brand steken’ en maakte daarbij dezelfde gebaren en hetzelfde sisgeluid.De SI zei dat ze het niet begreep en dat ze ook wel eens geprobeerd had een brandende krant door een brievenbus te gooien, maar dat de krant voordat hij de grond had geraakt was uitgewaaid. De SI vroeg verdachte nogmaals hoe het gegaan was. Verdachte zei dat ze met een graffitibus gespoten had en er vervolgens een vlam had bijgehouden en dat zo de woning in brand was gegaan. De SI zei tegen verdachte dat ze dacht dat steen niet zou branden. Verdachte zei van wel. De SI vroeg aan verdachte of ze aan de voorzijde, de achterzijde of de zijkant van de woning stond. Verdachte zei dat ze aan de voorzijde stond. Later vroeg de SI nogmaals hoe de brand was ontstaan. Verdachte zei toen dat het een houten huis was. De SI vroeg haar of het misschien niet de bedoeling was dat haar zusje hierbij om het leven was gekomen. Verdachte zei dat dat inderdaad niet de bedoeling was. De SI vroeg of verdachte het zou gaan vertellen aan de politie. Verdachte zei dat ze niks zou gaan vertellen en dat ze gebruik zou maken van haar zwijgrecht.Nadat verdachte had opgemerkt dat er camera’s hingen veranderde haar gedrag. Ze zei direct dat ze niks gedaan had. De SI zei dat verdachte toch net had gezegd dat ze brand had gesticht met de spuitbus. Verdachte zei nogmaals dat ze niks gedaan had.Na een sociaal gesprek over haar moeder, werd er weer over de brand gesproken. De SI vroeg of niemand haar gezien had of dat er ergens een camera in de straat stond. Verdachte zei dat dit niet kon, omdat zij niks gedaan had. Ze zei dat haar moeder de branden had gesticht en haar de schuld ervan wilde geven.
Op 8 maart 2017 is verdachte weer (officieel) gehoord. Zij heeft toen antwoord gegeven op vragen over haar medicatie en ziekte. Ook heeft verdachte gesproken over haar moeder en andere familieleden en haar jeugd. Op het moment dat verdachte vragen werden gesteld over de brandstichting, heeft zij een beroep gedaan op haar zwijgrecht. Ook in latere verhoren heeft de verdachte geen vragen willen beantwoorden die zagen op het tenlastegelegde.

Relevante regelgeving en jurisprudentie

De inzet en wijze van uitvoering van het stelselmatig inwinnen van informatie door een politieambtenaar vindt wettelijke grondslag in artikel 126j Sv. Voor de inzet en toepassing van deze bevoegdheid volgt uit deze bepaling dat er een verdenking van een misdrijf moet zijn en het bevel in het belang is van het onderzoek. Mede naar aanleiding van het arrest van het EHRM in de zaak Allan tegen het Verenigd Koninkrijk van 5 november 2002 heeft de Hoge Raad voor de toelaatbaarheid van de inzet van een SI ten opzichte van een (al dan niet in voorlopige hechtenis bevindende) verdachte nadere vereisten geformuleerd, namelijk:- de bijzondere ernst van het misdrijf moet de inzet van het middel rechtvaardigen (proportionaliteit), terwijl een andere wijze van opsporing redelijkerwijs niet voorhanden is (subsidiariteit);- de verklaringen mogen niet worden verkregen in strijd met de verklaringsvrijheid van de verdachte zoals gewaarborgd door artikel 29 Sv en artikel 6 EVRM. Daarbij komt betekenis toe aan de proceshouding van verdachte, hetgeen zich in het voorbereidend onderzoek voor en gedurende de periode waarin de informant optreedt heeft afgespeeld, de aard en intensiteit van de door de informant ondernomen activiteiten jegens de verdachte, de mate van druk die daarvan jegens de verdachte kan zijn uitgegaan en de mate waarin de handelingen en gedragingen van de informant tot de desbetreffende verklaringen van de verdachte hebben geleid (HR 9 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9195);- er moet een voldoende nauwkeurige verslaglegging zijn zodat de rechter in staat wordt gesteld het een en ander te kunnen beoordelen. Naast verslaglegging door middel van verbalisering ligt in de rede dat voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is, de communicatie auditief of audiovisueel wordt geregistreerd (HR 19 december 2019, (ECLI:NL:HR:2019:1983).
Het EHRM heeft in de zaak Allan tegen het Verenigd Koninkrijk aangegeven dat het zwijgrecht voortvloeit uit de verklaringsvrijheid van de verdachte en bedoeld is om een verdachte te beschermen tegen oneigenlijke druk van de autoriteiten, waardoor (ook) voorkomen wordt dat valse bekentenissen worden afgelegd.

Oordeel hof

Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van haar zaak is tekort gedaan. Met inachtneming van die maatstaf overweegt het hof ten aanzien van het door de raadsman aangevoerde verweer als volgt.

Proportionaliteit en subsidiariteit inzet stelselmatige informatie inwinster

Ten aanzien van de proportionaliteit overweegt het hof dat de bijzondere ernst van het misdrijf waarvan verdachte werd verdacht, te weten brandstichting in een woning ten gevolge waarvan een jong meisje om het leven is gekomen -een strafbaar feit dat wordt bedreigd met een levenslange gevangenisstraf- de inzet van de SI zonder meer rechtvaardigt. Daarnaast is ook voldaan aan de subsidiariteitseis. De kans om met minder verstrekkende opsporingsmiddelen dichterbij opheldering van het misdrijf te komen was immers niet reëel. Zo blijkt uit het proces-verbaal aanvraag bevel stelselmatige informatie inwinning dat de tot dan toe ingezette opsporingsbevoegdheden vooralsnog niet genoeg materiaal boden om het scenario dat verdachte betrokken was bij de brandstichting te kunnen verifiëren dan wel falsifiëren. De onderschepte communicatie en het horen van getuigen leverden een aanmerkelijke verdenking op, echter, het verhoren van vrienden en familieleden van verdachte, alsmede het verspreiden van berichten over de brand via het regionale opsporingsprogramma Bureau Hengeveld en het landelijke programma Opsporing Verzocht gaf tot dan toe geen volledig beeld van de toedracht, werkwijze en het motief van de brandstichting. Uit het verrichte onderzoek bleek voorts dat verdachte een geïsoleerd bestaan leidde, waardoor het nagenoeg onmogelijk was om met de inzet van minder ingrijpende bevoegdheden zoals bijvoorbeeld interceptie van telefooncommunicatie of het horen van getuigen de betrokkenheid van verdachte bij het strafbare feit te onderzoeken. Dit werd wel nodig geacht, omdat vooralsnog niet de verwachting was dat het forensische onderzoek een eenduidige aanwijzing voor daderschap zou opleveren. Gelet hierop was het niet de verwachting dat andere, minder ingrijpende, opsporingsbevoegdheden bruikbaar resultaat zouden opleveren. Op grond van het voorgaande was er naar het oordeel van het hof geen redelijk alternatief voor de inzet van de SI beschikbaar. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de inzet van de SI onder de gegeven omstandigheden voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Verklaringsvrijheid verdachte

Nu het hof heeft geoordeeld dat de toepassing van artikel 126j Sv voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit komt het voor de vraag te staan of de informatie die van verdachte is verkregen niet in strijd met de in artikel 29, eerste lid, Sv tot uitdrukking gebrachte en de in artikel 6, eerste lid, EVRM besloten liggende verklaringsvrijheid van verdachte is afgelegd, nu toepassing van artikel 126j Sv ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte het gevaar in zicht bergt dat een verdachte op zodanige wijze feitelijk komt te verkeren in een verhoorsituatie waarbij de waarborgen van een formeel verhoor door een politiefunctionaris ontbreken en verklaringen worden verkregen die in strijd met de verklaringsvrijheid van verdachte zijn afgelegd. Ten aanzien van de proceshouding van verdachte geldt dat zij ten aanzien van de tenlastegelegde feiten steeds een beroep op haar zwijgrecht heeft gedaan. Zij heeft echter op het moment dat zij dacht dat ze met een mede-arrestant op de luchtplaats was zich zelf belast. Uit het proces-verbaal van de SI volgt dat verdachte op vragen van de SI antwoord heeft gegeven, waarbij niet is gebleken dat op verdachte door de SI druk werd uitgeoefend. Verdachte heeft antwoord gegeven omdat zij dacht dat zij sprak met een mede-arrestant en niet omdat zij onder druk werd gezet. Verder geldt dat - toen verdachte op 7 maart 2017 in de gaten kreeg dat er camera’s waren geplaatst op de luchtplaats - zij haar betrokkenheid bij het tenlastegelegde ging ontkennen en bleef ontkennen. Daaruit leidt het hof af dat verdachte - ondanks het feit dat het een kwetsbare verdachte betrof en zij in voorarrest zat - in staat was haar wil te bepalen, overeenkomstig die wil te verklaren en zich niet liet beïnvloeden door de SI.Uit het bovenstaande blijkt dus dat verdachte enerzijds is misleid, maar dat anderzijds door de SI geen of weinig druk is uitgeoefend op verdachte, waardoor het hof van oordeel is dat niet zodanig inbreuk is gemaakt op de verklaringsvrijheid van verdachte dat in strijd is gehandeld met artikel 29 Sv en artikel 6 EVRM.
Verslaglegging

De SI heeft direct na iedere inzet haar bevindingen aan twee collega’s medegedeeld - welke collega’s daarvan telkens proces-verbaal hebben opgemaakt - en de SI zelf heeft nog dezelfde dag na de gesprekken met verdachte gedetailleerde en uitvoerige processen-verbaal opgesteld. Aan de hand van die processen-verbaal kan nagegaan worden hoe de gesprekken zijn verlopen en in hoeverre er druk is uitgeoefend. De SI heeft ook in haar processen-verbaal aangegeven welke vragen zij heeft gesteld en hoe vaak. Opmerking verdient wel dat de processen-verbaal pas na de gesprekken werden opgemaakt, zodat het risico dat relevante informatie niet werd vastgelegd groter was dan wanneer die informatie nog tijdens de gesprekken werd vastgelegd (zoals in het algemeen tijdens een politieverhoor gebeurt).
Mede gelet op de laatste opmerking valt op dat de gesprekken niet zijn opgenomen, terwijl voorafgaand aan de inzet van de SI duidelijk was dat sprake was van een verdachte met een psychiatrisch ziektebeeld en die van een ernstig strafbaar feit werd verdacht. De politieverhoren van verdachte waren daarom omgeven met veel waarborgen. Zo werd verdachte gehoord, in het bijzijn van haar raadsman, door verbalisanten die gespecialiseerd waren in het verhoor van kwetsbare verdachten en werden de verhoren op beeld en geluid opgenomen. Die waarborgen zijn niet in acht genomen bij de inzet van de SI, terwijl het auditief of audiovisueel opnemen van communicatie gemakkelijk ingepast had kunnen worden binnen de inzet van de SI. Nu dit niet is gebeurd, is naar het oordeel van het hof sprake van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Mogelijke rechtsgevolgen

De vraag is of, en zo ja, welke rechtsgevolgen aan dit vormverzuim moeten worden verbonden. Bij de beoordeling hiervan dient het hof rekening te houden met de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de ernst van het feit en de daarmee samenhangende zwaarwegende belangen als de waarheidsvinding en de bestraffing van de dader van een (zeer ernstig) strafbaar feit, alsmede de rechten van slachtoffers en hun nabestaanden.Het belang van het geschonden voorschrift betreft in de onderhavige zaak het effectief kunnen controleren van de inzet van het opsporingsmiddel en het daaruit voortkomende bewijsmateriaal, waarbij het in dit geval vooral gaat om de vraag of er geen valse bekentenis is afgelegd en verdachte vrij is geweest haar eigen procespositie te bepalen. Voor wat betreft de ernst van het verzuim neemt het hof in overweging dat het naar zijn oordeel zonder meer mogelijk was geweest de gesprekken op enigerlei wijze op te nemen. Het nadeel van verdachte zit erin dat weliswaar uit de door de SI opgestelde processen-verbaal blijkt hoe de gesprekken tussen verdachte en de SI zijn verlopen, maar dit niet auditief dan wel visueel gecontroleerd kan worden. Voor wat betreft de ernst van het feit neemt het hof in aanmerking dat het een bijzondere ernstig misdrijf betreft, te weten brandstichting in een woning ten gevolge waarvan een jong meisje om het leven is gekomen.
Het hof is van oordeel dat dit vormverzuim niet dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hiervan kan slechts sprake zijn indien het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van een verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Daarvan is het hof niet gebleken.

De vraag die vervolgens voor ligt is of het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting maar het hof is van oordeel dat daarvan evenmin sprake dient te zijn. Hiervoor geldt in de eerste plaats dat de inhoud en de wijze waarop het gesprek tussen de SI en verdachte is gevoerd gecontroleerd kan worden aan de hand van de uitvoerige en gedetailleerd opgestelde processen-verbaal van de SI. In de tweede plaats geldt dat ook anders dan aan de hand van opnames de betrouwbaarheid van het proces-verbaal (waarin de verdachte over zich zelf belastende uitspraken doet) van de SI kon en kan worden getoetst. Volgens dat proces-verbaal zou verdachte immers hebben verklaard dat zij brand heeft gesticht met behulp van een graffitibus.

Tot het moment dat verdachte heeft verklaard dat ze had gespoten met een graffitibus en daar vervolgens een vlam bij had gehouden, waren er (voor anderen dan de verdachte) nog geen aanwijzingen dat de brand in de woning op die wijze was gesticht. Na deze verklaring van verdachte is het NFI deze wijze van brandstichting gaan onderzoeken en uit dit onderzoek is gebleken dat de brand ook daadwerkelijk op de door verdachte genoemde wijze gesticht kan zijn. De informatie die verdachte in haar gesprek met de SI heeft gegeven moet dan ook daderkennis zijn. In die zin is het proces-verbaal inhoudende de verklaring van verdachte tegenover de SI toch controleerbaar.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is het hof in het onderhavige geval van oordeel dat, alle van belang zijnde factoren in ogenschouw nemende, kan worden volstaan met de vaststelling dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat de tweede door verdachte op 7 maart 2017 tegenover de SI afgelegde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd.

Overweging ten aanzien van het bewijs


Ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 primair, subsidiair en meer subsidiair en het onder 5 tenlastegelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van enig concreet bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de brandstichting in de woning aan de [adres] . Voorts heeft de raadsman ten aanzien van het onder 4 en 5 tenlastegelegde aangevoerd dat al hetgeen is voortgekomen uit de (onrechtmatige) inzet van de SI dient te worden uitgesloten van het bewijs. Ten aanzien van de onder 4 primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer] heeft de raadsman aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] iets zou hebben willen aandoen en dat zij geen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] ,

Oordeel van het hof

Zoals hiervoor reeds overwogen is het hof van oordeel dat uitsluiting van de verklaringen van verdachte zoals afgelegd tegenover de SI niet aan de orde is. Voorts is het hof van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.Uit die bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af.
Feitelijke situatie

Op 14 januari 2017, omstreeks 3.25 uur, brak er brand uit in een tussenwoning aan de [adres] te Amersfoort. De brand ontstond in de hal van de woning. Op dat moment lagen twee personen boven te slapen, te weten de 26-jarige [zus verdachte] en haar 11-jarige halfzusje [slachtoffer] . [zus verdachte] wist zichzelf via haar slaapkamerraam in veiligheid te brengen. [slachtoffer] is later door de gealarmeerde brandweer op haar zolderkamer in bed aangetroffen. Zij was buiten bewustzijn en had geen hartslag. Buiten werd zij gereanimeerd en met spoed overgebracht naar het ziekenhuis en later naar het brandwondencentrum te Beverwijk, waar zij een dag later aan haar verwondingen overleed. Ten tijde van de brand waren de bewoners van de woningen aan de [adres] en [adres] thuis. Zij werden waker door de rook in hun woningen. In beide woningen was sprake van roetschade als gevolg van de brand in de woning aan de [adres] .
Verdenking en motief verdachte

Gedurende het politieonderzoek kreeg het onderzoeksteam steeds meer aanwijzingen dat verdachte betrokken is geweest bij de brandstichting. Hierboven is reeds aangegeven dat in het proces-verbaal van verdenking van 17 februari 2017 verschillende personen genoemd zijn die verklaard hebben over verdachte als het gaat om de haat tegen haar moeder en zus [zus verdachte] , het brand stichten in de eigen wastafel met wasbenzine en de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting bij de winkel van haar moeder. Een andere oud-vriendin van verdachte, [getuige 4] , heeft op een later moment, te weten op 31 maart 2017, tegenover de politie verklaard dat verdachte vooral boos was op haar moeder, zus en broer. Zij verklaarde voorts dat verdachte aan de telefoon wel eens zei dat ze naar het benzinestation wilde gaan en benzine wilde kopen en dat ze dan de auto van haar moeder in de brand wilde steken, omdat verdachte wilde dat haar moeder zou voelen wat zij ook voelde.
Op grond van voornoemde omstandigheden concludeert het hof dat er sprake is van een al lang bestaande persisterende haat van verdachte jegens moeder [getuige 5] , hetgeen als motief kan gelden voor het tenlastegelegde, welke haat zich lijkt te uiten in (voornemens tot) brandstichting. Dat verdachte ook daadwerkelijk degene is geweest die de brand in de woning van moeder [getuige 5] heeft gesticht, leidt het hof voorts af uit de volgende feiten en omstandigheden.

Overig bewijs

Op 7 maart 2017 wordt verdachte aangehouden. Diezelfde dag maakt de SI op de luchtplaats van het arrestantencomplex in Almere contact met verdachte. De SI maakt hiervan na afloop proces-verbaal op, waarin zij onder meer het volgende relateert:
‘Ze zei dat ze werd verdacht van brandstichting in een woning, maar zei nu dat haar zusje hierbij om het leven gekomen is. Ik vroeg haar hoe dat dan gegaan was. Ze vertelde mij letterlijk: gewoon, in brand gestoken. Ze maakte met haar hand een gebaar van het aandoen van een aansteker en met de andere hand alsof ze iets in haar hand had. Ze maakt hierbij ook het geluid tsssh. Ze zei dat ze met een graffitibus gespoten had en er vervolgens de vlam bijgehouden had en dat zo de woning in de brand was gegaan.’

In de woning aan de [adres] te Amersfoort waren op het moment van de brand ook [broer verdachte] , de broer van verdachte, en [getuige 5] , moeder van verdachte woonachtig. Zij waren op het moment van de brand echter niet thuis. De auto van moeder [getuige 5] stond op het moment van de brand wel in de straat geparkeerd. Het zag er dus uit alsof zij thuis was.

Op het kozijn, de muur en de voordeur van de woning aan de [adres] is zwarte verf aangetroffen, zeer waarschijnlijk aangebracht door middel van een spuitbus. [zus verdachte] en [getuige 5] hebben de zwarte strepen bij het raam niet eerder gezien. Dat maakt het aannemelijk dat de strepen rond het tijdstip van de brand zijn aangebracht.

Uit opgevraagde bankrekeninggegevens van verdachte blijkt dat op 18 april 2016 een pintransactie heeft plaatsgevonden bij de Hema te Amersfoort waarbij zwarte spuitverf is aangekocht. Voorts blijkt uit de opgevraagde bankrekeninggegevens van verdachte en een proces-verbaal van bevindingen van politie van 6 september 2017 dat er op 20 oktober 2016 een pintransactie heeft plaatsgevonden bij de Gamma te Amersfoort waarbij 5 liter klassieke terpentine van het huismerk Gamma is aangekocht.
De zwarte verf veiliggesteld vanaf het kozijn, de muur en de voordeur van de woning aan de [adres] is bemonsterd en vergeleken met de verf uit de door de politie bij de Hema aangeschafte soortgelijke spuitbus als de spuitbus die op 18 april 2016 door de verdachte is aangekocht. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft een vergelijkend verfonderzoek uitgevoerd en komt tot de conclusie dat de zwarte verf uit de spuitbus een alkydverf betreft die alkydhars als bindmiddel betreft en dat dergelijke verf ook is aangetroffen op de woning. De sporen afkomstig van het kozijn, de muur en de voordeur van de woning komen qua bindmiddel samenstelling overeen met de verf uit de door de politie aangekochte Hema spuitbus.

Voorts is door het Nederlands Forensisch Instituut een brand technisch onderzoek verricht naar de woningbrand. In het rapport van 19 oktober 2017 wordt gerelateerd dat in de brandmonsters die zijn veiliggesteld in de woning achter de voordeur, aan de linkerzijde van de dorpel van de woonkamer, op de begane grond aan de linkerzijde van de trap, aan de rechterzijde van het kozijn van de woonkamerdeur en op de begane grond aan de linkerzijde van de trap, vluchtige stoffen zijn aangetoond die van een aardoliedestillaat afkomstig zijn en dat de aangetoonde combinatie van deze stoffen wijst op een product van de subklasse terpentine. Het betreft klassieke terpentine. De aangetroffen sporen kunnen afkomstig zijn van de klassieke terpentine van het huismerk Gamma.Uit dit brand technisch onderzoek blijkt voorts dat het ontstaansgebied van de brand zich in de gang van de woning bevond en dat de brand nabij de voordeur en/of de kapstok is ontstaan. Een technische oorzaak van de brand kan worden uitgesloten. Door de brandeigenschappen van terpentine moet de brand op enigerlei wijze door een open vlam zijn ontstoken. Brandende kaarsen op de tv-kast in de woonkamer zijn niet van invloed zijn geweest op het ontstaan en/of de ontwikkeling van de brand. Het NFI concludeert dat een spuitbus met verf als vlammenwerper kan worden gebruikt en dat het daarmee mogelijk is om via de brievenbus een brand in de woning te veroorzaken en dat, afhankelijk van hoe de spuitbus wordt bewogen, daarbij ook onverbrande verf op en rondom de brievenbus terecht kan komen.

Gelet op voornoemde feiten omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat i) de brand in de woning aan de [adres] te Amersfoort is gesticht door het op enige wijze brengen/gieten/sproeien van terpentine in de hal van die woning en vervolgens deze terpentine, door middel van een spuitbus met zwarte verf als vlammenwerper door de brievenbus heen, met open vuur in aanraking te brengen en ii) dat het de verdachte is geweest die op deze wijze brand heeft gesticht. Het hof heeft daarbij met name acht geslagen op de bekennende verklaring van de verdachte tegenover de SI inhoudende dat zij de brand in de woning van haar moeder heeft gesticht door middel van een aansteker en een graffitibus, terwijl uit onderzoek van het NFI blijkt dat de betreffende brand - gelet op het sporenbeeld - inderdaad op de wijze als door de verdachte verklaard kan zijn gesticht.
Het Hof acht voorts redengevend dat er met de bankpas van verdachte op 18 april 2016 een spuitbus zwarte verf bij de Hema is aangeschaft. Dit omdat de eerst ten tijde van de brandstichting - naar het hof vaststelt door middel van een spuitbus - op en nabij de voordeur van de woning aan de [adres] aangebrachte zwarte verf qua bindmiddel overeenkomt met de door de politie op 4 april 2017 bij de Hema aangeschafte referentie-spuitbus zwarte verf en de brandstichting is gepleegd door middel van een spuitbus als vlammenwerper. Daarbij telt mee dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen spuitbus zwarte verf is aangetroffen en verdachte geen redelijke de redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

Het hof acht - gelet op de bijzonder grote hoeveelheid - tevens redengevend dat er met de bankpas van verdachte op 20 oktober 2016 bij de Gamma 5 liter klassieke terpentine is aangeschaft. Dit omdat er bij de brand terpentine als brandversnellend middel is gebruikt en er bij de doorzoeking van de woning van verdachte geen terpentine is aangetroffen, terwijl verdachte ook hiervoor geen redelijke die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven.

Vrijspraak moord

Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal - op basis van het onderzoek ter terechtzitting en ook overigens op basis van de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde (moord op [slachtoffer] ) heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.In dat verband overweegt het hof dat het gelet op de psychiatrische stoornis waaraan verdachte lijdt, niet kan vaststellen dat verdachte (bijvoorbeeld vanwege een verslechtering van haar toestand als gevolg van het niet innemen van de medicatie) ten tijde van de brandstichting bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat haar halfzusje door haar handelen zou komen te overlijden.
Alles afwegende acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal - op basis van het onderzoek ter terechtzitting en ook overigens op basis van de inhoud van het dossier eveneens niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair, 2 subsidiair, 2 meer subsidiair, 2 meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte ook daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daartoe overweegt het hof dat er weliswaar sterke aanwijzingen zijn dat verdachte iets met dit feit te maken heeft, in die zin dat zij mogelijk benzine over de auto van haar moeder zou hebben gegooid, doch dat dit onvoldoende is om te concluderen dat hiermee sprake is geweest van (poging tot/voorbereiding van) brandstichting dan wel van vernieling/beschadiging/onbruikbaar maken van de onder feit 2 bedoelde auto.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen en waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 subsidiair en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Feit 4 subsidiairzij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning aan de [adres] ,
immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk

- - - - ten gevolge waarvan die woning en/of de inboedel van die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de inboedel van die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor zich in die woning bevindende perso(o)nen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, welk feit de dood van [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;
Feit 5zij op of omstreeks 14 januari 2017 te Amersfoort, althans in het arrondissement Midden-Nederland,
opzettelijk brand heeft gesticht in/aan een woning gelegen aan de [adres] , immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk
- - - - ten gevolge waarvan de (inboedel van de) belendende woningen gelegen aan de [adres] en [adres] geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor de (inboedel van) overige belendende woningen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in die belendende woningen aanwezige perso(o)n(en), in elk geval levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat zij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

en
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is en het feit iemands dood ten gevolge heeft

(feit 4)

En

Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en
Opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is

(feit 5).

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu zij als ontoerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Verdachte is in de periode van 20 juli 2017 tot en met 7 september 2017 onderzocht in het Pieter Baan Centrum. Echter, door de beperkte deelname van verdachte en het ontbreken van hetero-anamnestische informatie van naasten en specifieke symptoombeschrijvingen vanuit de GGZ gaven de rapporteurs aan dat het niet mogelijk is gebleken om tot uitgekristalliseerde diagnostische conclusies te komen. In hoger beroep is aanvullend onderzoek verricht, waarbij verdachte wel (gedeeltelijk) heeft meegewerkt. In het hieruit voortgevloeide aanvullend triple onderzoek Pro Justitia van 31 juli 2019, opgemaakt door L.J.H. Kuipers (psychiater), T.W. van de Kant (GZ-psycholoog) en [milieuonderzoeker] (forensisch milieuonderzoeker) wordt met betrekking tot de bij verdachte bestaande stoornis en de toerekenbaarheid onder meer overwogen, zakelijk weergegeven:
‘Bij betrokkene is sprake van schizofrenie. Haar ziektebeeld wordt met name gekenmerkt door desorganisatie, paranoïde gedachten en benadelingsdenken. Gezien de aard en ernst van de stoornis en het beloop van betrokkenes toestandsbeeld over de afgelopen jaren kan gesteld worden dat deze stoornis ook aanwezig was op het moment van het tenlastegelegde. De schizofrenie heeft een bepalende rol gespeeld in de totstandkoming van de tenlastegelegde feiten.’

en
‘Betrokkene heeft niet met ondergetekenden willen spreken over de tenlastegelegde feiten. Gezien de aard en omvang van betrokkenes pathologie, het chronologisch beloop van haar klachten en problematiek en de dynamiek die wordt waargenomen in de onderzoeksgesprekken kunnen er toch uitspraken worden gedaan over de mate van toerekening. Er worden door ondergetekenden geen aanwijzingen gezien dat betrokkene langdurig vrij is geweest van psychotische klachten.

Ondergetekenden adviseren betrokkene de feiten in een verminderde mate toe te rekenen. Er wordt te weinig zicht verkregen op de delictscenario’s om een verdere vermindering te onderbouwen.’

Omdat de conclusies van de psychiater en psycholoog omtrent de persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en de mate waarin die op 14 januari 2017 heeft doorgewerkt in haar handelen, worden gedragen door hun bevindingen, neemt het hof die over en maakt die tot de zijne. Het hof stelt dus vast dat de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens - de schizofrenie - een bepalende rol heeft gespeeld in de totstandkoming van het onder 4 en 5 tenlastegelegde. Het hof rekent de verdachte die feiten daarom in verminderde mate toe.

De stelling van de verdediging dat sprake zou zijn van een volledig ontoerekeningsvatbare verdachte vindt geen steun in de over verdachte opgemaakte rapporten.

Overeenkomstig de conclusie dat de bewezenverklaarde feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er is voorts ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

Oplegging van straf en maatregel

De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen. De raadsman van verdachte heeft verzocht te komen tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht dan wel te volstaan met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden ex artikel 38 van het Wetboek van Strafrecht.
De hierna te melden straf- en maatregeloplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij daarbij in het bijzonder in de navolgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting in de woning van haar familie, waarbij haar elfjarige halfzusje [slachtoffer] op afschuwelijke wijze om het leven is gekomen. Ook haar zus [zus verdachte] bevond zich ten tijde van de brandstichting in de woning, maar zij wist aan de brand te ontkomen door uit het slaapkamerraam te klimmen. De buren aan beide zijden van de woning aan de [adres] hebben als gevolg van de brand ook aanzienlijke (roet)schade opgelopen en bovendien was de woningbrand ook voor hen niet zonder gevaar.
Door haar handelen heeft verdachte blijk gegeven van een volstrekt gebrek aan respect voor het leven van haar medemens. Zij heeft de brand gesticht op een voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, een plek waar personen zich bij uitstek veilig dienen te kunnen voelen. Verdachte heeft geen openheid en inzicht gegeven in haar handelen en heeft op geen enkele wijze spijt, emotie en invoelingsvermogen getoond ten aanzien van het overlijden van haar halfzusje. Verdachte heeft met haar daad onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de nabestaanden van [slachtoffer] , zoals de schriftelijke slachtofferverklaringen van de nabestaanden daarvan getuigen. Feiten als de onderhavige veroorzaken bovendien ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de personen die in de nabijheid van de slachtoffers leefden en/of woonden in het bijzonder.
Het hof heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 november 2019. Daaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld zodat dat niet strafverhogend werkt.

Uit het hiervoor genoemde aanvullend triple onderzoek Pro Justitia van 31 juli 2019 blijkt dat bij verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van schizofrenie en dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden beschouwd. Voorts is in genoemd rapport door psychiater Kuipers en psycholoog Van de Kant onder meer aangegeven, zakelijk weergegeven:

‘Er zijn eigenlijk nauwelijks beschermende factoren. Gebruikmakend van gestructureerde risicotaxatie wordt duidelijk dat het risico wordt ingeschat als hoog. De beschreven pathologische risicofactoren in combinatie met het ontbreken van stabiliteit, medicatietrouw, ziekte-inzicht, behandelmotivatie en een steunend netwerk, maken dat de kans op recidive in een vergelijkbaar delict wordt ingeschat als hoog.

Vanwege de aard en omvang van de vastgestelde problematiek wordt ingeschat dat een langdurig behandel- en begeleidingstraject noodzakelijk is binnen een omgeving met een in aanvang hoog beveiligingsniveau. Behandeling in een rustige en gestructureerde omgeving, waar men expertise heeft op het gebied van psychotische problematiek, geniet de voorkeur. Binnen de behandeling dient, naast behandeling van de actuele psychotische stoornis, aandacht te zijn voor de problemen ten aanzien van mogelijk aanwezige complexe traumatisatie (PTSS) en zou overwogen kunnen worden om, na stabilisatie van het huidige toestandsbeeld met behulp van medicatie, aanvullende diagnostiek te verrichten naar de persoonlijkheid en cognitieve vermogens van betrokkene.

Gelet op de beschreven psychopathologie en de daarmee samenhangende, zoals hierboven beschreven, grote kans op herhaling van gedragingen als thans ten laste gelegd, adviseren wij aan betrokkene de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen.’

Het hof zal, gelet op het vorenstaande, bevelen dat verdachte ter beschikking wordt gesteld, nu bij de verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, het onder 4 subsidiair en 5 bewezenverklaarde misdrijven betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld en naar het oordeel van het hof de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist. Daarbij zal het hof bevelen dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.Het hof stelt in dit verband vast dat het onder 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde misdrijven opleveren die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de maatregel niet op voorhand is gemaximeerd.
Voor oplegging van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis dan wel terbeschikkingstelling met voorwaarden, zoals door de raadsman is verzocht, ziet het hof geen ruimte, nu uit het aanvullend triple onderzoek Pro Justitia is gebleken dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat en een (in aanvang) hoog beveiligingsniveau noodzakelijk wordt geacht. Een stringent kader als terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is daarom aangewezen.

Naast oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging acht het hof, in het bijzonder gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en vanuit het oogpunt van vergelding, oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte, zoals hiervoor overwogen, verminderd toerekeningsvatbaar is. Het hof acht een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Verzoek horen getuigen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven dat verdachte haar ernstig psychische terugval in 2016/2017 wijdt aan het gebrek aan toezicht en begeleiding door de GGZ te Amersfoort. De GGZ heeft ondanks de ernst en problematiek de zaak van verdachte niet opgepakt en het hiermee ernstig laten afweten. Gelet hierop is bij de appelschriftuur verzocht om de voormalig behandelaren/contactpersonen van verdachte alsnog als getuigen te doen horen. Deze verzoeken zijn op voorhand door het hof niet toegewezen. Verdachte is van oordeel dat hiermee van haar lezing van de gang van zaken dient te worden uitgegaan. Indien het hof daar anders over denkt, bestaat toch de noodzaak tot het horen van deze getuigen, aldus de raadsman.
Voor zover de raadsman hiermee nogmaals (al dan niet voorwaardelijk) heeft willen verzoeken tot het horen van de voormalig behandelaren/contactpersonen van verdachte oordeelt het hof dat, los van het oordeel van het hof omtrent hetgeen in dit verband naar voren is gebracht, de noodzaak tot het horen van deze personen niet gebleken is, zodat dit verzoek dient te worden afgewezen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 700,-, bestaande uit € 400,- aan materiële schade en € 300,- aan immateriële schade, het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 400,-, aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade, te weten de gevorderde materiële schade ad € 400,-, gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Anders dan de rechtbank ziet het hof geen reden de vervangende hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel slechts op één dag te stellen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.384, 55 , bestaande uit € 1.634, 55 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, het totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.634, 55 aan materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.634, 55 , te weten de gevorderde materiële schade. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze. Ook hier ziet het hof anders dan de rechtbank geen reden de vervangende hechtenis van de schadevergoedingsmaatregel slechts op één dag te stellen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 55 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

beslissing

BESLISSING

Het hof:

Wijst af het verzoek tot het horen van getuigen.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder 1 en 3 tenlastegelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht: