Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:321

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:321, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.231.786/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.786/01(zaaknummers rechtbank C/17/139183 / HA ZA 14-475 en C/17/147669 / HA ZA 16-68))
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

ECLI:NL:GHARL:2020:321:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.786/01(zaaknummers rechtbank C/17/139183 / HA ZA 14-475 en C/17/147669 / HA ZA 16-68))
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

1

wonende te [A] ,wonende te [B] ,
2. [appellant2] ,3. [appellant3] ,
wonende te [C] ,appellanten,in eerste aanleg: eisers,advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,
tegen

[geïntimeerde]

wonende te [D] (België),geïntimeerde, in eerste aanleg: gedaagde,hierna: [geïntimeerde] ,advocaat: mr. M.H.C. Morshuis te Den Haag.
Appellante sub 1 zal hierna [appellante1] , appellant sub 2 [appellant2] , appellant sub 3 [appellant3] en appellanten gezamenlijk zullen [appellanten] c.s. worden genoemd.

1

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 30 april 2019 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit: - een akte overlegging producties van de zijde van mr. Morshuis van 13 september 2019;- een akte overlegging producties van de zijde van mr. Reinders Folmer van 16 september 2019.
1.3
Ingevolge het tussenarrest van 30 april 2019 heeft op 1 oktober 2019 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden, hiervan is proces-verbaal opgemaakt.
1.4
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het voor de comparitie overgelegde dossier, waaraan het proces-verbaal en de pleitaantekeningen zijn toegevoegd. Het hof heeft aan het dossier tevens toegevoegd de brieven van 4 en 10 december 2019 namens [appellanten] c.s. over de inhoud van het proces-verbaal.
1.5
Bij conclusie van de memorie van grieven vorderen [appellanten] c.s. - kort gezegd - het vonnis van 29 maart 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:I. de vorderingen van eiser in eerste aanleg, thans geïntimeerde, in de zaak metzaaknummer C/17/147669/ HA ZA 16-68, alsnog af te wijzen;II. geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 288.360,33 aan appellanten met de wettelijke rente vanaf de datum van volledige betaling van dit bedrag, zijnde 18 januari 2018;III. de door eiser in eerste aanleg, thans geïntimeerde, in de zaak met zaaknummerC/17/147669/ HA ZA 16-68, gevorderde wettelijke rente af te wijzen;IV. de vordering van eisers in reconventie in eerste aanleg, thans appellanten, in de zaak metzaaknummer C/17147669/ HA ZA 16-68, tot betaling aan eisers in reconventie in eersteaanleg, thans appellanten, van een bedrag groot € 35.887,- alsnog toe te wijzen door geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een bedrag groot € 35.887,- aan appellanten uit hoofde van onverschuldigd betaalde belasting, met de wettelijke rente vanaf de datum van onttrekking van dit bedrag;V. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met denakosten ten belope van € 131,- zonder betekening en € 199,- met betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de termijn voor voldoening.
1.6
Bij conclusie van de memorie van antwoord vordert [geïntimeerde] [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in hun appel tegen het vonnis van 29 maart 2017, althans dit appel ongegrond te verklaren en hun vorderingen af te wijzen, en dit vonnis, zo nodig onder aanvulling of verbetering van gronden, te bevestigen, en appellanten hoofdelijk te veroordelen in de (integrale) proceskosten en nakosten, met de wettelijke rente daarover vanaf de 14e dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.
2

2.1
[appellanten] c.s. zijn de kinderen van [E] , geboren [in] 1935, en overleden [in] 2012.

2.2
Ten tijde van haar overlijden was erflaatster op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [geïntimeerde] . In de huwelijkse voorwaarden zijn, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen opgenomen:
1. De kosten van de gezamenlijke huishouding en alle andere uitgaven, de echtgenoten tezamen betreffende, waaronder begrepen belastingen en premies van sociale verzekeringen, en de verdere al dan niet periodiek terugkerende uitgaven welke uit de inkomsten plegen te worden betaald, zijn ten laste van de man en zullen door hem worden bestreden uit de gezamenlijke inkomsten van beide echtgenoten, welke inkomsten daartoe jaarlijks bij elkaar zullen worden gevoegd.

Premies van levensverzekering gesloten door een echtgenoot op het leven van de andere zijn ten laste van de begunstigde en kunnen niet ten laste van de gezamenlijke inkomsten worden gebracht.

2. Hetgeen aan het einde van elk kalenderjaar van die gezamenlijke inkomsten na aftrek van vorenbedoelde uitgaven over dat jaar overblijft, zal voor de helft toekomen aan de man en voor de wederhelft aan de vrouw.

3. Indien terzake hiervan tussen de echtgenoten een verrekening moet plaatsvinden, zal deze verrekening binnen twee jaar na het einde van het desbetreffende kalenderjaar moeten zijn gevorderd bij gebreke waarvan het recht om de verrekening te vorderen vervalt."

"Artikel 1

Tussen de echtgenoten zal geen gemeenschap van goederen - in welke vorm ook - bestaan.

Artikel 2

(…)

2.3
Voorafgaande aan het huwelijk is de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Habe Beleggingen B.V. opgericht. De aandelen in deze vennootschap zijn gecertificeerd en worden gehouden door Stichting Administratiekantoor Barjoco & Habe Beleggingen. [geïntimeerde] is, tezamen met een zakenpartner, certificaathouder. De vennootschap heeft per 30 september 2012 uit hoofde van rekening-courant een bedrag van € 1.115.035,- van [geïntimeerde] te vorderen.
2.4
Bij testament van 6 september 2012 heeft erflaatster onder de last van enkele legaten, waaronder het hierna te vermelden legaat aan [geïntimeerde] , [appellanten] c.s. gezamenlijk en voor gelijke delen tot haar enige en algehele erfgenamen benoemd, onder uitsluiting van de toepasselijkheid van afdeling 4.3.1 van Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek. Erflaatster heeft aan [geïntimeerde] gelegateerd haar aandeel in de gemeenschappelijke woning te Denia (Spanje), onder de verplichting om zijn vordering op erflaatster uit hoofde van een geldlening, inclusief (lopende) rente, in verband met de aanschaf van dat aandeel in de woning, in de nalatenschap van erflaatster in te brengen. Vorenbedoelde geldlening betreft blijkens een akte van schuldbekentenis van 26 oktober 2001 een bedrag van € 340.000,-.
2.5
Bij voornoemd testament is [geïntimeerde] tot executeur benoemd. Uit dien hoofde is hij tot afwikkeling van de nalatenschap overgegaan. Aan alle legaten is uitvoering gegeven.
2.6
[appellanten] c.s. hebben op of omstreeks 5 augustus 2013 de nalatenschap beneficiair aanvaard.
2.7
Op 11 november 2013 hebben [appellanten] c.s. zelf aangifte voor erfbelasting gedaan. In verband met deze aangifte is geen aanslag opgelegd.
2.8
Bij akte van 13 mei 2015 in de zaak 14-475 heeft [geïntimeerde] een boedelbeschrijving overgelegd. Hierin is vermeld dat per 13 oktober 2012 de bezittingen van erflaatster (waaronder haar beleggingsportefeuille) opgeteld € 527.513,10 bedragen en de schulden van erflaatster opgeteld € 577.050,80, zodat het saldo van de nalatenschap € 49.537,75 negatief bedraagt. Tevens staat hierin vermeld dat per 13 oktober 2012 de bezittingen van [geïntimeerde] opgeteld € 418.151,- bedragen en de schulden van [geïntimeerde] opgeteld € 1.798.035,-.
2.9
Erflaatster heeft tijdens haar huwelijk met [geïntimeerde] een bedrag van in totaal € 133.521,- aan [appellanten] c.s. geschonken.

beslissing

3

In de zaak met nummer 14-475

3.1
[appellanten] c.s. hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank bij vonnis:1. de wijze van verdeling/verrekening gelast op basis van de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden zoals onder punt 24 tot en met 28 (van de dagvaarding) beschreven, dan wel op een wijze die de rechtbank in goede justitie juist acht;2. onder veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor zover [geïntimeerde] in gebreke blijft met voldoening daarvan na de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, alsmede [geïntimeerde] veroordeelt in de nakosten, voor wat betreft het salaris van de advocaat (voorwaardelijk) begroot op € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis en, voor het geval betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf die termijn van voldoening.
3.2
[geïntimeerde] heeft in conventie verweer gevoerd met conclusie dat de rechtbank bij vonnis [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk verklaart, althans alle vorderingen van [appellanten] c.s. afwijst, een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.3
De rechtbank heeft de vordering van [appellanten] c.s. bij het bestreden vonnis van 29 maart 2017 afgewezen.
In de zaak met nummer 16-68

3.4
[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in conventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis:1. (…);2. (…);3. [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de helft van het verrekenbare vermogen van erflaatster, waarbij de hoogte van het te verrekenen en te vergoeden bedrag wordt vastgesteld conform alinea 45 e.v. (van de dagvaarding);4. [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding van de helft van de schuld in rekening-courant per 30 september 2012;5. [appellanten] c.s. veroordeelt tot betaling van wettelijke rente/vertragingsrente over het onder punt 3 en 4 gevorderde bedrag, te rekenen van af 13 oktober 2012 tot aan de dag van betaling;6. [appellanten] c.s. veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten;een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
3.5
[appellanten] c.s. hebben verweer gevoerd, met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, alsmede [geïntimeerde] veroordeelt in de nakosten, voor wat betreft het salaris van de advocaat (voorwaardelijk) begroot op € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.

3.6
Op de door [geïntimeerde] onder 1 en 2 ingestelde vorderingen, die strekten tot verwijzing en voeging, heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 24 februari 2016 beslist.
3.7
[appellanten] c.s. hebben in reconventie gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:1. [geïntimeerde] veroordeelt tot nakoming van het proces-verbaal van de zitting gehouden op 21 mei 2014 (nakoming van dit proces-verbaal strekt tot het afleggen van rekening en verantwoording over het door [geïntimeerde] gevoerde beheer over de nalatenschap, alsmede tot overlegging van de boedelbeschrijving);2. [geïntimeerde] beveelt tot het overleggen van alle bij hem in bezit zijnde stukken, boeken en bescheiden betreffende het huwelijksvermogen, althans de gegevens, stukken en informatie zoals opgesomd onder punt 20 (van de conclusie van eis in reconventie), dan wel de gegevens, informatie en stukken die de rechtbank in goede justitie juist acht;3. een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag voor zover [geïntimeerde] binnen veertien dagen na betekening van het vonnis in gebreke blijft integraal aan het vonnis te voldoen;4. een deskundige benoemt die belast wordt met het becijferen van de verrekenvordering die [appellanten] c.s. op [geïntimeerde] hebben op grond van het verrekenbeding als opgenomen in de huwelijkse voorwaarden;5. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 35.887,- aan [appellanten] c.s., althans een bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van onttrekking, althans vanaf de sterfdatum van erflaatster, althans vanaf 23 maart 2016;6. [geïntimeerde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 93.939,- aan [appellanten] c.s., althans een bedrag als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van onttrekking, althans vanaf de sterfdatum van erflaatster, althans vanaf 23 maart 2016;7. [geïntimeerde] veroordeelt in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente daarover voor zover [geïntimeerde] in gebreke blijft met voldoening daarvan na de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis, alsmede [geïntimeerde] veroordeelt in de nakosten, voor wat betreft het salaris van de advocaat (voorwaardelijk) begroot op € 131,- zonder betekening in conventie of reconventie, € 205,- zonder betekening in conventie en reconventie tezamen en verhoogd met € 68,- in geval van betekening, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten.
3.8
[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd, met conclusie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [appellanten] c.s. niet-ontvankelijk verklaart, althans de vorderingen afwijst en [appellanten] c.s. veroordeelt in de kosten van het geding.
3.9
De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis van 29 maart 2017:
in conventie

- [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 246.050,84, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 13 oktober 2012 tot aan de dag van betaling;- [appellanten] c.s. veroordeeld in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 4.572,52, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis tot aan de voldoening;- [appellanten] c.s. veroordeeld in de na dit vonnis ontstane kosten, vastgesteld op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [appellanten] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van 14 dagen na betekening van het vonnis tot aan de voldoening;- dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard;- het meer of anders gevorderde afgewezen;
in reconventie

- de vordering van [appellanten] c.s. afgewezen;- [appellanten] c.s. veroordeeld in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 2.842,00;- dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
beslissing

4

4.1
Het hof zal eerst de grief bespreken ter zake de uitleg van de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] , op grond waarvan de rechtbank een vordering van [geïntimeerde] op erflaatster heeft aangenomen (grief vijf), evenals de grief ter zake de hoogte van deze vordering - meer specifiek de hoogte van de inkomsten van erflaatster en de besteding daarvan (grief zeven, in de memorie van grieven aangeduid als tweede grief zes).
4.2
Het hof stelt voorop dat sprake is van een schuld uit hoofde van rekening-courant van [geïntimeerde] aan de vennootschap Habe Beleggingen B.V. - waarvan hij directeur-grootaandeelhouder is - van € 1.115.035,- per 30 september 2012. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat deze schuld is ontstaan vanwege het bestrijden van de kosten van de gezamenlijke huishouding. Nu [appellanten] c.s. deze stelling niet hebben weersproken, zal het hof hiervan uitgaan.

4.3
Artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden bepaalt - kort gezegd - dat de kosten van de gezamenlijke huishouding ten laste van de man, in dit geval [geïntimeerde] , zijn en zullen worden bestreden uit de gezamenlijke inkomsten van de beide echtgenoten. Het artikel voorziet dus alleen in de situatie dat partijen over voldoende inkomsten beschikken om in de kosten van de huishouding te voorzien. Vaststaat dat de kosten van de huishouding niet altijd uit de inkomsten zijn bestreden, dan wel bestreden konden worden, en dat ter voldoening van deze kosten daarom gelden zijn opgenomen uit de BV, waardoor een schuld in rekening-courant is ontstaan. Een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] brengt naar het oordeel van het hof daarom met zich dat de schuld in rekening-courant, voor zover die is aangegaan ter dekking van de kosten van de huishouding, tussen partijen dient te worden verrekend (in de zin van: afgerekend/vergoed). Gelet op het partijdebat in hoger beroep beperkt deze verrekening zich, voor zover het de vordering van [geïntimeerde] op [appellanten] c.s. betreft, tot het gedeelte ter hoogte van het inkomen van erflaatster dat niet is aangewend voor de kosten van de huishouding.

4.4
[appellanten] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat een redelijke uitleg van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat het in artikel 2 lid 3 overeengekomen vervalbeding ter zake de verrekening van overgespaarde inkomsten ook geldt voor de verrekening op basis van het niet-nakomen van de in lid 1 opgenomen plicht bij te dragen in de kosten van de huishouding. Het hof volgt [appellanten] c.s niet in deze uitleg. Zoals het hof hierboven heeft overwogen waren de gezamenlijke inkomsten ontoereikend om de kosten van de huishouding te bestrijden, dan wel zijn deze inkomsten voor andere doeleinden aangewend, zodat voor deze kosten een schuld is aangegaan. Omdat de opnames in rekening-courant niet als inkomsten in de zin van artikel 2 van de huwelijkse voorwaarden kunnen worden gekwalificeerd, ziet de verrekening van de schuld niet op een verrekening van overgespaarde inkomsten, zodat een eventueel daaraan gekoppelde vervaltermijn niet aan de orde kan zijn.

4.5
[geïntimeerde] heeft aangevoerd dat het inkomen van erflaatster tijdens hun huwelijk in totaal € 246.050,84 inclusief rente en dividenduitkeringen heeft bedragen. Zoals blijkt uit het door hem overgelegde overzicht bestaat dit bedrag uit € 93.632,94 aan AOW over de jaren 2000 tot en met 2012, € 60.441,39 aan pensioenen over 2000 tot en met 2012, € 9.227,08 aan rente-uitkeringen over 2001 tot en met 2012, € 3.684,68 aan rente-uitkeringen over 1996 tot en met 2012, en € 66.182,99 aan dividenduitkeringen over 2001 tot en met 2013. Met [appellanten] c.s. is het hof van oordeel dat er sprake is van een mistelling en dat het totaalbedrag aan inkomsten € 241.035,08 is, uitgaande van de op het overzicht vermelde bedragen, namelijk pensioen van in totaal € 60.414,39 (i.p.v. € 60.441,39), AOW van in totaal € 101.525,94 (i.p.v. € 93.632,20), rente van € 9.227,08, rente van € 3.684,68 en beleggingswinst dan wel dividend van € 66.182,99. Het hof zal dan ook uitgaan van een bedrag van € 241.035,08 aan inkomsten van erflaatster tijdens het huwelijk.
4.6
Vast staat dat van het inkomen van erflaatster van € 241.035,08 in totaal € 133.521,- is geschonken aan [appellanten] c.s. Het hof overweegt als volgt over de besteding van het resterende bedrag van € 107.514,08.
4.7
Naar het oordeel van het hof hebben [appellanten] c.s. de stelling van [geïntimeerde] dat het inkomen van erflaatster niet is besteed aan de kosten van de gezamenlijke huishouding van [geïntimeerde] en erflaatster maar volledig aan erflaatster ten goede is gekomen, ook in hoger beroep onvoldoende gemotiveerd betwist. Tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellanten] c.s. onvoldoende hebben weersproken dat de inkomsten van erflaatster tijdens het huwelijk zijn aangewend voor andere doeleinden dan de bestrijding van de kosten van de gezamenlijke huishouding van erflaatster en [geïntimeerde] , hebben [appellanten] c.s. uitsluitend aangevoerd dat het bedrag van € 107.514,08 onverantwoord is gebleven en dat uit de bankafschriften van erflaatster geen andere uitgaven dan kosten van de huishouding blijken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat dit bedrag is besteed aan de kosten van de huishouding. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van [appellanten] c.s. gelegen hun stelling nader te onderbouwen, te meer nu [geïntimeerde] in deze procedure - in eerste aanleg en nogmaals in hoger beroep - de bankafschriften van erflaatster heeft overgelegd op grond waarvan een specificatie had kunnen worden opgesteld van het bedrag dat aan de huishouding is besteed. Aangezien [appellanten] c.s. dat hebben nagelaten, dient het ervoor te worden gehouden dat het resterende bedrag aan inkomsten van erflaatster niet is besteed aan de kosten van de huishouding.
4.8
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er (in beginsel) sprake is van een vordering van [geïntimeerde] op de nalatenschap van erflaatster ten bedrage van het bedrag van € 241.035,08.
4.9
Voor zover [appellanten] c.s. een beroep doen op verjaring (grief zes), overweegt het hof als volgt.
4.10
Het hof gaat voorbij gaat aan het beroep dat [appellanten] c.s. hebben gedaan op verjaring van de vordering tot verrekening (vergoeding) van [geïntimeerde] . Vast staat dat [geïntimeerde] degene is die (als enige) aansprakelijk is voor de schuld in rekening-courant bij de BV. Deze schuld is niet door verjaring tenietgegaan. De vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van een deel hiervan zoals hiervoor overwogen treft hetzelfde lot.
Zuiver/beneficiair aanvaard

4.11
Voor zover [appellanten] c.s. aanvoeren dat zij niet gehouden zijn de vordering in privé te voldoen, omdat zij de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard (de grieven één en twee), overweegt het hof als volgt.

4.12
[geïntimeerde] heeft zich in dat verband allereerst op het standpunt gesteld dat vast staat dat [appellanten] c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, omdat [appellanten] c.s. geen grief hebben aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten in het bestreden vonnis onder 3.8., inhoudende dat de inboedel omstreeks november / december 2012 door [appellanten] c.s. is uitgezocht en in onderling overleg is verdeeld. Het hof gaat aan die stelling voorbij, aangezien uit grief één duidelijk is op te maken dat [appellanten] c.s. dit oordeel bestrijden. Dat [appellanten] c.s. niet expliciet hebben gegriefd tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten, doet daaraan niet af.

4.13
Tevens heeft [geïntimeerde] - kort gezegd - aangevoerd dat [appellanten] c.s. de stelling van [geïntimeerde] dat [appellanten] c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard in rechte hebben erkend door het indienen van de processtukken in de procedure ex artikel 4:194a BW tussen partijen, in welke procedure [appellanten] c.s. als uitgangspunt hebben dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard. Het hof gaat ook aan die stelling voorbij. Een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv, heeft slechts gelding in het geding waarin zij is afgelegd. Daarvan is geen sprake.
4.14
[geïntimeerde] stelt zich voorts op het standpunt dat [appellanten] c.s. zich in de periode voorafgaand aan de beneficiaire aanvaarding in augustus 2013 hebben gedragen als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam, onder andere door een maand na het overlijden van erflaatster over te gaan tot verdeling van een aantal vermogensbestanddelen van de nalatenschap, waaronder inboedel, juwelen en de auto van het merk Peugeot 307, met kenteken [00-YY-YY] (hierna: de auto). Het hof is van oordeel dat [appellanten] c.s. die stelling, in het licht van de onderbouwing daarvan door [geïntimeerde] , onvoldoende hebben betwist. Weliswaar hebben [appellanten] c.s. aangevoerd dat zij slechts daden van beheer hebben verricht en dat geen sprake is geweest van verdeling, maar [geïntimeerde] heeft in dat verband gewezen op het door [appellanten] c.s. ondertekende uittreksel “overleg dd 5 november 2012” tussen [geïntimeerde] en [appellanten] c.s. over de erfenis, waarin staat dat de auto tijdens het overleg door de erfgenamen uit de erfenis is gehaald en is geschonken aan [appellant2] . Voor zover [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat in de verklaring is vermeld dat de auto geen onderdeel is van de nalatenschap omdat deze is geschonken, gaat het hof daaraan gelet op de bewoordingen in het uittreksel dan ook voorbij. De stelling van [appellanten] c.s. dat de afwikkeling van de nalatenschap niet door professionals is gedaan en dat daardoor niet altijd is gekozen voor de juiste bewoordingen, kan mede in het licht van het voorgaande niet tot een ander oordeel leiden. Verder betrekt het hof bij zijn oordeel dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat de in het testament vermelde legaten aan de kinderen van [appellanten] c.s. pas in mei dan wel juni 2013 op uitdrukkelijk verzoek van [appellanten] c.s. zijn uitgekeerd en dat [appellanten] c.s. pas na de hiervoor genoemde handelingen, ruim negen maanden na het overlijden van erflaatster, een verklaring van beneficiaire aanvaarding hebben ondertekend. Hieruit volgt dat [appellanten] c.s. zich voorafgaand aan de beneficiaire aanvaarding in augustus 2013 ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam hebben gedragen, waarmee naar het oordeel van het hof vaststaat dat [appellanten] c.s. de nalatenschap van erflaatster zuiver hebben aanvaard, wat er verder ook zij van de stelling van [appellanten] c.s. dat erflaatster haar juwelen op haar het sterfbed heeft weggegeven zodat deze niet tot de nalatenschap behoren. Voor zover [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat er geen sprake is geweest van verdeling omdat zij niet op de hoogte waren van de volledige inboedel vanwege het ontbreken van een boedelbeschrijving, gaat het hof daaraan voorbij, nu deze stelling niet relevant is voor de beoordeling.
Executeurschap [geïntimeerde]

4.15
[appellanten] c.s. voeren aan dat zij niet gehouden zijn de vordering van [geïntimeerde] op de nalatenschap te voldoen, omdat [geïntimeerde] , kort gezegd, de nalatenschap niet naar behoren - zoals een redelijk handelend executeur betaamt - heeft beheerd en afgewikkeld en in strijd heeft gehandeld met het door hem gewekte vertrouwen door twee jaar na de afhandeling van de nalatenschap een vordering in te stellen jegens [appellanten] c.s. (de grieven drie en vier). Nog daargelaten dat [appellanten] c.s. geen rechtsgevolg aan grief drie hebben verbonden, overweegt het hof hierover als volgt.

4.16
Vast staat dat [geïntimeerde] als executeur de afwikkeling van de nalatenschap van erflaatster op zich heeft genomen en dat hij daarbij aanvankelijk zijn vordering op grond van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden niet heeft ingebracht. Het hof ziet hierin geen reden te oordelen dat [geïntimeerde] zijn taak niet als een redelijk handelend executeur heeft uitgeoefend, temeer daar [geïntimeerde] , naarmate de standpunten van partijen verhardden, [appellanten] c.s. er meermalen op hebben gewezen dat hij, ingeval [appellanten] c.s. in hun ingenomen standpunt ter zake verrekening van zijn ( [geïntimeerde] ) onderneming, zouden volharden, zijnerzijds een vordering op grond van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zou indienen en dat dit voor [appellanten] c.s. wel eens negatief zou kunnen uitpakken. Voor zover [appellanten] c.s. zich hebben beroepen op rechtsverwerking, is het hof van oordeel dat - behalve het enkele tijdsverloop - geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaraan [appellanten] c.s. het gerechtvaardigd vertrouwen hebben kunnen ontlenen dat [geïntimeerde] geen aanspraak meer zou maken op zijn vordering op grond van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Dat [geïntimeerde] in de procedure op grond van artikel 4:149 BW tegenover de rechtbank heeft verklaard dat er geen schuldeisers van de nalatenschap zijn, kan mede in het licht van het voorgaande niet tot een ander oordeel leiden.

4.17
Voor zover [appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat [geïntimeerde] in strijd met de redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld door het legaat aan zichzelf uit te keren terwijl hij een vordering had op de nalatenschap, gaat het hof daaraan voorbij. Ook hiervoor geldt dat [geïntimeerde] op het moment dat hij het legaat van erflaatster aanvaardde en ter zake hiervan de helft van de Spaanse woning aan hem werd overgedragen (4 april 2013) niet kon vermoeden dat uiteindelijk een procedure zou worden gevoerd over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van erflaatster en [geïntimeerde] , en dat hij zijn vordering op de nalatenschap zou inbrengen. Het hof verwijst naar wat op dat punt hiervoor is overwogen. Daar komt bij dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat het legaat met instemming van [appellanten] c.s. aan hem is uitgekeerd. Ook blijkt uit de brief van het notariskantoor van 1 augustus 2013 aan [appellanten] c.s. dat de aanvaarding van het legaat door [geïntimeerde] ertoe heeft geleid dat [appellanten] c.s. per saldo meer overhouden dan in het geval [geïntimeerde] het legaat niet had aanvaard.
De wettelijke rente

4.18
[appellanten] c.s. hebben aangevoerd dat de wettelijke (vertragings)rente over het aan [geïntimeerde] toekomende bedrag slechts verschuldigd is over de periode van 23 december 2015 tot 29 maart 2017, aangezien [geïntimeerde] eerst bij dagvaarding van 23 december 2015 zijn vordering op de nalatenschap tot vergoeding van de helft van de schuld in rekening-courant bij zijn besloten vennootschap heeft becijferd en opgeëist (grief acht). [geïntimeerde] bestrijdt die stelling en voert aan dat in de huwelijkse voorwaarden een termijn is opgenomen waarbinnen de periodieke verrekenplicht moet worden uitgevoerd, die volgens de Hoge Raad een fatale termijn is in de zin van artikel 6:83 aanhef en onder a BW. Subsidiair stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellanten] c.s. veel eerder dan bij dagvaarding van 23 december 2015 op de hoogte zijn geweest van de vordering.
4.19
De vordering van [geïntimeerde] is door hem voor het eerst ingediend bij conclusie van memorie van antwoord van 17 februari 2015 in de procedure bij de rechtbank Noord-Nederland in incident. Het hof acht het daarom redelijk de wettelijke rente per die datum te laten ingaan. Hoewel [geïntimeerde] zijn vordering op erflaatster dan wel [appellanten] c.s. eerder had kunnen instellen, heeft hij dit nagelaten. Dat [appellanten] c.s. eerder op de hoogte hadden kunnen zijn van een vordering van [geïntimeerde] maakt niet dat zij daarom op een eerdere datum rente verschuldigd zijn geworden. Omdat de vordering van [geïntimeerde] niet zijn grondslag vindt in een verrekening van overgespaarde inkomsten, kan zijn beroep op de in de huwelijkse voorwaarden genoemde termijn waarbinnen een periodieke verrekenplicht uitgevoerd had moeten worden hem niet baten.
De belasting van de Spaanse woning

4.20
Grief negen betreft de afwijzing van de vordering van [appellanten] c.s. tot betaling van een bedrag van € 35.887,- aan (Spaanse) overdrachtsbelasting in verband met uitvoering van het legaat inzake de woning in Spanje.
4.21
Ter zitting hebben [appellanten] c.s. deze grief ingetrokken. Deze grief behoeft dan ook geen verdere bespreking meer.
Conclusie

4.22
Gelet op het voorgaande zal het hof [appellanten] c.s. hoofdelijk veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 241.035,08, vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 17 februari 2015 tot aan de dag van betaling.
beslissing

5

5.1
Het bestreden vonnis zal - om doelmatigheidsredenen - worden vernietigd voor zover het de betaling van het bedrag van € 246.050,84 betreft. Het hof zal in zoverre opnieuw beslissen als hierna vermeld.
5.2
Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen en het bestreden vonnis op het punt van de kostenveroordeling bekrachtigen.
5.3
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op:- verschotten (griffierecht ) € 1.649,-- salaris advocaat € 6.322,- conform het liquidatietarief (2 punten - memorie van antwoord en meervoudige comparitie - x tarief V)
5.4
Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.
beslissing

6

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 29 maart 2017 voor zover dit de veroordeling van de betaling van het bedrag van € 246.050,84 betreft;
en in zoverre opnieuw recht doende:veroordeelt [appellanten] c.s. hoofdelijk tot betaling van een bedrag van € 241.035,08, te vermeerderen met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 17 februari 2015 tot aan de dag van betaling;
veroordeelt [appellanten] c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.649,- aan verschotten en op € 6.322,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

veroordeelt [appellanten] c.s. in de nakosten, begroot op € 157,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 82,- in geval [appellanten] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak hebben voldaan én betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C. Koopman, M.A.F. Holtvluwer-Veenstra en M. Weissink en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2020.