Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:322

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:322, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.236.810/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.810/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 194826)
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2020:322:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.236.810/01(zaaknummer rechtbank Overijssel 194826)
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

1

gevestigd te [A] ,hierna: ,
wonende te [A] ,hierna: ,
wonende te [A] ,hierna: ,appellanten,in eerste aanleg: eisers,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. H.M. van Eerten, kantoorhoudend te Zwolle,
tegen

MTH Accountants & Adviseurs B.V.

gevestigd te Emmeloord, mede kantoorhoudend te Steenwijk,geïntimeerde,in eerste aanleg: gedaagde,hierna: ,advocaat: mr. P.H. Kramer, kantoorhoudend te Amsterdam.
2. [appellant2]

3. [appellante3]

1

1.1
Voor het verloop van de procedure tot 6 augustus 2019 verwijst het hof naar het arrest dat op die datum is gewezen. Ter uitvoering van dat arrest heeft op 9 december 2019 een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Daarbij zijn van beide zijden spreeknotities overgelegd die aan het proces-verbaal zijn gehecht.
1.2
De door Huzen op 6 december 2019 ingezonden nadere producties zijn vanwege de te late indiening daarvan ter comparitie geweigerd.

1.3
Partijen hebben arrest gevraagd op de voorafgaand aan de zitting toegezonden procesdossiers, aangevuld met het proces-verbaal van de comparitie.
1.4
Het hoger beroep van Huzen strekt tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 6 december 2017 en het alsnog toewijzen van de vordering van Huzen, met veroordeling van MTH in de kosten van beide instanties.
2

2.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.
2.2
[appellant2] , geboren [in] 1940, exploiteert in maatschapsverband een vleeskalver-houderij.
2.3
MTH, en eerder haar rechtsvoorgangsters, verricht sinds vele jaren voor Huzen financieel-administratieve werkzaamheden. De relatiebeheerder van MTH voor Huzen was [B] . De opdracht voor deze werkzaamheden is niet schriftelijk bevestigd of anderszins tussen partijen vastgelegd.
2.4
In het kader van de door MTH aan Huzen verleende diensten heeft MTH de jaarlijkse aangiften belasting verzorgd en de jaarcijfers opgesteld. Daarnaast heeft MTH jaarlijks namens Huzen de Gecombineerde Opgaven (GO) ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), voorheen de Dienst Regelingen. Met de GO dient een agrarisch ondernemer opgave te doen van de hoeveelheid percelen die hij gebruikt en waarvoor hij ze gebruikt. Daarmee krijgt de overheid inzicht om (onder meer) mestbeleid te kunnen voeren. De GO kan door een agrarisch ondernemer tevens worden gebruikt om landbouwsubsidies aan te vragen en verzoeken te doen tot verzilvering van zogenaamde toeslagrechten (vanaf 2015 betaalrechten genoemd). De GO bestaan uit twee delen: (i) een topografische kaart waarop de door de aangever gebruikte percelen worden ingetekend en (ii) een formulier waarin onder andere wordt aangegeven waarvoor de aangever de percelen gebruikt.
2.5
Huzen heeft - via MTH, in de persoon van [B] - in de achterliggende jaren de volgende Gecombineerde Opgaven bij RVO gedaan:
-

2007 voor 15,29 hectare, waarvan 8,16 hectare voor korrelmais en 7,13 hectare als grasland;

2008 voor 4 hectare als grasland;

2009 voor 3,99 hectare als grasland;

2010 voor 15,58 hectare, waarvan 10,45 hectare voor snijmais en 5,13 hectare als grasland;

2011 voor 15,63 hectare, waarvan 9,65 hectare voor de teelt van (poot)aardappelen en 5,98 hectare als grasland.

2.6
In de aangiften inkomstenbelasting 2001 en 2002 heeft Huzen opbrengsten verantwoord uit de teelt van aardappelen.
2.7
Vanaf 2010 beschikte Huzen over 19,82 toeslagrechten die hij kon verzilveren.
2.8
In een brief van 30 november 2011 heeft RVO aan Huzen meegedeeld dat bij controle is gebleken dat de omvang van de voor de uitbetaling van toeslagrechten in de GO 2011 opgegeven percelen voor een relevant gedeelte afwijkt van de percelen waarop Huzen een zodanig uitbetalingsrecht zou mogen baseren. RVO heeft verder geschreven dat de aard en omvang van de afwijking wordt gezien als een opzettelijk foutieve opgave en dat zij daarom voornemens is Huzen daarvoor te sanctioneren. Huzen is daarop de gelegenheid geboden om op dit voornemen te reageren, van welke gelegenheid [B] namens Huzen gebruik heeft gemaakt.
2.9
De namens Huzen door [B] op 8 december 2011 gegeven reactie luidt:
“De teelt op de betreffende percelen betreft pootaardappelen. Achteraf is gebleken dat de betreffende teelt niet door de eigenaar verricht is maar door een derde. Per abuis zijn deze percelen door zowel de eigenaar als door genoemde derde opgegeven op de gecombineerde opgave. Bij de telefonische navraag door een medewerker van LNV is dit door de eigenaar gelijk aangegeven. De afwijking berust dus puur op een misverstand, van bewuste opzet is geen sprake.”

2.10
In een brief van 20 april 2012 heeft RVO beslist dat van de aangevraagde verzilvering van 15,63 hectare 9,65 hectare is afgekeurd omdat het in 2011 bij derden in gebruik zijnde percelen betrof voor de teelt van pootaardappelen. Goedgekeurd werd de aanvraag voor 5,98 hectare, corresponderend met een bedrag aan toeslagrechten van € 8.385,10. In de brief is verder meegedeeld dat RVO laatstgenoemd bedrag niet zal uitkeren omdat de als opzettelijk gekwalificeerde afwijking meer dan 50% was. Daarnaast behelst de beslissing een verdere uitsluiting van € 13.531,13 voor de verzilvering van toeslagrechten over de drie opvolgende jaren.
beslissing

3

3.1
Huzen heeft in eerste aanleg - samengevat - gevorderd de veroordeling van MTH tot betaling van € 46.901,68, te vermeerderen met wettelijke rente, en de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst van opdracht, te weten tot het beloop van de onbetaalde gedeelten van de declaraties van MTH, met veroordeling van MTH in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.
3.2
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 december 2017 de vordering van Huzen afgewezen, en Huzen veroordeeld in de proceskosten, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen.
overwegingen

4

4.1
Huzen heeft 4 grieven gericht tegen het bestreden vonnis. Grief I komt op tegen de door rechtbank tot uitgangspunt genomen norm waaraan het handelen van MTH moet worden getoetst. Met grief II stelt Huzen dat MTH de aangeleverde informatie op juistheid en/of volledigheid had moeten controleren en MTH dienaangaande een zorgplicht heeft geschonden. Grief III komt er in de kern op neer dat de adviserende rol en de zorgplicht van MTH is miskend als het gaat om niet-benutte betaalrechten van Huzen. Grief IV keert zich tegen de veroordeling van Huzen in de proceskosten. Het hof zal deze grieven achtereenvolgens behandelen.
4.2
De door Huzen gevorderde hoofdsom van € 46.901,68 is de som van vier bedragen, waaronder een post van € 13.531,13. Aan deze post heeft Huzen ten grondslag gelegd dat MTH heeft nagelaten hem te adviseren over de mogelijkheden om in de jaren 2012 tot en met 2014 te ontkomen aan de door RVO opgelegde sanctie van € 13.531,13 als gevolg van de onjuiste GO over 2011. In overweging 4.6 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat MTH niet aansprakelijk is voor (gevolg)schade die voortvloeit uit het niet adviseren over mogelijkheden de schade van Huzen als gevolg van de onjuiste GO voor 2011 te beperken. In geen van de grieven of de daarop gegeven toelichting is een (voldoende duidelijk) bezwaar te lezen tegen dat oordeel van de rechtbank. Dit onderdeel van het debat van partijen ligt daardoor in hoger beroep niet meer voor. Dat Huzen in hoger beroep ook dit deel van zijn vordering tot vergoeding van zijn schade heeft gehandhaafd, kan dat niet anders maken.
4.3
Huzen heeft met aangevoerd dat de door de rechtbank aangelegde maatstaf, te weten dat een beroepsbeoefenaar zoals in dit geval een accountant ten opzichte van zijn cliënt de zorgvuldigheid in acht moet nemen die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht, onvoldoende precies is en dat daarbij betrokken moet worden dat het gaat om een accountant die zich profileert als klantadviseur en ‘agro adviseur’. De grief faalt omdat het miskent dat de rechtbank daarbij - terecht - tot uitgangspunt heeft genomen dat de omstandigheden van het geval bepalen of de accountant de in artikel 7:401 BW bedoelde zorg van een goed opdrachtnemer in acht heeft genomen. In dat verband kan onder meer relevant zijn met welke deskundigheid de beroepsbeoefenaar zich bij de opdrachtgever heeft neergezet, evenals andere aspecten, zoals bijvoorbeeld die genoemd door de rechtbank. Een afzonderlijke norm als bepleit, is daarmee niet aan de orde.
4.4
Grief II

4.5
Tussen partijen is onomstreden dat MTH - in de persoon van [B] - al jarenlang voor Huzen de GO heeft ingediend, onder meer omdat deze digitaal moest worden ingediend en Huzen niet over een computer en internetaansluiting beschikte. Voorts is niet in geschil dat ten behoeve van de jaarlijkse indiening van een GO steeds tussen Huzen en [B] een bespreking plaatsvond, waarbij Huzen aan de hand van een topografische kaart per perceel aangaf waarvoor dat perceel dat jaar landbouwkundig werd gebruikt. In die gesprekken werd daarnaast gebruik gemaakt van het overzicht van de percelen dat het jaar daarvoor was ingediend bij RVO. Niet in geschil is dat [B] vastlegde wat Huzen hem vertelde over het gebruik van de percelen en dat vervolgens invulde in het digitale formulier ter zake, wat hij voor Huzen aan RVO verzond.
4.6
Voorts blijkt uit de door Huzen aldus ingediende opgaven over de jaren vanaf 2007 dat de opgegeven hectares niet alleen wisselden in gebruik, maar ook in omvang. Huzen heeft over de geringere aantallen opgegeven hectares over 2008 en 2009 verklaard dat hij in die jaren land had verhuurd.
4.7
Het is in dit verband voldoende aannemelijk geworden dat Huzen wist dat de opgaaf over de percelen moest zien op wat hijzelf in gebruik had en waarvoor, en dat percelen die niet (meer) bij hem in gebruik waren niet in de opgaaf betrokken moesten worden.
4.8
Niet ter discussie staat dat Huzen in de bespreking met [B] over de GO over 2011 heeft gezegd dat op de (meeste) percelen waarop hij in 2010 nog snijmais had verbouwd, dat jaar aardappelen stonden. Volgens Huzen heeft hij op dat moment niet gezegd dat hij dat niet zelf deed, maar Huzen stelt niet dat hij toen heeft gezegd dat een ander dat deed. Van belang is hierbij dat MTH onweersproken heeft aangevoerd dat [B] steeds afging op wat Huzen over het gebruik vertelde en dat [B] niet beschikte over andere bronnen van informatie aan de hand waarvan door hem het eigen gebruik van Huzen kon worden vastgesteld. Tegen de achtergrond van het voorgaande valt niet in te zien dat [B] beter had moeten weten en uit de mededeling van Huzen dat dat jaar op 9,65 hectare aardappelen werden geteeld niet heeft mogen begrijpen dat het daarbij ging om eigen gebruik van Huzen.
4.9
Daar waar vervolgens de GO 2011 - ook naar stelling van Huzen - niet afweek van wat is besproken en door [B] is genoteerd, ingevuld en ingediend, valt niet in te zien dat [B] het ingevulde formulier over het gebruik van percelen voor de indiening nog eens had moeten laten controleren of verifiëren door Huzen, zoals Huzen aanvoert. Daar waar er geen afwijking is tussen het een en het ander, doet een controle of verificatie niet ter zake.
4.10
Dat in de GO over 2011 gebruik van percelen voor pootgoedaardappelen is opgegeven, maakt het voorgaande niet anders. Huzen stelt wel dat het telen van pootaardappelen voor een kalvermester hoogst onwaarschijnlijk is, maar dat ziet er aan voorbij dat MTH - in de persoon van [B] - aan hem diensten leverde op financieel-administratief terrein. Huzen heeft in dit verband er wel op gewezen dat MTH zich (althans [B] ) (inmiddels) afficheert als ‘agro-adviseur’, maar het gaat daarbij, zoals hij in randnummer 2 van zijn grieven uiteenzet, om specialistische kennis om landbouw-ondernemers van dienst te kunnen zijn op het gebied van accountancy, belastingadvies en dergelijke en dat betekent niet dat MTH (en/of [B] ) dan inhoudelijke, materiële kennis moet hebben van de teelt van gewassen en/of landbouwkundig gebruik van percelen. Daarbij past verder de kanttekening dat Huzen over de jaren 2001 en 2002 in zijn aangiften inkomstenbelasting - waarbij MTH betrokken was - nog opbrengsten uit ‘aardappelen’ had verantwoord, zodat te minder reden is om van [B] (en MTH) te verwachten dat de mededeling van Huzen over het gebruik van zijn percelen in 2011 - al dan niet in combinatie met zijn leeftijd van toentertijd 70 jaar - reden was voor twijfel en voor nader onderzoek.
4.11
Het voorgaande leidt ertoe dat grief II vergeefs is voorgesteld.
4.12
Met voert Huzen aan dat MTH heeft nagelaten te adviseren over de in 2010 en 2011 onbenutte toeslagrechten en dat MTH haar zorgplicht tegenover Huzen heeft geschonden, in welk verband Huzen bedragen in hoofdsom van € 19.406,31 en € 5.578,52 heeft gevorderd.
4.13
Huzen heeft echter onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit kan volgen dat de werkzaamheden van MTH - in de persoon van [B] - dusdanig meer hebben omvat dan de overeengekomen boekhoudkundige werkzaamheden, dat van [B] - en dus van MTH - mocht worden verwacht dat hij Huzen ongevraagd over de verzilvering van toeslagrechten zou adviseren. De overeengekomen werkzaamheden hielden immers in het opstellen van jaarcijfers en daarop indienen van aangiften inkomstenbelasting en het jaarlijks indienen van de GO, terwijl niets concreets is gesteld over de grondslag waarop en de onderwerpen waarover [B] binnen die opdracht geacht werd Huzen te adviseren. De door Huzen genoemde correspondentie met de SVB en UWV in 2007 alsmede het door MTH in 2009 verzorgde formulier op het terrein van de meststoffenwet waren uitvloeisel van het opstellen van de jaarcijfers, zo heeft MTH onbetwist aangevoerd. Uit de overgelegde mailcorrespondentie van augustus en september 2011 kan evenmin het bestaan van een verdergaande opdracht worden afgeleid, nu daaruit blijkt dat [B] zich juist op het standpunt stelde dat hij - en dus MTH - geen bemoeienis had met de voordien tussen Huzen en de firma Alpuro gesloten overeenkomst over de overdracht van slachtpremies en dat die kwestie een zaak is tussen Huzen zelf en Alpuro. Gelet op en ander gaat mank de vergelijking met de door Huzen aangehaalde uitspraken van de Hoge Raad van 9 november 1990 (ECLI:NL:HR:1990:AC1103) en van dit hof van 2 april 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:2951), nu het in die gevallen ging om een (contractuele) adviesrelatie.
4.14
Daar waar geen adviesrelatie is overeengekomen en Huzen ook geen voor MTH geldende gedrags- of beroepsregel heeft aangewezen waaruit desondanks een (buitencontractuele) gehoudenheid ter zake zou volgen, valt niet in te zien dat op [B] - en dus op MTH - met betrekking tot de (on)mogelijkheden van een verzilvering van onbenutte toeslagrechten een adviesverantwoordelijkheid zou rusten en [B] Huzen ongevraagd op een en ander had moeten wijzen. Het enkele feit dat [B] voor Huzen jaarlijks de GO indiende, op basis waarvan RVO tot uitbetaling van toeslagrechten kwam, ‘impliceert’ dit nog niet. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat MTH [B] op enig moment is gaan afficheren als ‘agro-adviseur’ en hij zich als zodanig is gaan profileren. Ook die omstandigheden houden in zichzelf nog niet in dat er een adviesrelatie tussen partijen bestond dan wel een adviesverantwoordelijkheid van MTH tegenover Huzen.
4.15
Het hof komt, gelet op het voorgaande, tot het oordeel dat MTH er geen verwijt van valt te maken dat Huzen niet ongevraagd is geadviseerd over de (on)mogelijkheden van verzilvering van onbenutte toeslagrechten. Daarmee valt ook het doek over grief III.
4.16
Met het falen van de grieven I tot en met III is er daardoor evenmin reden om iets af te doen aan de veroordeling in de proceskosten, waartegen Huzen met is opgekomen. Ook deze grief is vergeefs voorgesteld.
beslissing

5

5.1
De grieven falen, zodat het bestreden vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, moet worden bekrachtigd.
5.2
Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Huzen in de kosten van het hoger beroep veroordelen.
5.3
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van MTH zullen worden vastgesteld op € 1.978,- aan griffierecht en € 3.918,- aan salaris advocaat (2 punten x tarief IV à € 1.959,-).
5.4
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 6 december 2017, voor zover aan hoger beroep onderworpen;

v

veroordeelt Huzen in de nakosten, begroot op € 133,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval Huzen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm, M.M.A. Wind en W.F. Boele en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.