Uitspraak ECLI:NL:GHARL:2020:319

Deze uitspraak heeft betrekking op het rechtsgebied Civiel recht en is gepubliceerd door de Raad voor de Rechtspraak op 15-01-2020. De uitspraak is gedaan door Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 14-01-2020, deze uitspraak is bekend onder de European Case Law Identifier (ECLI) ECLI:NL:GHARL:2020:319, het zaaknummer waarop deze uitspraak betrekking heeft is 200.231.728/01


Bron: Rechtspraak


GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.728/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 179560)
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

[appellant]

wonende te [A] ,appellant in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. A. Kolder, kantoorhoudend te Groningen,
tegen

ECLI:NL:GHARL:2020:319:DOC
nl

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.231.728/01(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 179560)
arrest van 14 januari 2020

in de zaak van

[appellant]

wonende te [A] ,appellant in het principaal hoger beroep,geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: eiser,hierna: ,advocaat: mr. A. Kolder, kantoorhoudend te Groningen,
tegen

1

wonende te [B] ,hierna: ,
2. Reaal Schadeverzekeringen N.V.

gevestigd te Amstelveen,hierna: ,geïntimeerden in het principaal hoger beroep,appellanten in het incidenteel hoger beroep,in eerste aanleg: gedaagden,hierna gezamenlijk te noemen: , advocaat: mr. P.J. klein Gunnewiek, kantoorhoudend te Utrecht.
1

1.1
In genoemd tussenarrest heeft het hof bepaald dat een comparitie van partijen zal plaatsvinden. De comparitie is gehouden op 5 december 2019. Bij de comparitie waren ook twee partijdeskundigen - [C] aan de zijde van [appellant] en [D] aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. - aanwezig. Het proces-verbaal van de comparitie (met de daaraan gehechte notitie van mr. klein Gunnewiek) maakt deel uit van de processtukken.
1.2
Aan het slot van de comparitie is een datum voor arrest bepaald.
1.3
De advocaat van [appellant] heeft in een brief van 23 december 2019 op het proces-verbaal gereageerd. De advocaat van [geïntimeerden] c.s. heeft in een brief van 30 december 2019 bezwaar gemaakt tegen deze brief. Volgens haar gaat de brief veel verder dan het opmerken van onjuistheden of onvolledigheden in het proces-verbaal.
1.4
In de brief van de advocaat van [appellant] worden in bladzijde 1 vijf onvolkomenheden/onduidelijkheden in het proces-verbaal vermeld. De daar vermelde punten zijn met uitzondering van wat in het tweede punt is vermeld, terecht opgemerkt. Dat geldt ook voor het derde punt van bladzijde 2. Het hof gaat daarvan uit.Het eerste punt van bladzijde 2 bevat een uitvoerig betoog over de vraag of een grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de groepsaansprakelijkheid. Dat betoog is ter comparitie niet gevoerd. Het hof zal het dan ook buiten beschouwing laten.Het tweede punt bevat aanvullende informatie. Ook die aanvullende informatie zal het hof buiten beschouwing laten.Het tweede punt van bladzijde 1, ten slotte, betreft de weergave van de verklaringen van partijdeskundige [C] . De partijdeskundige heeft zelf een reactie gegeven op het proces-verbaal. Die reactie is aan de brief gehecht. De reactie bevat vier inhoudelijke opmerkingen.De eerste opmerking wordt terecht gemaakt. De tweede opmerking betreft wat de partijdeskundige [C] heeft gezien, waar het proces-verbaal een weergave geeft van wat het hof heeft gezien.De derde en de vierde opmerking bevatten aanvullende informatie en worden om die reden niet in aanmerking genomen.
2

2.1
Het gaat er in deze zaak om of [geïntimeerden] c.s. aansprakelijk zijn voor de schade die het gevolg is van een complexe fractuur van de linkerenkel/het linker onderbeen van [appellant] . De fractuur is ontstaan tijdens een voetbalwedstrijd die op 10 april 2005 werd gehouden tussen FVV, het team van [appellant] , en VV Muntendam, het team van [geïntimeerde1] . Beide amateurteams kwamen toen uit in de 3e klasse KNVB. Voor FVV stond er niets meer op het spel, Muntendam moest winnen om nacompetitie (en mogelijk degradatie) te ontlopen.
2.2
In de 55ste minuut van de wedstrijd kreeg [appellant] (met rugnummer [00] ), bij een counter van FVV de bal net buiten het 16 meter gebied en voor het doel vanaf links en schuin van achteren aangespeeld door een medespeler, die de keeper van Muntendam had omspeeld.

2.3
[geïntimeerde1] (met rugnummer [01] ) en een teamgenoot met rugnummer [02] (hierna: nummer [02] ) hebben zonder succes geprobeerd te voorkomen dat [appellant] zou scoren. [appellant] heeft de bal met zijn rechtervoet in het (lege) doel geschoten, maar is wel ten val gekomen en aan zijn linkerbeen zwaar geblesseerd op het veld achtergebleven. Hij is vervolgens per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. De scheidsrechter heeft daarop het duel gestaakt. Hij heeft [geïntimeerde1] noch zijn teamgenoot bestraft voor hun actie.
2.4
Als gevolg van de fractuur heeft [appellant] een groot aantal operaties ondergaan. Uiteindelijk is zijn linker onderbeen geamputeerd.
2.5
Een van de toeschouwers van de wedstrijd heeft de wedstrijd op video vastgelegd. Op deze opname is ook het ontstaan van de blessure bij [appellant] te zien.

2.6
[appellant] heeft aangifte van zware mishandeling tegen [geïntimeerde1] gedaan. De strafzaak tegen [geïntimeerde1] is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
2.7
[appellant] heeft [geïntimeerde1] en diens aansprakelijkheidsverzekeraar Reaal aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade. [geïntimeerden] c.s. hebben aansprakelijkheid van de hand gewezen.
2.8
Met deze vaststelling van de feiten heeft het hof (waarin [appellant] opkomt tegen de vaststelling door de rechtbank dat het incident in de 25ste minuut van de rechtbank plaatsvond) behandeld.

beslissing

3

3.1
[appellant] heeft een deelgeschil aanhangig gemaakt bij de rechtbank. Hij heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het hem overkomen sportongeval en om hen te veroordelen tot vergoeding van de door hem daardoor geleden schade en in de kosten van de deelgeschilprocedure.
3.2
De rechtbank heeft in haar beschikking van 11 maart 2016 - kort gezegd - het volgende overwogen en beslist:a. het causaal verband tussen het letsel van [appellant] en de actie van [geïntimeerde1] staat voldoende vast. Het letsel is niet veroorzaakt door de verdedigende actie van de speler van Muntendam met rugnummer [02] ;b. [geïntimeerde1] heeft bij zijn verdedigende actie niet onrechtmatig gehandeld tegenover [appellant] . Er is ook geen sprake van aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW (onrechtmatige daad in groepsverband);c. de advocaatkosten van [appellant] in verband met het deelgeschil kunnen worden begroot op € 12.146,58.
3.3
De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt ertoe dat het hof de beschikking in het deelgeschil vernietigt, voor recht verklaart dat [geïntimeerde1] op grond van artikel 6:162 BW aansprakelijk is voor het door [appellant] op 10 april 2005 opgelopen beenletsel, [geïntimeerden] c.s. hoofdelijk veroordeeld tot schadevergoeding op te maken bij staat, tot betaling van de kosten van het deelgeschil van € 12.146,58 en tot afgifte van een deugdelijke fiscale garantie, een en ander met veroordeling van [geïntimeerden] c.s. in de proceskosten.
overwegingen

4

Wat is de oorzaak van het letsel van [appellant] ?causaal verband
4.2
[geïntimeerden] c.s. voeren allereerst aan dat niet vaststaat dat het letsel van [appellant] is veroorzaakt door een geweldsinwerking vanuit de linker achterzijde. Een geweldsinwerking vanuit de rechterzijde zou volgens hen een vergelijkbare fractuur kunnen veroorzaken. Bovendien is niet uitgesloten dat de fractuur is ontstaan doordat [appellant] met grote kracht op de grond is terechtgekomen met een afwijkende voetstand. [geïntimeerden] c.s. beroepen zich voor dit standpunt op hun medisch adviseurs drs. [E] (hierna: [E] ) en dr. [F] (hierna: [F] ).
4.3
Op basis van het medisch dossier, röntgenfoto’s en de beschikbare videobeelden heeft dr. A.D.P. [G] (hierna [G] ), traumachirurg bij het Medisch Centrum Twente, op verzoek van de advocaat van [appellant] de oorzaak van het letsel van [appellant] onderzocht. In zijn rapport van 12 juli 2015 heeft hij onder meer het volgende geschreven:boven de enkel.3. Door dit directe letsel treed een verbrijzeling breuk op van het kuitbeen boven het enkelgewricht. [01] . Door de inwerkende kracht wordt het onderbeen naar binnen gedrukt terwijl de voet van het standbeen in de grond blijft staan waardoor de enkel naar buiten kantelt.5. Door deze geforceerd kantel beweging van de enkel naar buiten treedt een dwarse afscheuring breuk op van de binnenknokkel van de enkel waardoor de enkel nog verder naar buiten schuift en kantelt.6. Hierdoor scheuren vervolgens de banden die het scheenbeen en het kuitbeen boven het enkelgewricht aan elkaar verbinden. 7. Hierdoor ontstaat vervolgens een volledige ontwrichting van het enkelgewricht plaats naar buiten. 8. Door deze complete ontwrichting perforeert het onderste uiteinde van het scheenbeen aan de binnenzijde door de huid naar buiten.
CausaliteitsvraagMet betrekking tot de causaliteit van het onderhavige letsel kan, op basis van bovenstaande bevindingen, met een aan zekerheid grenzende stelligheid vastgesteld worden dat hier sprake is geweest van een direct letsel ten gevolge van hoog energetisch direct inwerkend geweld. Dit leidt tot de vaststelling dat, in de fictieve situatie waarbij geen sprake zou zijn geweest van direct contact, dit letsel niet opgetreden zou zijn. De luxatiestand naar lateraal, de dorso-laterale angulatie stand van de fibula, de avulsie fractuur van de mediale malleolus, de perforatie van de distale tibia aan de mediale zijde van de enkel, duiden vervolgens op direct inwerkend geweld van dorso-laterale zijde van de linker enkel; in dit geval dus van links achter.
Conclusie Het letsel van de linker enkel van betrokkene was het gevolg van een hoog energetisch direct trauma met uitwendig inwerkend geweld vanaf de linker achter zijde van betrokkene.
4.4
[F] komt in zijn rapport van 12 januari 2016 tot de conclusie dat op basis van de videobeelden het ongevalsmechanisme niet nauwkeurig is vast te stellen. Hij schrijft onder meer:“”Volgens [F] is dan ook niet uitgesloten dat geen sprake is van een direct trauma (letsel ter hoogte van de locatie van het direct inwerkend geweld), maar van een indirect trauma (letsel op een andere hoogte dan de inwerkende kracht, zoals het geval zou zijn bij in de grond trappen).
4.5
Op verzoek van de advocaat van [appellant] heeft [G] in een aanvullend rapport van 16 januari 2016 gereageerd op het rapport van [F] . [G] schrijft onder meer:“?Video Röntgenfoto
3. Wat was locatie van het directe trauma? De video toont dat beide tegenspelers laag inkomen op enkel niveau of juist daarboven. Ook collega [F] stelt dat er was gewelds-/krachtinwerking op het linker been van betrokkene met als punctum maximum de linker enkelregio. Het betreft een uiterst comminutieve (verbrijzeling) fractuur van de fibula boven de syndesmose van de enkel. Dit past bij het laag inkomen op de enkel van betrokkene.
4. Wat was de richting van het directe trauma? De video toont een actie van twee tegenspelers die beide laag van achteren inkomen, één van de linker achterzijde en één van rechtsachter, op het moment dat betrokkene juist met zijn rechter been op het doel geschoten heeft en terwijl zijn linker been zijn standbeen is.
Door deze actie wordt betrokkene ten val gebracht waarbij hij naar links achter valt en op zijn linker zij/rug terecht komt. Deze richting van de val van betrokkene is uiterst suggestief voor laag inwerkend geweld van links/achter ten opzichte van betrokkene. De video toont direct na de val een forse standsafwijking van linker enkel van betrokkene waarbij de voet naar buiten verplaatst is ten opzichte van het onderbeen. Ook collega [F] beaamt dat het mechanisme zeker suspect voor een direct trauma met een mogelijke krachtstinwerking vanuit lateraal ten opzichte van het getroffen linker been van betrokkene. Bij de fibulafractuur is er sprake van een standsafwijking in de vorm van een translatie ad axim met een forse angulatie (hoekstand van het distale (onderste) botdeel ten opzichte van het praximale botdeel). Op de voor-achterwaartse Röntgenopnames is te zien dat er sprake is van angulatie van het distale botdeel naar lateraal: een valgus stand. Op de zijdelingse Röntgenopnames is te zien dat er sprake is van een angulatie van het distale botdeel naar dorsaal; een antecurvatie stand. Er is dus sprake van een samengestelde angulatie naar lateraal-dorsaal. De richting van de hoekstand van de fibula, met een angulatie van het distale botdeel naar lateraal en dorsaal, leidt tot de conclusie dat de richting van het uitwendige inwerkende geweld van dorso-lateraal is gekomen; met andere woorden van links achter ten opzichte van betrokkene. Tevens is er sprake van een avulsie fractuur van de mediale malleolus (binnenste enkelknokkel) welke passend is bij een eversie (naar
buiten kantelen) letsel van de enkel.Deze foto's tonen een gecompliceerde (open) luxatie (ontwrichting) waarbij de enkel naar lateraal (naar buiten) geluxeerd staat en de distale tibia (onderste gedeelte van het scheenbeen) aan de mediale (binnen) zijde van de enkel door een dwarse traumatische wond naar buiten perforeert. Ook dit past bij uitwendig geweld komend vanaf linksachter op het enkelgebied van betrokkene. BeschouwingGezien bovenstaande analyse van het traumamechanisme kom ik (wederom) tot de volgende conclusies: 1. Het letsel van betrokkene is ontstaan door toedoen van een tegenspeler. 2. Hel letsel is opgetreden ten gevolge van een direct trauma door uitwendig inwerkend uitwendig geweld. 3. Het uitwendig geweld greep aan juist boven de enkel van betrokkene. [01] . De richting van waarmee het uitwendig geweld aangreep ten opzichte van betrokkene kwam van links achter.
4.6
Het hof vindt de hiervoor vermelde conclusies van [G] overtuigend. Zij zijn gebaseerd op een uitvoerige analyse van alle beschikbare gegevens, te weten de medische informatie betreffende [appellant] , röntgenfoto’s en foto’s die zijn gemaakt op de afdeling spoedeisende hulp, waar [appellant] na het incident is binnengebracht. Het rapport van [F] is uiterst summier en het is de vraag of het is gebaseerd op de medische informatie waar [G] zijn oordeel op heeft gebaseerd.
4.7
In hoger beroep is een aanvullend rapport van [F] van 19 januari 2016 en een rapport van [E] van 17 oktober 2017 overgelegd. [F] schrijft onder meer:“”[E] schrijft onder meer:“6. Het valt niet te ontkennen dat gezien de aard van het initiële röntgenologische beeld een door [G] geschetste geweldsinwerking van linksachter-lateraal primair het meest voor de hand ligt (dat wil zeggen een kracht in de richting van de pijl.(…)7. Dat dat het enige denkbare mechanisme is staat echter wat mij betreft niet zonder meer vast. Ik kan me althans ook een rechtszijdig mechanisme voorstellen (hetgeen uiteraard meer relevant is voor zover aangenomen wordt dat één van de betrokken tegenspelers van rechts kwam) dat ziet op een geweldsinwerking mediaal waarbij de voet als het ware met grote kracht uit het bovenste spronggewricht van de enkel wordt geduwd terwijl het naar lateraal luxerende sprongbeen in combinatie met de remmende werking van de syndesmose (de verbinding tussen kuitbeen en scheenbeen) vervolgens de kuitbeenbreuk veroorzaakt. En wellicht is ook het met grote kracht op de grond terecht gekomen in een afwijkende voetstand (in- of eversie) een niet imaginaire mogelijkheid.”
4.8
[G] heeft op verzoek van de advocaat van [appellant] gereageerd op de hiervoor vermelde rapporten van [F] en [E] . In een aanvullend rapport van 11 augustus 2018 schrijft hij over het rapport van [E] onder meer:“
Conclusie: De richting van de traumatische luxatie, de locatie van het traumatische weke delen letsel, de aard van de fibulafractuur en de dislocatie van de fibulafractuur pleiten alle tegen inwerkend geweld aan mediale zijde van de linker enkel van betrokkene maar zijn alle passend bij van (dorso)lateraal inwerkend geweld.”

Over het rapport van [F] schrijft hij onder meer:“”

4.9
Met zijn reactie heeft [G] de kanttekeningen van [F] en [E] bij zijn rapport overtuigend weerlegd. Daarbij moet worden opgemerkt dat ook volgens [E] de door [G] aangewezen oorzaak van het letsel, te weten een geweldsinwerking van linksachter, het meest aannemelijk acht. Hij acht die oorzaak alleen niet “het enig denkbare mechanisme”. Dat sluit aan bij [F] , die aangeeft dat de argumenten van [G] een andere oorzaak niet uitsluiten. Voor het bewijs van de oorzaak van het letsel is echter niet nodig dat de door [G] aangewezen oorzaak de enig denkbare oorzaak is en ook niet dat andere oorzaken met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zijn uitgesloten. Voldoende is dat deze oorzaak met een redelijke mate van zekerheid de oorzaak van het letsel is. Aan dat vereiste is, gelet op de zorgvuldige rapporten van [G] , waarin alle beschikbare gegevens op een rij zijn gezet en geanalyseerd, ruimschoots voldaan.
4.10
De slotsom is dan ook dat het hof ervan uitgaat dat het letsel bij [appellant] is ontstaan door een geweldsinwerking vanaf linksachter op de enkel van [appellant] .
Wie heeft het letsel van [appellant] veroorzaakt?

4.12
Tijdens de comparitie van partijen heeft het hof met partijen, hun advocaten en de deskundigen de videobeelden uitgebreid bestudeerd en besproken. Op die beelden is te zien dat [geïntimeerde1] en nummer [02] ongeveer gelijktijdig een sliding inzetten. Daarbij bevindt [geïntimeerde1] zich links van en iets achter [appellant] . Nummer [02] bevindt zich rechts van [geïntimeerde1] en achter (iets rechtsachter) [appellant] . Als nummer [02] (hard rennend) zijn sliding inzet, bevindt zijn rechterbeen zich in voorwaartse richting rechts van het rechterbeen van [appellant] . Zijn linkeronderbeen heeft hij ingevouwen en bevindt zich onder zijn lichaam. [geïntimeerde1] zet (eveneens hard rennend) zijn sliding in met het linkerbeen. Het rechteronderbeen heeft hij ingetrokken en bevindt zich onder het lichaam. Op de beelden is niet te zien welk been (of welke benen) de linkerenkel van [appellant] linksachter raakt (raken). Maar het is zeer onwaarschijnlijk dat een been van nummer [02] hem daar heeft geraakt. Allereerst komt nummer [02] van achter en heeft hij zijn rechterbeen naar voren. Bovendien blijkt uit de beelden dat na de sliding (wanneer zowel [appellant] , [geïntimeerde1] als nummer [02] op de grond liggen, dat het rechterbeen van nummer [02] rechts van het linkerbeen van [appellant] is gesitueerd.Wanneer het rechterbeen van nummer [02] naar alle waarschijnlijkheid niet de linkerenkel linksachter heeft geraakt, blijft het linkerbeen van [geïntimeerde1] over. Het is ook aannemelijk dat het dat been is geweest, omdat [geïntimeerde1] van links(achter) kwam en zijn linkerbeen naar voren had.
4.13
De conclusie is dat [geïntimeerden] c.s., gelet op de in het geding gebrachte videobeelden, onvoldoende hebben weersproken dat [geïntimeerde1] (en niet nummer [02] ) [appellant] linksachter op de enkel heeft geraakt. Daarmee kan er, gelet op wat hiervoor is overwogen over de oorzaak van het letsel, van worden uitgegaan dat het letsel van [appellant] is veroorzaakt door de actie van [geïntimeerde1] . Dat betekent dat de faalt.
Heeft [geïntimeerde1] een onrechtmatige daad gepleegd?onrechtmatige daadgrieven 2 tot en met 5 in het principaal appel
4.15
Ook voor het antwoord op de vraag of [geïntimeerde1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] is van belang wat (wel en niet) op de videobeelden zichtbaar is. Zichtbaar is dat:- het team van [geïntimeerde1] een snelle counter uitvoert, waarbij een medespeler van [appellant] vanaf links de keeper passeert en de bal laag voorzet in de richting van [appellant] die zich recht voor het doel bevindt; - [geïntimeerde1] (van linksachter) en nummer [02] (van achter [appellant] ) komen aangerend en zetten beiden een sliding in ( [geïntimeerde1] van links met het linkerbeen, nummer [02] van achter met het rechterbeen). Beiden hebben het andere been ingetrokken onder het lichaam;- op het moment dat de sliding wordt ingezet, is de bal in beweging van links in de richting van [appellant] . [appellant] heeft de bal dan nog niet gespeeld;- [appellant] valt een fractie nadat de bal van richting verandert, in de richting van het doel (en zichtbaar meer snelheid krijgt), klaarblijkelijk omdat [appellant] de bal met de rechtervoet heeft geraakt. Het linkerbeen is op dat moment het standbeen van [appellant] ;- [appellant] , [geïntimeerde1] en nummer [02] liggen daarna op de grond.
4.16
Anders dan [appellant] stelt, is op de beelden niet te zien dat:- [geïntimeerde1] met twee benen in de richting van [appellant] springt - [geïntimeerde1] glijdt met het linkerbeen vooruit en het rechterbeen onder zich over de grond;- [geïntimeerde1] zijn sliding pas inzet nadat [appellant] de bal al heeft gespeeld - op het moment dat [geïntimeerde1] zijn sliding inzet, bevindt de bal zich nog tussen de medespeler van [appellant] aan de linkerzijde van het veld en [appellant] , waarbij de bal dichtbij [appellant] is, maar nog niet voor zijn rechtervoet.
4.17
In zijn arrest van 28 juni 1991 (ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992, 622) heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of de deelnemer aan een sport als voetbal onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht minder snel bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden. Deelnemers aan een sport als voetbal hebben tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, ook als vergelijkbare gedragingen buiten het kader van de sport niet aanvaardbaar zijn. Verder overwoog de Hoge Raad dat het enkele overtreden van de spelregels, waaronder regels ter bevordering van de veiligheid van de speler, niet onrechtmatig is, maar dat overtreding van een spelregel wel een factor is die meeweegt bij de beoordeling van de rechtmatigheid. In latere arresten heeft de Hoge Raad deze lijn (die overigens ook was terug te vinden in zijn arrest van 19 oktober 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1456, NJ 1992/621) bevestigd. In zijn arrest van 20 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO1239, NJ 2004/238) overwoog de Hoge Raad in dit verband ook dat deelnemers aan het spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede, onvoldoende doordachte handelingen of andere gedragingen waartoe het spel uitlokt van elkaar hebben te verwachten.
4.17
Uit de hiervoor weergegeven rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat de vraag of [geïntimeerde1] met zijn actie een spelregel heeft overtreden een factor is die meeweegt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van zijn actie. Vaststaat dat [geïntimeerde1] geen sanctie (gele of rode kaart) voor zijn actie heeft gekregen van de scheidsrechter. Dat betekent niet dat geen sprake was van een (zware) overtreding. [appellant] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de scheidsrechter ten tijde van de actie niet in de buurt was. Op de beelden is te zien dat de scheidsrechter enige tijd na het incident ter plaatse is. Dat sluit aan bij de verklaring van de scheidsrechter in een televisieprogramma op 12 april 2017, inhoudende dat hij op een afstand van wel 30 meter stond en de situatie niet (goed) kon beoordelen. Aan het uitblijven van een sanctie kan dan ook (zoals [appellant] terecht opmerkt) niet de conclusie worden verbonden dat [geïntimeerde1] geen overtreding heeft gemaakt.
4.18
De Spelregels veldvoetbal, uitgave juli 2011 van de KNVB maken, wat betreft de ernst, onderscheid tussen drie soorten overtredingen, te weten onvoorzichtig (geen sanctie), onbesuisd (een waarschuwing - gele kaart) en met buitensporige inzet (de speler wordt weggestuurd - rode kaart). Bij “onvoorzichtig” gaat de speler een duel ondoordacht aan of handelt hij onbezonnen.Bij “onbesuisd” handelt de speler zonder het gevaar of de gevolgen voor de tegenstander in ogenschouw te nemen.Bij “buitensporige inzet” overschrijdt de speler de noodzakelijke inspanning ver en loopt hij het risico zijn tegenstander te blesseren. Partijen zijn het erover eens dat dit onderscheid in ernst van de overtreding ook al in 2005 werd gehanteerd. Verder bepalen deze Spelregels, voor zover van belang, dat een rode kaart op zijn plaats is bij - onder meer - “ernstig gemeen spel” en “gewelddadig gedrag”.
4.19
Volgens de Aanvullende instructies spelregels veldvoetbal van juli 2015 moet een reglementaire sliding (‘sliding tackle” in de terminologie van de aanvullende instructies) aan de volgende voorwaarden voldoen: “.”

4.20
Uit deze omschrijving volgt dat een sliding aan de volgende voorwaarden moet voldoen om reglementair te zijn:- over de grond met een of twee benen naar voren;- de bal spelen;- voldoende ruimte.Vaststaat dat [geïntimeerde1] niet de bal, maar wel de tegenstander heeft geraakt. De sliding was dan ook niet reglementair en vormde een overtreding van de spelregels. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat niet vaststaat dat [geïntimeerde1] niet over de grond gleed; uit de beelden volgt dat hij niet springt, maar glijdt. Uit de beelden volgt evenmin dat [geïntimeerde1] onvoldoende ruimte had.
4.21
Ten aanzien van de sanctie op een niet correcte sliding bepalen de aanvullende instructies onder meer:“”De aanvullende instructies beëindigen dit onderwerp met de volgende observatie:“”
4.22
De door partijen ingeschakelde deskundigen verschillen sterk van mening over de vraag of sprake is van een overtreding en, zo ja, hoe ernstig de overtreding is. Volgens de door [appellant] ingeschakelde deskundigen [H] , docent aan de scheidsrechtersopleiding van de KNVB, is sprake van een ernstige overtreding. [geïntimeerde1] heeft zijn actie “, aldus [H] . [H] gaat er daarbij, zo blijkt uit zijn rapport, vanuit dat [geïntimeerde1] met beide benen vooruit, en niet glijdend over de grond, vooruit is gesprongen met zijn gewicht in de richting van [appellant] . De actie van [geïntimeerde1] is buitensporig en kan in redelijkheid niet geacht verbonden te zijn met de voetbalsport, meent [H] . De heer [C] , adviseur spelregelzaken van de KNVB en oud internationaal scheidsrechter, komt tot een vergelijkbaar oordeel. Over de actie van [geïntimeerde1] schrijft hij:“.”Volgens [C] valt de overtreding in de categorie “ernstig gemeen spel”, een categorie die een rode kaart rechtvaardigt. [C] merkt daarbij op dat de sliding van achteren kwam, waardoor deze nog gevaarlijker was - [appellant] kon er geen rekening mee houden. Bovendien kon [geïntimeerde1] volgens [C] de bal niet meer bereiken, omdat [appellant] zich tussen [geïntimeerde1] en de bal bevond.
4.23
De beide partijdeskundigen gaan er, blijkt uit hun rapport vanuit, dat [geïntimeerde1] naar [appellant] sprong en zich dus niet glijdend over de grond verplaatste. [C] gaat er bovendien vanuit dat [geïntimeerde1] per definitie niet meer bij de bal kon komen, omdat die zich rechts van [appellant] bevond, waardoor [appellant] , vanuit [geïntimeerde1] bezien, zich tussen hem en de bal bevond.Hiervoor heeft het hof al vastgesteld dat uit de beelden niet blijkt dat [geïntimeerde1] naar [appellant] sprong en evenmin dat de bal zich ten tijde van het inzetten van de sliding rechts van [appellant] bevond. De bal bevond zich toen nog links(voor) van [appellant] . Als de bal zich toen al rechts van [appellant] bevond, had [appellant] de bal niet (iets later) kunnen raken. Het oordeel van de beide deskundigen is dan ook gebaseerd op een lezing van de feiten die niet alleen niet vaststaat, maar die op cruciale punten ook verschilt van wat het hof op grond van de beelden van het incident heeft vastgesteld.
4.24
Ook [geïntimeerden] c.s. hebben twee deskundigen gevraagd hun licht te laten schijnen over het incident. Oud internationaal scheidsrechter [I] meent dat [geïntimeerde1] het duel om de bal aangaat en om die reden geen overtreding begaat. Oud internationaal scheidsrechter [D] denkt daar wat anders over. Hij schrijft:“”
4.25
Het oordeel van [D] is gebaseerd op een lezing van de feiten die overeenkomt met wat het hof op grond van de beelden van het hof heeft vastgesteld. [appellant] heeft niet gesteld dat wanneer van deze lezing van de feiten moet worden uitgegaan, de conclusie van [D] over de ernst van de overtreding - onvoorzichtig (geen sanctie) of onbesuisd (gele kaart) - onjuist is. In zijn reactie op het rapport van [D] gaat [C] ook uit van zijn eigen lezing van de feiten - [geïntimeerde1] sprong en kon niet meer bij de bal - en gaat hij niet in op de vraag wat de conclusie zou moeten zijn uitgaande van de juistheid van de lezing van [D] van de feiten.
4.26
Gelet op het voorgaande kan er weliswaar van worden uitgegaan dat [geïntimeerde1] een overtreding heeft gemaakt, maar heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd dat deze overtreding zo ernstig was dat deze een rode kaart rechtvaardigde vanwege “buitensporige inzet” of “ernstig gemeen spel”.
4.27
[appellant] heeft nog de vergelijking gemaakt tussen de overtreding van [geïntimeerde1] en de geruchtmakende overtreding van Bouaouzan op Kokmeijer. In die zaak is Bouaouzan strafrechtelijk veroordeeld voor zware mishandeling (vgl. Hoge Raad 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7087). Volgens [appellant] is de overtreding van [geïntimeerde1] op hem zwaarder dan die van Bouaouzan. Het hof volgt hem hierin niet. Bouaouzan zette geen sliding in, maar kwam met grote kracht en snelheid met zijn been ongeveer een halve meter boven de grond in op het been van Kokmeijer. Ook de andere door [appellant] aangevoerde gevallen verschillen van de situatie die hier aan de orde is.
4.28
Uit de hiervoor aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de overtreding van de spelregels, zeker wanneer die (zoals hier) gericht zijn op de veiligheid van de medespelers, een factor is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van een actie bij een sportwedstrijd, maar dat het enkele overtreden van de spelregels de actie nog niet onrechtmatig maakt. Naar het oordeel van het hof was de actie van [geïntimeerde1] , die inderdaad een overtreding van de spelregels vormde, niet zo buitensporig dat deze viel buiten de kaders van wat deelnemers aan een voetbalwedstrijd in redelijkheid mogen verwachten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat wie deelneemt aan een voetbalwedstrijd op amateurniveau (in de woorden van de Hoge Raad) in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede, onvoldoende doordachte handelingen of andere gedragingen waartoe het spel uitlokt kan verwachten. Bij voetbal betekent dit dat een deelnemer door een dergelijke actie geraakt kan worden. Dat in dit geval van een dergelijke actie geen sprake was, heeft [appellant] , op wie stelplicht en bewijslast ten aanzien van de onrechtmatigheid rusten, onvoldoende onderbouwd, omdat niet vaststaat dat:- [geïntimeerde1] met twee benen vooruit op hem afsprong;- de bal niet kon spelen, omdat deze per definitie onbereikbaar voor hem was zodat hij [appellant] wel moest raken.Dat [geïntimeerde1] van schuin achter [appellant] zijn sliding inzette, leidt niet tot een ander oordeel, omdat er niet van kan worden uitgegaan dat Bijholt de bal vanuit deze positie niet had kunnen raken wanneer hij zijn sliding niet een fractie eerder zou hebben ingezet, dan wel beter zou hebben ‘gericht’. Dat [appellant] zeer ernstig letsel heeft opgelopen door de actie van [geïntimeerde1] , maakt de actie ook niet onrechtmatig, zoals de advocaat van [appellant] bij gelegenheid van de comparitie van partijen ook heeft bevestigd. Het hof volgt (de advocaat van) [appellant] niet in het betoog dat de ernst van het letsel in dit geval een argument vormt voor de ernst van de overtreding; een geringe overtreding kan tot ernstig letsel leiden en andersom.
4.29
[appellant] heeft nog een algemeen bewijsaanbod gedaan. Maar aan bewijslevering komt het hof, gelet op het oordeel dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, niet toe. Bovendien is het bewijsaanbod onvoldoende gespecificeerd. Het hof ziet geen reden een deskundige te benoemen om na te gaan of de videobeelden zo bewerkt kunnen worden, bijvoorbeeld tot een 3D-weergave, dat de toedracht nog beter kan worden beoordeeld. De beelden geven op belangrijke punten voldoende informatie. Bovendien staat niet vast dat een dergelijk onderzoek resultaat zal hebben.
4.30
De conclusie is dat het hof, net als de rechtbank, tot de conclusie komt dat [geïntimeerde1] niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] . Dat betekent dat de grieven van [appellant] over dit onderwerp falen.
4.31
In de procedure in deelgeschil heeft [appellant] zich ook nog op groepsaansprakelijkheid beroepen. De rechtbank heeft deze grondslag van aansprakelijkheid afgewezen (r.o. 6.17). Tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht. Het hof leest op dit punt ook geen verholen grief in de memorie van grieven. Voor zover uit de stellingen van [appellant] bij gelegenheid van de comparitie moet worden afgeleid dat [appellant] dit oordeel in hoger beroep alsnog ter discussie heeft willen stellen, is sprake van een nieuwe grief. Volgens vaste rechtspraak dient appellant al zijn grieven in de memorie van grieven te formuleren. Een uitzondering op deze regel doet zich hier niet voor. Aan deze grondslag gaat het hof dan ook als niet voorliggend voorbij.
De kosten van het deelgeschilgrief 6 in het principaal appel
De conclusie

4.34
In het principaal appel zal [appellant] worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (2 punten, tarief II), te vermeerderen met nasalaris en wettelijke rente zoals gevorderd en te betalen binnen de termijn als gevorderd. In het incidenteel appel worden [geïntimeerden] c.s. veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep (1 punt, tarief II).
beslissing

5

Het gerechtshof:

wijst het principaal en het incidenteel appel af;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van [geïntimeerden] c.s. gevallen, op € 726,- aan verschotten en op € 2.148,- voor geliquideerd salaris van de advocaat, te betalen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van dit arrest en met de nakosten van € 131,-, te vermeerderen met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan èn betekening heeft plaatsgevonden;

veroordeelt [geïntimeerden] c.s. in de kosten van het incidenteel appel en bepaalt deze kosten, voor zover tot nu toe aan de zijde van [appellant] gevallen, op € 1.074,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.